Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
een aanwijzing. Steeds moeten de omstandigheden van het geval als geheel in aanmerking worden genomen. Dit kan er ook toe leiden dat gronden die reeds zijn ontwikkeld, samen met nog niet ontwikkelde gronden tóch één complex vormen. [8]
klacht a, richt klachten tegen rechtsoverweging 2.13. Het leest in die overweging dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat bepaalde gronden binnen het plangebied van het inpassingsplan Nieuw Reijerwaard niet in exploitatie worden gebracht en verbindt aan deze lezing rechts- en motiveringsklachten.
als één geheelin exploitatie zijn of worden gebracht, ertoe doen, in de zin dat alleen die gronden tot het complex kunnen worden gerekend. Dit is geheel overeenkomstig art. 40d lid 2 Ow.
klacht b, richt motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.13 dat deskundigen de grenzen van het complex te ruim hebben getrokken en bovendien ook tegen de volgende nadere oordelen van de rechtbank:
mogelijkeen beslissing in andere zin rechtvaardigen dan door de rechter wordt gegeven. Wat als een voldoende respons op een relevante stelling kan gelden, hangt intussen af van de omstandigheden, waaronder opnieuw de inhoud van het partijdebat. In het benoemen van bepaalde gronden voor een beslissing in de ene zin, kán een voldoende respons besloten liggen op door een partij gebezigde gronden voor een beslissing in andere zin.
enkele mogelijkheidvan een andere beslissing in het licht van de bedoelde omstandigheid is echter mijns inziens nu onvoldoende om aan te nemen dat de rechter die omstandigheid in zijn motivering dient te betrekken; de omstandigheid zal met
een zekere evidentievoor zo’n andere beslissing moeten pleiten. Ik meen dat dit laatste ook past bij een behoorlijke taakverdeling tussen enerzijds de onteigeningsrechter in feitelijke aanleg en de Hoge Raad als cassatierechter. Ook in onteigeningszaken is cassatie niet een extra feitelijke instantie, waarin naar believen nieuwe stellingen kunnen worden betrokken.
de functie daarvanniet vergelijkbaar zou zijn met de weg uit het bedoelde arrest van 2002. De financiële samenhang wordt daarbij slechts terloops (wat betreft de wegen) [17] respectievelijk als bijkomend argument (wat betreft de fietspaden) door het Waterschap benoemd. [18]
voor de omgeving.Hier heeft de rechtbank zich kennelijk aangesloten bij de stellingname van de GRNR volgens welke de landschappelijke elementen niet de beeldkwaliteit op het bedrijventerrein zelf dienen. [19]
in beginseleen complex vormen, maar dat dit in het concrete geval anders kan liggen.
klacht c, richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.16 en 2.17 dat de gronden benodigd voor de aan te passen Verbindingsweg niet tot het complex behoren. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn omdat de Verbindingsweg de ruimtelijke drager van het bedrijventerrein vormt, de belangrijkste ontsluiting van het bedrijventerrein is en in de toekomst als beeldbepalende ‘blauwe drager’ het visitekaartje van het bedrijventerrein zal vormen, alsook omdat de Verbindingsweg niet als bovenwijkse voorziening is aangemerkt in het exploitatieplan.
klacht d, bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.13.1 dat deskundigen terecht tot de slotsom gekomen zijn dat de gronden voor de nieuwe Voorweg geen deel uitmaken van het complex.
primaireen regionale functie. Dit is voldoende duidelijk.
klacht e. De klacht richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.13.2 dat de deskundigen de fietspaden terecht niet tot het complex hebben gerekend. De rechtbank zou onvoldoende zijn ingegaan op hetgeen door het Waterschap bij pleidooi is aangevoerd. [24] Opnieuw wordt verwezen naar meerdere pagina’s (‘pleidooi, p. 2 t/m 4’ en brief mr. De Jager van 22 maart 2019, ‘p. 1 t/m 3’). Het is
nietde taak van uw Raad – noch van mij als advocaat-generaal – om zelf te bedenken welke (zinvolle) klachten mogelijk aan de op deze pagina’s te vinden stellingen kunnen worden ontleend. Dat is
welde taak van een cassatieadvocaat.
klacht f, bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.13.2 dat deskundigen ten aanzien van het groen en water ten onrechte de functionele samenhang die bestaat met de wegen en fietspaden hebben losgelaten ten faveure van de beeldkwaliteit van het bedrijventerrein voor de omgeving. Dit oordeel, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zouden onbegrijpelijk zijn, omdat uit de stukken van het geding zou blijken dat de inrichting van de openbare ruimte van het ‘Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’ (waaronder het groen en water) ten dienste staat van het bedrijventerrein.
klacht g, houdt in dat de rechtbank niet is ingegaan op het betoog van het Waterschap dat als de gronden waarop de windturbines gerealiseerd zullen worden tot het complex behoren, dit dan ook geldt voor de gronden met de dubbelbestemming ‘Veiligheidszone windturbine’. De klacht verwijst naar pagina 9 en 10 van het pleidooi ten overstaan van de rechtbank.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
voorwaardelijkincidenteel cassatieberoep’ (tekst op het voorblad) genomen. Een voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld wordt echter niet omschreven. Het is niet vanzelfsprekend dat als het principaal beroep geen doel treft, de GRNR bij het incidenteel beroep geen belang meer heeft. Daarom houd ik het ervoor dat op het kantoor van de cassatieadvocaat van de GRNR een fout is gemaakt en dat bedoeld is om
onvoorwaardelijkincidenteel beroep in te stellen. In de schriftelijke toelichting van de zijde van het Waterschap is in het incidenteel beroep ten volle verweer gevoerd. [29] Met een uitleg van het incidenteel beroep als onvoorwaardelijk van karakter, wordt het Waterschap dus niet tekortgedaan. Het incidenteel beroep bestaat uit negen onderdelen. Diverse onderdelen hangen echter met elkaar samen of bouwen voort op voorgaande onderdelen.
bijzondereligging of hoedanigheid, die een correctie op de complexwaarde rechtvaardigt, kan slechts sprake zijn indien die ligging of hoedanigheid ook los van de verdeling van de diverse bestemmingen over het complex een voor een redelijk handelend koper relevant voordeel of nadeel oplevert.
in concretovan een bijzondere negatieve hoedanigheid geen sprake is, wordt in cassatie niet op begrijpelijkheid bestreden. De klacht faalt.
kunnenzijn van een bijzondere hoedanigheid die een negatieve invloed zou kunnen uitoefenen op de waarde, en dit niet anders is dan in het door deskundigen genoemde geval van bodemverontreiniging [33] (waarin wel sprake was van een bijzondere hoedanigheid die tot een lagere waarde dan de complexwaarde leidt).
los van de bestemming die juist voor die stukken grond was aangewezen [34] wél sprake was van een bijzondere hoedanigheid. Daarom kon de bodemverontreiniging in dat geval wel tot een aftrek op de complexwaarde leiden. [35]
niet noodzakelijkerwijseen nadeel hoeft op te leveren. Van een verrekening van nadelen met voordelen is geen sprake.