Conclusie
de bewindvoerders) met een beroep op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW Pro) de vernietiging kunnen vorderen van overeenkomsten tot aanschaf van een sterrenwacht en astronomische apparatuur, gesloten tussen de onder bewind gestelde (hierna:
[betrokkene]) en [A] . [A] is een winkel in optische artikelen, waarvan eiseres tot cassatie (hierna:
[eiseres]) de eigenaar is. [betrokkene 6] - eiser tot cassatie in de met deze zaak samenhangende zaak 19/00626 - was destijds de levenspartner van [eiseres] en degene die de onderneming [A] feitelijk dreef.
[betrokkenen]) ieder afzonderlijk hebben geprocedeerd - is nog slechts de kenbaarheid van de geestestoestand van [betrokkene] aan de orde. Ten aanzien van de kenbaarheid is het hof bij arrest van 6 november 2018 tot de conclusie gekomen dat al vanaf het moment van het sluiten van de (hoofd)overeenkomst in augustus 2006 voor [betrokkenen] de abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar was of had moeten zijn. Verder heeft het hof (onder meer) het betoog van [eiseres] verworpen dat zij zelf nooit contact heeft gehad met [betrokkene] en dat zij daarom niet aansprakelijk kan zijn voor de handelingen van [betrokkene 6] .
1.Feiten en procesverloop
het verwijzingsarrest): [1]
het arrest voor verwijzing) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
het arrest na verwijzingof
het bestreden arrest) heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2014 bekrachtigd.
ofhet voor [betrokkenen] op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast; het gaat er uitsluitend nog om
vanaf welk momentde geestestoestand van [betrokkene] voor [betrokkenen] kenbaar was of had moeten zijn (rov. 2.14);
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ofhet voor [betrokkenen] op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast (zie de cassatiedagvaarding onder 2.1 in samenhang met de overwegingen onder 3.3.1 en 3.3.2 van het arrest van de Hoge Raad); het gaat er uitsluitend om
vanaf welk momentde geestestoestand van [betrokkene] voor [betrokkenen] kenbaar was of had moeten zijn.
procesinleiding, par. 1.1 tot en met 1.4) dat het oordeel van het hof dat het er slechts om gaat
vanaf welk momentde geestestoestand van [betrokkene] voor [betrokkenen] kenbaar was of had moeten zijn (rov. 2.14), rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, is. Het oordeel van de Hoge Raad dat het hof Amsterdam in het arrest voor verwijzing niet heeft gemotiveerd waarom die geestestoestand reeds bij het sluiten van de eerste overeenkomst duidelijk had moeten zijn, impliceert dat het nog steeds tot de mogelijkheden behoort dat [betrokkene] geestestoestand op geen enkel moment - en dus als zodanig niet - kenbaar hoefde te zijn aan [betrokkenen] , aldus het onderdeel.
vanaf welk moment dit kenbaar wasvoor [betrokkenen] heeft het Hof eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het Hof aldus impliciet heeft geoordeeld dat al bij de eerste transactie in augustus 2006 kenbaar was voor [betrokkenen] dat [betrokkene] aan een ziekte leed die zijn beoordelingsvermogen aantast, welk oordeel geen steun vindt in de gedingstukken omdat verweerders in cassatie daaromtrent niets hebben gesteld.
vanaf welk momentvoor hen kenbaar was dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast, maar niet dát op enig moment kenbaar was voor [betrokkenen] dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast. [13]
ofhet voor [betrokkenen] op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast en het er (aldus) uitsluitend om gaat
vanaf welk momentde geestestoestand van [betrokkene] voor [betrokkenen] kenbaar was of had moeten zijn.
op welk momentdie abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar had moeten zijn. In haar memorie na verwijzing merkt zij immers op:
op welk momentdie abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar had moeten zijn.”
ofhet voor [betrokkenen] op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast, de uitkomst mijns inziens niet anders zou zijn geweest.
procesinleiding, par. 2 (i) tot en met (v)) is het oordeel van het hof in rov. 2.20 dat [betrokkene] abnormale geestestoestand voor [betrokkene 6] reeds bij het aangaan van de hoofdovereenkomst kenbaar had moeten zijn, vanwege de aldaar genoemde feiten en omstandigheden, rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, om de in par. 2 (i) tot en met (v) uiteengezette redenen.
in privéen niet [betrokkenen] / [A] en [eiseres]
in privébetreffen. [18]
[betrokkene 6]kenbaar was of had moeten zijn, omdat hij degene is geweest die namens [A] alle contacten met [betrokkene] heeft gehad.
subonderdeel 2 (ii)heeft het hof, met zijn overweging in rov. 2.17 dat het dermate ongebruikelijk is dat geen schriftelijke offerte is gedaan voor de bouw van de sterrenwacht, dat daarmee gegeven is dat het voor [betrokkene 6] kenbaar had moeten zijn dat [betrokkene] ‘wel zeer makkelijk te beïnvloeden’ was, miskend dat uit de stellingen over en weer [21] volgt dat het bij het sluiten van de hoofdovereenkomst in het geheel niet duidelijk was met welke apparatuur de sterrenwacht zou worden uitgerust. Om die reden was sprake van een hoofd- en vervolgovereenkomsten, en kon in 2006 onmogelijk een offerte kon worden gedaan voor het geheel. Uit het feit dat geen offerte gedaan is, kan niet worden afgeleid dat kenbaar had moeten zijn dat [betrokkene] beoordelingsvermogen was aangetast. In de eerste factuur van € 5.950, zo stelt het subonderdeel, staat wel duidelijk beschreven welke werkzaamheden daarvoor zouden worden verricht zodat die factuur een met een offerte vergelijkbare functie vervulde. [22]
over en weervolgt dat bij het sluiten van de hoofdovereenkomst in het geheel niet duidelijk was met welke apparatuur de sterrenwacht zou worden uitgerust. Bovendien volgt dit betoog ook niet uit de wel aangegeven vindplaats.
nadatde hoofdovereenkomst was gesloten, kan logischerwijs niet dienen als motivering dat vóór het sluiten van de hoofdovereenkomst de abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar had moeten zijn.
subonderdeel 2 (v)vitieert hetgeen waarover subonderdeel 2 (iv) klaagt tevens de in rov. 2.18 van bestreden arrest overwogen (ongebruikelijke) gang van zaken.
procesinleiding, par. 3.2, eerste volzin [23] ) klaagt
ten eerstedat het hof met de overwegingen in rov. 2.21 (eerste volzin, de woorden “
toont niet aan”) heeft miskend dat het aan [betrokkene] is om de kenbaarheid te stellen en te bewijzen en niet aan [betrokkenen] om te bewijzen dat de abnormale geestestoestand van [betrokkene] voor (de facto) [betrokkene 6] niet kenbaar had moeten zijn.
tweedeklacht van
subonderdeel 3.2(
procesinleiding, par. 3.2, tweede volzin) had het hof de omstandigheid dat [betrokkene] ondanks zijn handicap in staat was om decennia lang zelfstandig te leven, moeten betrekken bij de in rov. 2.16-2.19 genoemde omstandigheden. Ook deze klacht treft geen doel.
Aan dit oordeel [27] doet niet af” blijkt dat het hof bij de beantwoording van de voorliggende vraag (vanaf welk moment aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan, rov. 2.15 [28] ) in beginsel mede relevantie heeft toegekend aan de door [betrokkene 6] gestelde omstandigheid dat [betrokkene] ondanks zijn handicap in staat was zelfstandig te leven. Het hof heeft die omstandigheid - als aangekondigd in rov. 2.15 - besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze onvoldoende gewicht in de schaal legt omdat zij niet aantoont dat de bij [betrokkene] bestaande abnormale geestestoestand niet voor derden kenbaar was.
procesinleiding, par. 3.3) klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.21 (derde volzin e.v.) onbegrijpelijk is vanwege hetgeen (de bewindvoerder) [bewindvoerder 1] heeft verklaard ter gelegenheid van het pleidooi van 25 september 2018 in de procedure na verwijzing. Uit die verklaring blijkt volgens het subonderdeel zonneklaar dat de familie van [betrokkene] (i) van meet af aan (vanaf 2006) wist dat [betrokkene] met een ambitieus en kostbaar project op zijn interessegebied sterrenkunde bezig was, (ii) dat men hem dit gunde, hoewel “hij daar weinig of niets mee zou kunnen gezien zijn beperkingen”, juist
omdathij zich dit kon veroorloven en (iii) mits het project goed zou worden afgeleverd, dit zijdens de familie niet bezwaarlijk en evenmin verwijtbaar jegens [betrokkenen] zou zijn geacht. [33] Met andere woorden: dat de wil van [betrokkene] op zichzelf dus juist
niet gebrekkig was gevormd. Immers, indien een “uiterst geavanceerde en fantastische sterrenhut in zijn piepkleine achtertuintje had gestaan”, zouden de bewindvoerders zich niet op de vernietigbaarheid van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten hebben beroepen. Door deze verklaring niet mede in de beoordeling te betrekken heeft het hof een onbegrijpelijk danwel onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven, aldus het subonderdeel.
De omvang van de beperkingen van [betrokkene] was bij zijn familie dus al niet goed kenbaar. Tevens heeft zijn familie destijds bewust besloten niet in te grijpen ten aanzien van zijn aankoopgedrag. Gelet op deze omstandigheden mag dan ook geen kenbaarheid worden aangenomen bij [betrokkenen] althans niet snel.” (onderstreping, A-G)
procesinleiding, par. 4.1-4.6) klaagt in vijf subonderdelen dat het oordeel van het hof in rov. 2.25 rechtens onjuist is, omdat:
procesinleiding, par. 4.2);
procesinleiding, par. 4.3);
procesinleiding, par. 4.4);
procesinleiding, par. 4.5);
procesinleiding, par. 4.6).