Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
enaanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 58,3 gram hennep en/of 7,1 gram hasj, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.De bespreking van het middel
NJ2019/309 m.nt. Kooijmans, werd in cassatie geklaagd dat aan de verdachte, toen hem in zijn woning de vraag werd gesteld of zich daar een hennepkwekerij bevond, Salduz-bijstand was onthouden. Daaraan ging de vraag vooraf of er sprake was van een verhoor toen die vraag over de hennepkwekerij aan hem gesteld werd. Het hof oordeelde van niet en overwoog dat de vraag van de verbalisant of de verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had, kennelijk geen betrekking had op een reeds geconstateerd strafbaar feit en dat de hennepkwekerij in de bijkeuken pas later was ontdekt. [4] Omdat van een ‘verhoor’ derhalve (nog) geen sprake was, had de verdachte volgens het hof op dat moment (nog) geen recht op bijstand van een raadsman.