Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
voorafgaandaan de mondelinge behandeling op de hoogte gesteld van de afwezigheid ter zitting van één van de raadsheren en daarover
tevorenhun instemming ontvangen:
van te vorenmee akkoord gegaan.” [4] (Cursivering A-G)
geen bezwaarhebben geuit tegen de omstandigheid dat de derde raadsheer, die niet aanwezig was ter zitting, alle stukken van de zaak heeft gelezen en de beschikking als derde raadsheer mee zou gaan wijzen.
uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandelingaan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Aan partijen dient (in een procesreglement of op andere wijze, zie HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976) de gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zodanig verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.” [19] (Cursivering A-G)
gelegenheid gebodenom te verzoeken om een mondelinge behandeling ten overstaan van voltallige beslissende meervoudige kamer [23] . Van belang lijkt mij daarbij dat volgens de rechtspraak van Uw Raad een dergelijke gelegenheid ook voldoende gewaarborgd kan worden geacht, als dat in een procesreglement is opgenomen [24] , hetgeen immers betekent dat het in een dergelijk geval ook niet
expliciet tevoren of ter zittingin de betreffende individuele zaak aan de orde behoeft te worden gesteld. [25]
onderdeel Iaandraagt, dat het hof (expliciet in elk individueel geval) de mogelijkheid aan partijen moet voorhouden om alsnog een mondelinge behandeling op een later tijdstip ten overstaan van de voltallige kamer te houden als van de hoofdregel meervoudig zitten = meervoudig beslissen door dezelfde “zetel” wordt afgeweken, ligt volgens mij niet besloten de rechtspraak van Uw Raad. Dit leidt ertoe dat het eerste onderdeel niet slaagt.
LJN BB6176,
NJ 2007/624(naar welk arrest de AG ook verwijst ter staving van haar beperkte uitleg van het begrip ‘verdeling’), met de mededeling dat uit dit arrest niet anders kan worden afgeleid. In dit arrest ging het om toedeling van een woning door de rechtbank waarna hoger beroep werd ingesteld dat zich enkel richtte op de waardering van de woning en niet op de toedeling. Datum van toedeling was de datum van het vonnis van de rechtbank waarin de woning werd toegedeeld, ook al was de waardebepaling nog in hoger beroep onderwerp van geschil. Met andere woorden: verdeling in de zin van
art. 3:182BW kon kennelijk hier
welworden aangenomen, ook al stond de waardering nog niet vast. Ik neem aan dat als men het nog niet eens is over de waardering, dat dan ook nog niet aangenomen kan worden dat partijen het “ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling)” (overweging 4.2.2 van het onderhavige arrest). Zonder waardering kunnen die vorderingen immers niet worden vastgesteld. Ik begrijp echter uit het onderhavige arrest, dat als partijen in hoger beroep nog strijden over de verdeling, nog geen sprake is van een verdeling in de zin van art. 3:182 BW Pro. Ik begrijp ook uit het onderhavige arrest, dat als partijen het nog niet eens zijn over de waardering, evenmin sprake kan zijn van een verdeling in de zin van art. 3:182 BW Pro. Dan begrijp ik niet waarom in HR 23 november 2007 wel een verdeling mocht worden aangenomen, terwijl partijen nog strijden over de waardering. Anders geformuleerd: uit HR 23 november 2007 kan wel degelijk anders worden afgeleid, namelijk een meer beperkte invulling van het begrip verdeling.
verdeling door partijen zelf met wederzijdse instemmingenerzijds aan de orde is en anderzijds
vaststelling van de verdeling door de rechter. In het eerste geval is door Uw Raad uitgemaakt dat een feitelijke verdeling door partijen zelf, al tijdens het huwelijk, niet zonder meer impliceert dat partijen het eens zijn over de financiële consequenties daarvan, zodat de peildatum waardering niet (zonder meer) gesteld kan worden op de datum van deze feitelijke verdeling. In het tweede geval van verdeling door de rechter is er (meestal) geen sprake van wederzijdse instemming, dus ook niet over de financiële consequenties. In dat geval komt als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter over de verdeling het meest in aanmerking. [38] Maar mogelijk is niet meer aan de hand dan volgt uit het slot van het citaat uit de noot van Verstappen in het vorige nummer. Deze zaak leent zich ervoor om duidelijkheid te scheppen op dit punt.
dat partijen zelf al een feitelijke verdelingwaren overeengekomen voorafgaand aan de procedure bij de rechtbank en dit is ook niet aangevoerd. [42] Of langs de lijn van de analyse van Verstappen: niet de toedeling op zichzelf aan de vrouw is nog langer punt van geschil, maar wel de hoogte van de overbedelingsschuld/onderbedelingsvordering. In hoger beroep is de toedeling van de woning aan de vrouw op zichzelf namelijk niet meer aan de orde. [43] Nu sprake is van vaststelling van de verdeling door de rechtbank, komt als peildatum waardering de datum van de beschikking van de rechtbank het meest in aanmerking, zoals uw Raad in HR 23 november 2007 [44] heeft geoordeeld. Daar is het hof dan ook gemotiveerd langs deze lijnen van uit gegaan (vgl. rovv. 5.18-5.19 en 5.22). [45] Mij lijkt dit passen in het stelsel zoals begrepen door Verstappen of als nader geanalyseerd in 2.25.
onderdeel IIlijkt mij dan (langs de lat van beide analyses) tevergeefs voorgesteld. Die knoopt aan bij de andere categorie situaties van eigen feitelijke verdeling door partijen (of situaties waarbij niet alleen nog maar een overbedelingsschuld/onderbedelingsvordering-kwestie resteert), waarbij geen overeenstemming is over de financiële gevolgen, de categorie gevallen bedoeld in het arrest uit 2013. Hetzelfde geldt voor de
eerste klacht uit onderdeel XI.Nu volgens mij door het hof terecht is aangeknoopt bij de situaties bedoeld in het arrest uit 2007, ketsen de klachten van deze onderdelen hierop af.
tweede onderdeel I (procesinleiding p. 4) en onderdeel Vgaan uit van een onjuiste lezing van de beschikking van het hof, nu het hof wel degelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de peildatum omvang en de peildatum waardering. In rov. 5.18 acht het hof het uitgangspunt van de rechtbank juridisch correct dat als peildatum omvang conform de hoofdregel is genomen de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, hier de indiening van het echtscheidingsverzoek op 29 juni 2016. In rov. 5.19 oordeelt het hof dat als peildatum waardering de datum van de bestreden beschikking van de rechtbank in aanmerking komt, waarbij de verdeling is gelast. Ook is het aspect van de peildatum waardering van de echtelijke woning uitgebreid aan de orde geweest tijdens de laatste mondelinge behandeling, vgl. bijvoorbeeld het zittingsp-v p. 18. Van een verrassingsbeslissing is dan ook geen sprake, zodat deze klachten geen doel kunnen treffen.
onderdeel IIIziet op rov. 5.19 en faalt eveneens. Zoals hiervoor werd gezien, had een andere peildatum voor de hand gelegen als het hof opnieuw een oordeel zou moeten geven over de toedeling van de woning zelf, maar dat was in appel geen geschilpunt meer. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. De peildatum waardering van de woning blijft dan ook de datum waarop de woning door de rechtbank aan de vrouw is toebedeeld. De passage uit rov. 5.19 “tenzij in appel tegen de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling als geheel wordt opgekomen” leest de klacht te geïsoleerd.
onderdeel IVklaagt over miskenning van het grievenstelsel doordat het hof niet is uitgegaan van de taxatiedatum van de woning als peildatum waardering. Geklaagd wordt dat het hof zou hebben miskend dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de woning wordt vastgesteld per taxatiedatum. Nu de man hiertegen geen grief zou hebben gericht, zou deze datum vaststaan. Nog los van grieven van de vrouw tegen deze datum, [46] heeft de rechtbank geoordeeld dat de taxatie moet plaatsvinden in de situatie voorafgaand aan de verbouwing van de garage. Dit staat niet op gespannen voet met een peildatum waardering ten tijde van de beschikking van de rechtbank; taxatie kan ook geschieden naar de waarde van een object op een datum in het verleden. De klacht mist volgens mij feitelijke grondslag waar ervan wordt uitgegaan dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat de waarde zou moeten worden bepaald per
taxatiedatum.Dat blijkt nergens uit. De klacht faalt.
onderdeel VIslaagt ook niet. We hebben hiervoor gezien dat het hof de peildatum waardering van de woning terecht heeft vastgesteld op 6 februari 2018 als datum waarop de woning is toegedeeld aan de vrouw. Dat daar mogelijk bij de eerste mondelinge behandeling andere standpunten over zijn ingenomen door de vrouw, doet daar niet aan af. Van buiten het partijdebat treden is geen sprake.
onderdeel VII, dat het hof essentiële stellingen van de man over de peildatum waardering van de woning zou hebben gepasseerd, te weten dat de woning eerst getaxeerd moet worden en dat de uitkomst van de taxatie bindend is tussen partijen, lijkt mij zodoende niet te kunnen slagen. Er is volgens mij in rov. 5.19 door het hof rechtens juist geoordeeld dat en waarom de peildatum waardering hier de datum van de beschikking van de rechtbank is. Dat staat op zich los van de taxatiekwestie.
onderdeel VIIIziet op rov. 5.23 en klaagt ook over het passeren van essentiële stellingen van de man over de peildatum waardering. Kennelijk ziet de klacht niet op de ter zitting gemaakte bindende afspraak over taxatiewijze van de woning, nu uit het zittingsp-v van 5 juni 2020, p. 4 volgt dat de man het eens was met de keuze van drie NVM makelaars, waar de vrouw dan een makelaar uit zou kiezen die de prijs bindend vaststelt. Hier heeft de man geen bezwaar tegen gemaakt. Kennelijk ziet de klacht op het gedeelte over de peildatum voor de taxatie, dus 6 februari 2018. Nu we hebben gezien dat de beslissing peildatum waardering in rov. 5.19 juist is, heeft het hof hier in rov. 5.23 niet bedoeld dat partijen een bindende afspraak over die peildatum zouden hebben gemaakt, maar (slechts) een afspraak over de wijze van taxatie. De klacht gaat dan ook uit van een onjuiste lezing van het arrest en ketst daar op af.
tweede klacht van onderdeel XI, tenslotte, klaagt over het uitgaan van een taxatiewaarde van € 590.000,- op basis van een beweerdelijk eenzijdig in opdracht van de vrouw uitgebracht taxatierapport. Dit mist feitelijke grondslag, omdat dit, zoals we in 2.33 hebben gezien, conform de ter zitting gemaakte afspraak over de taxatiewijze is gebeurd, zodat geen sprake is van een eenzijdig in opdracht van de vrouw uitgebracht taxatierapport. Daar ketst deze tweede klacht uit onderdeel XI op af.