Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 oktober 2020.
Hoge Raad
In deze civiele zaak vorderde eiseres betaling van een bedrag en legde zij beslag op erfpachtrecht en bankrekeningen. Na een mondelinge behandeling in hoger beroep en bewijslevering vond een rechterswisseling plaats waarbij het eindarrest werd gewezen door andere raadsheren dan die bij de mondelinge behandeling en het tussenarrest betrokken waren.
Eiseres klaagde dat het hof partijen niet vooraf had geïnformeerd over deze rechterswisseling, wat volgens haar in strijd was met art. 155 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad overwoog dat op grond van eerdere arresten een mededelingsplicht bestaat bij rechterswisseling na mondelinge behandeling, maar dat deze plicht niet gold in deze zaak omdat de mondelinge behandeling vóór het arrest van 20 maart 2020 had plaatsgevonden.
Voorts stelde de Hoge Raad dat de verplichting tot mededeling niet geldt voor rechterswisselingen van raadsheer-commissarissen die alleen bij bewijslevering betrokken waren. Het verzuim om in het eindarrest melding te maken van de niet-deelname van de raadsheer-commissaris leidt niet tot een schending van het recht op een eerlijk proces en is niet ontvankelijk in hoger beroep.
De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde de geldende regels omtrent rechterswisseling en mededelingsplicht in civiele procedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof was niet verplicht partijen vooraf te informeren over de rechterswisseling.