ECLI:NL:PHR:2021:1017

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
29 oktober 2021
Zaaknummer
20/03435
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 342.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsminimum bij feitelijke aanranding van de eerbaarheid

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid wegens het knijpen in de billen van een minderjarig meisje bij de toiletten van een station in Den Haag. Het hof baseerde zijn oordeel op de verklaring van het slachtoffer, een getuige, camerabeelden en de eigen verklaring van de verdachte.

De verdediging stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was omdat het steunde op één bron en dat het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv niet was gehaald. Ook werd geklaagd over de onvolledige weergave van het spreekrecht en aanvullende pleitnota's in het proces-verbaal.

De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie omtrent het bewijsminimum en stelt dat steunbewijs niet per se betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen zelf, maar ook op specifieke omstandigheden zoals de emotionele toestand van het slachtoffer. Het hof had voldoende concreet en gedetailleerd bewijs dat de verklaring van het slachtoffer ondersteunt.

De klachten over het proces-verbaal worden afgewezen vanwege de eis dat verweren schriftelijk en begrijpelijk moeten worden vastgelegd. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt daarmee de bewezenverklaring en de strafoplegging door het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03435

Zitting21 september 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het arrest.
Namens de verdachte heeft mr. G. van der Steen, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel komt op tegen de bewijsvoering en de inhoud van het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van het hof van 1 oktober 2020. De eerste klacht houdt in dat niet is voldaan aan het in art. 342, tweede lid, Sv neergelegde bewijsminimum. Aangevoerd wordt dat de gebruikte bewijsmiddelen afkomstig zijn van één en dezelfde bron en voor zover die niet van haar afkomstig zijn geen ondersteuning bieden aan de verklaringen van de aangeefster. De tweede klacht begrijp ik zo, dat de inhoud van het proces-verbaal dat van de terechtzitting is opgemaakt tekort schiet voor wat betreft de weergave van wat in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht en voor wat betreft hetgeen daar door de verdediging naar voren is gebracht maar niet in de overgelegde pleitnota is opgenomen.

De bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat
“hij op 09 april 2019 te ’s-Gravenhage, door een feitelijkheid, [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2006) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds, meermalen, in de billen van die [aangeefster] geknepen”.
5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 oktober 2020 verklaard –zakelijk weergegeven–:
Op 9 april 2019 was ik werkzaam bij de toiletten op het [A] in Den Haag. Ik heb aangeefster die dag gesproken en voor haar geld gewisseld. Verder heb ik haar de heren wc's gewezen, omdat ik dacht dat zij een jongen was.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019095288-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 21 e .v.):
als de op 9 april 2019 afgelegde verklaring van [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2006:
Ik wil aangifte doen van aanranding. Op 9 april 2019 ben ik door een man in mijn billen geknepen bij de toiletten op het [A] te Den Haag. Ik moest heel erg plassen. Ik besloot naar de wc te gaan. Ik zag dat het toiletgebruik 70 cent kost. Ik sprak daar een man aan die daar werkte of je kon pinnen. De man zei dat dit niet kon. Ik vroeg of hij kon wisselen. Dat kon. Ik moest meelopen naar het herentoilet waar de man een ruimte in ging bestemd voor medewerkers. De man gaf mij een handje wisselgeld en ik wilde naar de vrouwen wc lopen. Ik liep voorop en de man achter mij aan. Ik voelde een hand aan mijn kont. Het was de man die mij wisselgeld gaf omdat hij half naast mij liep en er ook geen andere mannen in mijn omgeving waren. De man wees met zijn hand dat ik een mannentoilet in moest gaan. Ik zei: ‘Nee, ik ben een meisje’ en ik hoorde dat de man zei: O, o sorry, ik dacht dat je een jongen was. Ik ging snel naar de dames wc want ik moest nog steeds plassen.
Het was echt knijpen en dat twee keer. Niet echt hard maar ik voelde duidelijk dat de man kneep. Ik ging uit het toilet en ging mijn handen wassen en mijn gezicht. Ik ging de wc uit om te kijken of ik die man nog zag. De man zag mij. Ik ben gelijk de wc ruimte weer ingegaan om te wachten op andere vrouwen met wie ik mee kon lopen. Ik wilde niet alleen de poortjes uitlopen. Ik waste mijn gezicht omdat ik had gehuild. Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Ik was heel erg geschrokken van wat die man had gedaan en ik wist niet wat ik moest doen. Ik had de hele tijd een vriendin aan de telefoon. Toen de man in mijn bil kneep ben ik daarna een hokje ingegaan en zei ik: 'Ieuw, ieuw'. Ik ben toen ook gaan huilen en dat hoorde mijn vriendin ook en ze vroeg aan mij wat er gebeurd was. Ik heb toen verteld wat er gebeurd was. Ik ben met een mevrouw meegelopen de wc en de poortjes uit, toen heb ik het gesprek gestopt met mijn vriendin en heb gelijk mijn moeder gebeld. Mijn vriendin heet [betrokkene 1] . Ik heb tegen mijn moeder gezegd wat ik tegen u heb verteld. Ik kwam om 15.30 uur aan met de tram op station [A] .
Ik heb donkerblond lang krullend haar, die ik droeg in een staart. Ik droeg een zwart Nike trainingspak met witte strepen aan de zijkant. Ik droeg een rood/zwart geblokte rugzak. Ik droeg donkerblauwe Nike schoenen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500,-2019095288-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 25 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 11 (het hof begrijpt: 9) april 2019 was [aangeefster] slachtoffer van een aanranding. [aangeefster] verklaarde dat ze haar vriendin [betrokkene 1] had gebeld.
Ik belde de moeder van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] lag met griep op bed. Daarop is besloten [betrokkene 1] via de telefoon te horen. [betrokkene 1] verklaarde het volgende:
[aangeefster] was helemaal in shock, ze was aan het huilen op de wc. Ze had verteld dat die man zei dat ze op een jongen leek. Daarna liep de man met haar naar de wc. Toen zei ze tegen mij dat hij aan haar kont zat. Daarna is ze mij gaan bellen helemaal huilend. Ze was zo bang. Hij liep met haar mee en daarna zei [aangeefster] ‘Hij zat aan mijn kont.’ Daarvoor waren we al aan het bellen en ze moest heel nodig naar de wc en ze ging een wc zoeken maar ze kon niet pinnen en ze moest contant geld geven. Daarna liep hij met haar mee en toen gebeurde het. De verbinding is even verbroken, toen belde haar moeder. Ik wist dat [aangeefster] op [A] was.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019095288-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 29 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 11 april 2019 heb ik, verbalisant, de door Pro-rail aangeleverde beelden bekeken.
Ik zag op deze beelden het volgende:
 Te 15.37.07 uur loopt een meisje van de trap af richting de toiletten. Zij houdt een telefoon bij haar oor.
 Te 15.38.54 uur loopt het meisje door het poortje voor de toiletten.
 Te 15.45.00 uur komt het meisje uit de toiletruimte en loopt de trap op.
 Te 15.45.20 uur loopt het meisje door de stationshal. Zij slaat haar handen voor haar mond. Het lijkt of zij overstuur is.
Ik zag dat het meisje er als volgt uitzag:
 Donkerblond lang haar, in een staart
 Zwart jasje met witte streep op de schouder
 Zwarte broek met witte streep op de zijkant
 Zwarte schoenen
 Rode rugzak”.
6. In de aanvulling heeft het hof de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2006. De verklaring van aangeefster, de verklaring van haar vriendin [betrokkene 1] , hetgeen de verbalisant op de camerabeelden heeft waargenomen en ook verdachtes eigen verklaring zijn dermate concreet, gedetailleerd en in overeenstemming met elkaar dat het hof – niettegenstaande de stellige ontkenning van de verdachte – de verklaring van aangeefster geloofwaardig acht en de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.”

De bespreking van het middel

7. De eerste klacht houdt in dat niet is voldaan aan het in art. 342, tweede lid, Sv neergelegde bewijsminimum. Aangevoerd wordt dat de gebruikte bewijsmiddelen afkomstig zijn van één en dezelfde bron en voor zover die niet van haar afkomstig zijn geen ondersteuning bieden aan de verklaringen van de aangeefster.
8. Bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv moet voorop worden gesteld dat art. 342, tweede lid, Sv strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. [1] Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [2]
9. De kern van de klacht komt er op neer dat het bewezenverklaarde door de verdachte knijpen in de billen van aangeefster niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen anders dan de verklaring van de aangeefster. In de bewijsoverweging die ik hierboven bij randnummer 6 heb weergegeven, ligt het oordeel van het hof besloten dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. Zoals de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 15 mei 2018, is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen, [3] in dit geval het in de billen knijpen van aangeefster. Ter verduidelijking van deze overweging wijs ik op Rozemond die in zijn noot bij het arrest opmerkt dat het voldoende is “dat de verklaring van de aangeefster of aangever op concrete punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij die concrete punten ‘specifieke omstandigheden’ van de tenlastegelegde […] gedragingen moeten opleveren. In bepaalde gevallen kan het steunbewijs zelfs betrekking hebben op een specifieke omstandigheid (bijvoorbeeld de reactie, emotie of toestand van het slachtoffer direct na het misdrijf) die niet uit andere bewijsmiddelen blijkt”. [4]
10. Het steunbewijs in deze zaak heeft in het bijzonder betrekking op specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de locatie waar aangeefster en de verdachte zich bevonden en de aangeefster in haar billen zou zijn geknepen, te weten de toiletten van het [A] Den Haag, de aanwezigheid van beiden op die locatie, het mondelinge contact dat daar tussen beiden heeft plaatsgevonden en de psychische, gesteldheid van de aangeefster vlak na het feit. [5]
11. Gelet op de nadere motivering van het hof en de specifieke omstandigheden die in de daarin genoemde bewijsmiddelen naar voren komen, kan in deze zaak niet worden gezegd dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal.
12. In zoverre faalt het middel.
13. Tegen de bewijsvoering wordt ook nog aangevoerd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd “om welke redenen de bewijsmiddelen wel voldoende ondersteuning zouden vormen aan de aangifte. Ondanks uitgebreid verweer op de eerdergenoemde bewijsmiddelen heeft het gerechtshof slechts overwogen dat voornoemde bewijsmiddelen dermate concreet, gedetailleerd en in overeenstemming met elkaar zijn, dat het hof – niettegenstaande de stellige ontkenning van de verdachte – de verklaring van aangeefster geloofwaardig acht en de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.” De klacht stuit af op de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. [6] Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden zodat ook dit onderdeel van het middel faalt.
14. Dan kom ik toe aan de klacht die ik zo begrijp dat de inhoud van het proces-verbaal dat van de terechtzitting is opgemaakt tekort schiet voor wat betreft de weergave van wat in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht en voor wat betreft hetgeen daar door de verdediging naar voren is gebracht maar niet in de overgelegde pleitnota is opgenomen. Met betrekking tot het spreekrecht wordt “opgemerkt” dat in het proces-verbaal van de terechtzitting slechts is opgenomen dat de moeder van het slachtoffer gebruik heeft gemaakt van het spreekrecht maar niet “is opgenomen wat daar is verklaard en evenmin is vermeld wat door de verdediging met betrekking tot die uitlatingen is opgemerkt.” Voor zover deze opmerking zou kunnen worden aangemerkt als een klacht over de weergave van wat namens het slachtoffer is verklaard, zou deze afstuiten op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5671. [7]
15. Aangevoerd wordt bovendien dat in het proces-verbaal niet zou zijn opgenomen wat in aanvulling op de pleitnota is bepleit. Daarbij wordt verwezen naar het door de verdediging gebruikte exemplaar van de pleitnota “met op de derde pagina de aantekeningen met pen”, die als bijlage bij de schriftuur is gevoegd. In de schriftuur wordt de inhoud van de met pen gemaakte aantekeningen niet weergegeven en deze zijn voor mij niet goed leesbaar. Om voor bespreking in aanmerking te komen moet de schriftuur, zelf begrijpelijk zijn zonder dat het nodig moet zijn andere stukken te raadplegen. [8] Aan deze eis voldoet dit onderdeel van de schriftuur niet. Ten overvloede wijs ik op de aansporing van de Hoge Raad dat als de raadsman een uitdrukkelijke beslissing door de rechter verlangt, hij ervoor moet zorgen dat zijn verweer of uitdrukkelijk onderbouwde standpunt schriftelijk wordt vastgelegd door een pleitnota te overleggen waarin dit is weergegeven. [9]
16. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotsom

17. Het middel faalt.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,
2.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
3.HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717,
4.Zie zijn noot in
5.N. Rozemond wijst in zijn noot sub 5 bij HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354,
6.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
7.HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5671,
8.A.J.A. van Dorst,
9.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,