Conclusie
Maagdenhuis) een kerkelijke rechtspersoon (in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro) of een civiele rechtspersoon (als bedoeld in art. 2:3 BW Pro) is. Het Bisdom Haarlem-Amsterdam (hierna: het
Bisdom) beschouwt het Maagdenhuis als een kerkelijke rechtspersoon. Volgens het Bisdom kwalificeert het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel van het Rooms Katholiek Kerkgenootschap in Nederland (hierna: het
R.K. Kerkgenootschap) in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro. Volgens het Maagdenhuis en de zittende bestuurders bezit het Maagdenhuis geen kerkelijke rechtspersoonlijkheid. Het Maagdenhuis is weliswaar onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, maar ontleent zijn rechtspersoonlijkheid aan één van de rechtsvormen naar civiel recht als bedoeld in art. 2:3 BW Pro, namelijk de stichting in de zin van art. 2:285 lid 1 BW Pro. Volgens de rechtbank Amsterdam kan niet worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is. Het gerechtshof Amsterdam vernietigt het vonnis, daarbij onder meer voor recht verklarend dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is. Het Maagdenhuis en de zittende bestuurders hebben cassatieberoep ingesteld. M.i. kan het bestreden arrest in stand blijven.
1.De feiten
hof). [1]
AR 1855) vastgesteld. In art. 1 AR Pro 1855 is bepaald:
CIC 1917) van kracht geworden. Volgens canon 100 CIC 1917 verkrijgen lagere rechtspersonen die hoedanigheid binnen de kerk van rechtswege of door bijzondere toekenning door het bevoegde kerkelijk gezag door middel van een formeel decreet, voor een religieus of charitatief doel.
AR 1965) vastgesteld. Het AR 1965 houdt onder meer in: dat de op charitatief en maatschappelijk gebied bestaande katholieke, zowel parochiale als niet-parochiale, instellingen van liefdadigheid, worden geregeerd door een voor ieder bisdom geldend Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid (vgl. onder 1.3 hiervoor); dat de omstandigheden zich op dit gebied zodanig gewijzigd hebben, dat het gewenst is een nieuwe regeling te treffen; en dat de bestaande voor ieder bisdom geldende reglementen worden vervangen door één regeling welke geldt voor de hele Nederlandse R.K. Kerkprovincie. In art. 2 AR Pro 1965 is bepaald:
De
kerkelijkeinstellingen zijn die instellingen, die door het bevoegde kerkelijk gezag zijn ingesteld, of door hetzelve als zodanig erkend.
Krachtens deze instelling of erkenning zijn zij een onderdeel van het R.-K Kerkgenootschap in Nederland.
De
overigeinstellingen zijn katholieke niet-kerkelijke instellingen.”
BW) in werking getreden en is de Wet op Stichtingen 1956 ingetrokken.
Algemene Bepalingen 1978) van kracht geworden. In art. 3 Algemene Pro Bepalingen 1978 is bepaald dat kerkelijke instellingen zijn de kerkelijke rechtspersonen, die door de bisschoppenconferentie of bisschop(-pen) zijn opgericht of als zodanig zijn erkend, dat erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, en dat zij krachtens deze oprichting of erkenning zelfstandig onderdeel zijn van het R.K. Kerkgenootschap en uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid bezitten. In art. 6 Algemene Pro Bepalingen 1978 is bepaald: dat in de statuten van kerkelijke instellingen wordt bepaald dat het bevoegde kerkelijk gezag een recht tot (voordracht tot) benoeming en ontslag van bestuursleden wordt toegekend (onder b); dat de begroting en rekening en verantwoording ter kennisname of goedkeuring aan het bevoegde kerkelijk gezag wordt voorgelegd (onder c); dat voor bepaalde rechtshandelingen betreffende het beheer van het vermogen de toestemming van het bevoegde kerkelijke gezag vereist is (onder d); dat wijziging van de statuten, opheffing en bestemming van een batig saldo de goedkeuring van het bevoegde kerkelijk gezag behoeven (onder e); en dat een wijziging van de statuten in een notariële akte wordt vastgelegd waarin wordt vermeld dat de kerkelijke instelling een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van art. VII van het Reglement van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland (onder f).
statutenwijziging van 1983). Voorafgaand aan deze statutenwijziging zijn er meerdere overleggen geweest tussen het Maagdenhuis, het Bisdom en de bisschop. Tijdens die overleggen heeft het Maagdenhuis [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), als voormalig lid van het bestuur van het Maagdenhuis, gevraagd te adviseren over de verhouding van het Maagdenhuis tot de bisschop en het Bisdom.
“Altijd is het (college van regenten) een college van leken geweest dat zich zelf door coöptatie aanvulde, terwijl voor de benoeming de bekrachtiging van de Apostolisch Vicaris werd gevraagd, en na het herstel van de hiërarchie, in 1853, die van de Bisschop van Haarlem vereist was”.
statuten van 1983). In de statuten van 1983 is onder meer het volgende opgenomen:
VASTSTELLING GEWIJZIGDE STATUTEN
3. Leden van het bestuur kunnen slechts zijn zij, die de bestuurszaken binnen de stichting op de grondslag van de Rooms Katholieke levenshouding zullen behartigen.
consideransgenoemd. De onder 1.24 hiervoor geciteerde tekst van art. 1 lid 3 van Pro de statuten van 1983 komt vrijwel woordelijk overeen met hetgeen is aanbevolen in de toelichting op art. 6 onder Pro f Algemene Bepalingen 1978.
bisschop), heeft [betrokkene 4] eerst als zogenoemde ‘administrator’ opgevolgd. Op 21 juli 2001 is hij als diocesane bisschop van Haarlem benoemd. [Sinds 1 juni 2020 is [betrokkene 5] aangetreden als diocesane bisschop van Haarlem, A-G]
nieuwe bestuurders). Het decreet luidt, voor zover relevant, als volgt:
[eiser 2]), [eiser 3] (hierna:
[eiser 3]) en [eiser 4] (hierna:
[eiser 4]) (hierna gezamenlijk ook: de
zittende bestuurders) en het Maagdenhuis (het Maagdenhuis en de zittende bestuurders hierna gezamenlijk ook: het
Maagdenhuis c.s.) herroeping van het decreet van 10 juli 2013 verzocht. De bisschop heeft dit verzoek bij decreet van 23 augustus 2013 afgewezen. Tegen deze afwijzing is van de zijde van het Maagdenhuis c.s. bij beroepschrift van 6 september 2013 beroep ingesteld bij de Romeinse Congregatie voor de Clerus. De congregatie heeft het beroep afgewezen bij decreet van 9 oktober 2014. Daartegen is beroep ingesteld bij de ‘Signatura Apostolica’. Het beroep is preliminair afgewezen bij decreet van 6 november 2015. Het daartegen gerichte beroep is bij decreet van 17 juni 2016 eveneens afgewezen. Deze beslissingen zullen hierna tezamen ook de
beslissingen in de kerkelijke procedureworden genoemd. Als uitkomst van de kerkelijke procedure is het benoemingsdecreet van 10 juli 2013 in stand gebleven.
voorzieningenrechter) in kort geding gevorderd, samengevat, het Maagdenhuis c.s. te veroordelen mee te werken aan de inschrijving van het Maagdenhuis in het handelsregister als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, de zittende bestuurders te veroordelen mee te werken aan het ongedaan maken van hun inschrijving als bestuurders van het Maagdenhuis in het handelsregister en mee te werken aan de feitelijke overdracht van de bestuurstaak aan de nieuwe bestuurders. Bij vonnis van 28 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd bij gebreke van een voldoende spoedeisend belang. [2]
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een bodemprocedure gestart tegen het Maagdenhuis c.s. Het Bisdom vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis:
arrest) vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep (met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van het Bisdom in zijn vorderingen voor zover deze zijn gericht tegen de inmiddels afgetreden bestuurders van het Maagdenhuis) en, opnieuw rechtdoende: verklaart het hof voor recht dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap; verklaart het hof voor recht dat geen van de zittende bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen; verklaart het hof voor recht dat de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde nieuwe bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen; gebiedt het hof het Maagdenhuis c.s. om binnen tien dagen na betekening van het arrest de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen en met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen; veroordeelt het hof het Maagdenhuis in de kosten van het geding in beide instanties; verklaart het hof het gebod en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; en wijst het hof het meer of anders gevorderde af. [9] Aan deze beslissing van het hof in het arrest liggen, (kort) samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag.
de uitoefening van de R.K. godsdienst”. Dat criterium mag blijkens de toelichting op deze bepaling echter in ruime zin worden opgevat. Dat kan dus ook (de taken van) een instelling met een charitatief karakter omvatten, ook als die instelling zelfstandig werkzaam is op het terrein van de ‘charitas’ en net als een civiele stichting een doelvermogen heeft, mits zij als kerkelijke instelling is erkend.
de facto) te ontslaan en er zijn eigen bestuur voor in de plaats te stellen. De kerkelijke rechters hebben hier slechts anders over geoordeeld. Niet aannemelijk is geworden dat zij in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Aanloop: Meijers en het preadvies van Duynstee
Stb. 1855, 32 (hierna: de
WVV), [19] A-G] staan. Dit is ook ten aanzien der “zelfstandige onderdeelen” van een kerkgenootschap bij het zooeven genoemde arrest van 1 mei 1935 [ [20] ] beslist. De term, zelfstandig onderdeel, komt eveneens voor in het rapport der Staatscommissie van 1921 [ [21] ] alsmede in het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland [dat in 1925 werd vastgesteld, zie ook onder 1.7 hiervoor, A-G] evenals in het Indische Reglement van 1925. De uitdrukking zal dientengevolge wel in ons juridisch spraakgebruik wortel schieten.
Wanneer heeft men nu met een zoodanig zelfstandig onderdeel met eigen rechtspersoonlijkheid te doen? Volgens Duynstee is daarop het antwoord: “Dit zal uit de kerkelijke inrichting zelf moeten blijken. Wanneer door de kerkelijke reglementen aan een onderdeel de bovengenoemde zelfstandige rechtsbevoegdheid wordt ingeruimd, heeft dit onderdeel krachtens Nederlandsch recht rechtspersoonlijkheid” (blz. 27, zie ook blz. 44). Deze opvatting kan ik geheel onderschrijven. Maar toch meen ik tegen een misverstand, die deze woorden zouden kunnen wekken te moeten waarschuwen. Men moge deze woorden niet zoo opvatten, alsof de beslissing wat als rechtspersoon beschouwd moet worden uitsluitend bij de kerkelijke autoriteit ligt, zoodat de Nederlansche rechter zich slechts te richten heeft naar hetgeen het kerkgenootschap zelf rechtspersoon meent te moeten noemen. Wat voor het Nederlandsche recht als rechtspersoon moet aangemerkt worden, daarvoor zijn alleen de opvattingen van het Nederlandsche recht omtrent rechtspersoonlijkheid beslissend. Voor het Nederlandsche recht nu is voor het zijn van rechtspersoon noodig, dat er een corporatie of instelling bestaat met een eigen vermogen, en met zelfstandig optredende organen die naar buiten de rechtspersoon vertegenwoordigen. Voor de vraag of deze vereischten vervuld zijn, leveren de kerkelijke reglementen slechts de gegevens op; de toetsing zal eventueel door den Nederlandschen rechter geschieden.
Of het kerkelijke recht een onderdeel al of niet als rechtspersoon beschouwt, blijft desniettemin van het grootste gewicht; in de eerste plaats omdat wanneer dit recht een onderdeel wel als zoodanig aanmerkt, daaruit meestentijds ook wel tot de noodige zelfstandigheid kan besloten worden. En mochten omgekeerd de algemene kerkelijke reglementen aan een onderdeel uitdrukkelijk rechtspersoonlijkheid ontzeggen, dan is het uitgesloten dat het als zoodanig door den gewonen rechter wordt aangemerkt. Een onderdeel van een rechtspersoon kan niet tegen den wil van laatstgenoemde de noodige zelfstandigheid voor het zijn van rechtspersoon worden toegekend. Wat aldus voor onderdeelen van den Staat en voor onderdeelen van vereenigingen geldt, is evenzoo voor de kerkgenootschappen waar.
Als zelfstandige onderdeelen der Roomsch-Katholieke Kerk met eigen rechtspersoonlijkheid somt Duynstee op: de kerkprovinciën, de bisdommen, de parochiën, de groot- en de kleinseminariën, de goedgekeurde religieuze orden en congregatiën, alsmede andere onderdeelen, mits zij door den bisschop als zelfstandig onderdeel erkend zijn. Deze erkenning zou ook stilzwijgend uit de feitelijke verhoudingen kunnen worden afgeleid. Ik begrijp niet hoe dit laatste met den canon 100 van den Codex juris canonici [zie ook onder 1.6 hiervoor, A-G] te vereenigen is, die voor de rechtspersoonlijkheid van zoodanige onderdeelen een verleening “ex speciali concessione data per formale decretum” verlangt.”
(…)
De vraag rijst nu alleen, welke onderdeelen van een kerkgenootschap die zelfstandige rechtsbevoegdheid en mitsdien rechtspersoonlijkheid hebben. Dit zal uit de kerkelijke inrichting moeten blijken. Wanneer door de kerkelijke reglementen aan een onderdeel de bovengenoemde zelfstandige rechtsbevoegdheid wordt ingeruimd, heeft dit onderdeel krachtens Nederlandsch recht rechtspersoonlijkheid. Geen vereischte is, dat het onderdeel zelf een vereeniging zij, al hebben wij dien eisch wel gesteld voor het kerkgenootschap in zijn geheel. Het kerkgenootschap kan immers ook goed oordeelen in zijn organisatie stichtingen (instellingen) op te nemen. Die vrijheid wordt gelaten door art. 1 der Pro wet van 1853 [de Wet van den 10den September 1853, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen,
Stb. 1853, 102, [23] A-G].
(…)
Het [Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland, dat in 1925 is vastgesteld (zie onder 1.7 hiervoor, A-G] onderscheidt daarbij drie groepen van onderdeelen. De eerste groep (artt. II-V) omvat wat men zou kunnen noemen, de kernorganisatie, de hierarchische verdeeling van het kerkgenootschap in bisdommen (diocesen) en parochiën, met wat daar onmiddellijk bij hoort: seminariën, decanaten, rectoraten. De tweede groep (art. VI) wordt gevormd door de inrichting van het kloosterwezen, welke naast de organisatie in bisdommen en parochiën staat en daarmede niet kan worden vereenzelvigd. Ten slotte wordt in art. VII de mogelijkheid geopend “alle andere instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den R.-K. godsdienst ten doel hebben” en die dus niet vallen onder groep I of II, als onderdeelen te erkennen.
(…)
Of een onderdeel rechtspersoonlijkheid bezit, hangt daarvan af, of het als een zelfstandig onderdeel moet worden beschouwd. Zoo ja, dan is het krachtens de boven (blz. 24) gegeven en thans algemeen aangenomen leer ipso facto rechtspersoon.
(…)
Ten aanzien van onderdeelen, waarvan de zelfstandigheid door de reglementen of door de oprichtings- of goedkeuringsakte niet duidelijk blijkt, zooals ten aanzien van instellingen, die krachtens art. VII als onderdeelen zijn erkend, het geval kan wezen, zal men o.i. de leer moeten volgen, die Asser-Scholten geeft. Is de organisatie zoo, dat het onderdeel geacht moet worden tot het kerkgenootschap (resp. zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap) in
rechtsbetrekking te staan, dan moet men het als een afzonderlijke rechtspersoon beschouwen. Ontbreekt deze
rechtsverhouding, dan is er ook geen rechtspersoon.
(…)
Daarnaast [naast groep I en II, A-G] bestaan nog tal van instellingen, vereenigingen en stichtingen, die zich de uitoefening van den R.-K godsdienst op een of andere wijze ten doel stellen, en dit doel geheel afhankelijk van het wettig kerkelijk gezag nastreven. Krachtens de algemeene bepaling van art. I van het Reglement behooren deze dus ook tot het R.-K. Kerkgenootschap.
(…)
Om onderdeel van het R.-K. Kerkgenootschap te worden, wordt dus [op grond van art. VII van het Reglement, zie ook onder 1.7 hiervoor, A-G] ten aanzien van al deze lichamen een uitdrukkelijke verklaring van den Bisschop van het diocees vereischt, waarbij deze ze als zoodanig erkent. Het artikel spreekt niet van zelfstandige onderdeelen, zodat hier met de erkenning als onderdeel nog niet noodzakelijk de zelfstandigheid vaststaat. Wordt in de akte van erkenning uitdrukkelijk van “zelfstandig onderdeel” gesproken, dan zal het ook als zoodanig moeten worden beschouwd, en volgens de algemeene leer wederom rechtspersoonlijkheid bezitten. Immers er is geen enkele reden, waarom deze algemene leer ook niet over deze onderdeelen zou worden uitgestrekt. (…)
Blijkt echter uit de akte van erkenning als onderdeel niet, dat men te doen heeft met een “zelfstandig” onderdeel, dan zal uit de feitelijke verhoudingen moeten worden afgeleid of men daarmede te maken heeft. Heeft het onderdeel een eigen bestaan, en krachtens de bedoeling der kerkelijke inrichting, eigen rechten en verplichtingen, ook tegenover het kerkgenootschap als geheel of tegenover een zelfstandig onderdeel daarvan, bv. een parochie of een klooster, dan zal men de juridische zelfstandigheid, en mitsdien de rechtspersoonlijkheid moeten aannemen, volgens de leer van Scholten, die wij boven (blz. 44) hebben uiteengezet. Is er daarentegen geen eigen vermogen, behoort alles toe bv. aan een parochie, en is er alleen gemakshalve een eigen administratie, dan kan men geen rechtspersoonlijkheid aannemen.”
Parlementaire geschiedenis in verband met zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen (en kerkelijke stichtingen)
Artikel 2.1.2. De rechtspersoonlijkheid van kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen wordt reeds thans algemeen in de rechtspraak erkend. Men vergelijke o.a. H.R. 1 Mei 1935, N.J. 1935 p. 1501; 13 Mei 1938, N.J. 1939 no. 247 (voor de classes der Gereformeerde Kerken) en 6 Dec. 1939, W.P.N.R., 3708 (voor een kloostercongregatie). Wat een kerkgenootschap is, wordt hier evenmin als dit tot heden in onze wetgeving is geschied, nader omschreven. Het gemis van een zodanige omschrijving is nog nimmer in onze rechtspraak als een leemte gevoeld, terwijl iedere definitie noodzakelijk tot theologische disputen aanleiding moet geven. Men vergelijke b.v. de bestrijding door Scholten (Asser-Scholten-Bregstein p. 146 en 147) van de door Duynstee (Prae-advies voor de Broederschap der Cand.-Notarissen 1935, p. 15) opgestelde en door de Hoge Raad (arrest 23 Juli 1946, N.J. 1947 no. 1) overgenomen definitie van een kerkgenootschap. Slechts dan kan van een zelfstandig onderdeel, dat zonder meer evenals het kerkgenootschap eigen rechtspersoonlijkheid bezit, worden gesproken, wanneer dit onderdeel een religieus karakter heeft; het moet een onderdeel van het kerkgenootschap zijn, niet een met het kerkgenootschap samenhangende vereniging of stichting, als een op een bepaalde religieuze grondslag staande toneelvereniging of een stichting voor jeugdzorg.
(…)”
(…)
Artikel 2.1.2.Volgens lid 1 bezitten kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid. De commissie heeft zich afgevraagd wanneer een onderdeel van een kerkgenootschap zelfstandig genoeg is om eigen rechtspersoonlijkheid te kunnen hebben. Deze vraag is voor de praktijk niet onbelangrijk. Bij procedures wil men immers weten aan welk adres men zijn dagvaarding moet richten.”
Artikel 2.1.2.Naar aanleiding van lid 1 van dit artikel heeft de Commissie zich afgevraagd wanneer een onderdeel van een kerkgenootschap zelfstandig genoeg is om eigen rechtspersoonlijkheid te hebben. Dienaangaande zij opgemerkt dat de vraag of een onderdeel van een kerkgenootschap een zelfstandig onderdeel in de zin van deze bepaling is, evenals de vraag of een bepaalde organisatie een kerkgenootschap is, door de rechter beantwoord moet worden; men vergelijke de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer over het wetsontwerp tot vaststelling van Boek 2 (zitting 1957-1958 -
3769, nr. 5), p. 5/6. Bij het beantwoorden van die vraag zal naar de mening van de ondergetekende mede gelet dienen te worden op de kerkorde van het genootschap waarin bepalingen omtrent de zelfstandigheid van de onderdelen kunnen zijn opgenomen. Niettemin blijft het denkbaar dat in bepaalde gevallen onzekerheid kan bestaan over de vraag hoe de rechter zal oordelen. Het ook met betrekking tot het geldende recht ingenomen standpunt dat het de rechter is die over deze vragen dient te oordelen, geeft echter voor de praktijk thans niet in belangrijke mate aanleiding tot problemen (vgl. Asser-van der Grinten, Vertegenwoordiging en Rechtspersoon, p. 208 e.v.). Aan te nemen valt dat dit in de toekomst evenmin het geval zal zijn.”
De Minister achtte de omschrijving van de kerkelijke stichtingen, zoals die door de Commissie-Petit is gegeven, te beperkt. Ook de aanvaarding als kerkelijke stichting door het daartoe bevoegde orgaan moet een stichting tot kerkelijk stempelen. De aanvaarding moet voorts mogelijk zijn in dier voege, dat kerkelijke ambtsdragers bevoegdheden ten aanzien van de stichting uitoefenen. Wat dit laatste betreft, zij opgemerkt, dat het enkele zitting nemen van een kerkelijk ambtsdrager een stichting nog niet steeds tot kerkelijk stempelt. Aan de voorwaarde, dat kerkelijke ambtsdragers bevoegdheden ten aanzien van een stichting uitoefenen, zal voldaan zijn, indien een kerkelijke ambtsdrager als zodanig zitting heeft in het bestuur. Of dit het geval is, kan bij voorbeeld blijken uit de statuten. De Minister meende te moeten vaststellen, dat een stichting kan beantwoorden aan de omschrijving, die de Memorie van Toelichting voor kerkelijke stichtingen geeft, en daarnaast niettemin als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap moet worden beschouwd. M.a.w. de afgrenzing tussen kerkelijke stichtingen en zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap kan niet scherp worden getrokken.
Reeds hierin, aldus de Minister, ligt een argument om de kerkelijke stichtingen, evenals zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap, geheel aan de werking van de wet te onttrekken.
(…)
Hiertegenover achtte de Minister geen grond aanwezig om zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen onder de werking van een wet op stichtingen te brengen, nu zij niet vallen onder de wet van 22 April 1855 (Stb. 32) tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereniging en vergadering. Wat kerkelijke stichtingen betreft, ware genoegen te nemen met het vanwege de kerkgenootschappen uitgeoefende toezicht; hier ligt de materiële grond om kerkelijke stichtingen niet onder de werkingssfeer van de wet op stichtingen te brengen. Daarnaast geldt daarvoor een praktische reden, namelijk de moeilijkheid om in bepaalde gevallen te onderscheiden tussen zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap enerzijds en kerkelijke stichting anderzijds, al zou het wellicht mogelijk zijn voor deze moeilijkheid een oplossing te vinden. (…)”
Hoe staat het echter, voor wat het R.-K. kerkgenootschap in Nederland betreft, met seminariën, religieuze orden en congregatiën, kloosters, en voorts alle andere instellingen, verenigingen en stichtingen, die de uitoefening van de R.-K. godsdienst ten doel hebben, indien zij door de Bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als - al dan niet zelfstandige - onderdelen van het R.-K. kerkgenootschap in Nederland zijn erkend? (…)
De Minister gaf hierop ten antwoord, dat aan de rechter de uiteindelijke beoordeling zal toekomen, of een bepaalde organisatie als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap dient te worden beschouwd, zodat het niet op de weg van de Regering ligt zich hierover uit te laten. Daarbij staan de rechter de kerkelijke reglementen als toetsingsmateriaal ten dienste.”
Artikel 2.4.16.Met J. A. T. J. M. Duynstee, WPNR 5120 (blz. 110), en J. M. Polak, Naamlooze Vennootschap 1971 blz. 102, vraagt de commissie zich af waarom kerkelijke stichtingen van het toepassingsgebied van de onderhavige titel zijn uitgesloten. In de memorie van toelichting (blz. 32) is hierover niets te vinden. De commissie zag dit gaarne alsnog toegelicht.”
Artikel 2.4.16.Indertijd is de uitzondering voor kerkelijke stichtingen gemotiveerd door het ontbreken van een duidelijke grens tussen rechtspersonen van deze aard en de zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap (Verslag Tweede Kamer zitting 1954-1955, ontwerp
3463, stuk no. 4, blz. 11). Bij nadere overweging acht de ondergetekende deze motivering niet steekhoudend. Het kerkgenootschap heeft het immers zelf in de hand om een taak die het als de zijne beschouwt af te splitsen en aan een afzonderlijke rechtspersoon op te dragen; kiest het daarvoor de rechtsvorm der stichting, dan kan het deze keuze ondubbelzinnig doen en behoeft er van rechtsonzekerheid geen sprake te zijn. Veeleer kan er juist ten gevolge van de bestaande uitzondering twijfel heersen over de vraag, of een stichting als “kerkelijk” dient te worden beschouwd. Naar de mening van de ondergetekende bestaan er ook geen materiële bezwaren tegen toepasselijkheid van de wettelijke bepalingen omtrent de stichting op de kerkelijke stichtingen. Ook voor de kerkelijke vereniging is in de wet geen uitzondering opgenomen. Op grond van deze overwegingen is artikel 2.4.16 in het gewijzigd ontwerp beperkt.” [39]
Rechtspraak en (nadere) literatuur
eerstecategorie van criteria van Van Kooten betreft criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of de desbetreffende organisatie rechtspersoonlijkheid bezit. [43] Het gaat dan volgens Van Kooten om het kunnen beschikken over een eigen vermogen, het hebben van een vorm van organisatie en het beschikken over een bepaalde mate van autonomie (onder een eigen naam naar buiten toe optreden). [44] Dat het Maagdenhuis (civiele) rechtspersoonlijkheid bezit, staat als zodanig niet ter discussie tussen partijen in de onderhavige zaak. Wat partijen naar de kern genomen wel verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of deze rechtspersoonlijkheid van het Maagdenhuis kan worden ontleend aan art. 2:2 lid 1 BW Pro (als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, een kerkelijke rechtspersoon), zoals het Bisdom voorstaat, of aan art. 2:3 BW Pro (als stichting in de zin van art. 2:285 lid 1 BW Pro, een civiele rechtspersoon), zoals het Maagdenhuis c.s. voorstaat (zie ook rov. 3.7 en 3.8 van het arrest). De criteria van de eerste categorie kan ik in deze zaak daarom verder laten rusten.
tweedecategorie van criteria van Van Kooten betreft criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de desbetreffende organisatie zelfstandig onderdeel uitmaakt van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro. [45] Het gaat dan volgens Van Kooten om de erkenning door het kerkgenootschap van rechtspersoonlijkheid van die organisatie als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap, het religieuze karakter van het zelfstandig onderdeel en de zeggenschap van kerkelijke ambtsdragers in het zelfstandig onderdeel. Ik ga hierna uitgebreider in op het criterium van de erkenning, nu dat m.i., anders dan de criteria van de eerste categorie (waarover onder 3.13 hiervoor), in het bijzonder relevant is voor de onderhavige zaak (op die overige criteria van de tweede categorie ga ik nog kort in onder 3.21 hierna). Ik maak hier eerst een zijstap naar relevante rechtspraak van de Hoge Raad.
ziekenhuis) als standaardarrest. [46] In die zaak speelde een vergelijkbare kwalificatievraag als in de onderhavige zaak: kon het ziekenhuis worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro of was het ziekenhuis een stichting als bedoeld in art. 2:3 BW Pro (en, thans, art. 2:285 lid 1 BW Pro)? Het kerkgenootschap betrof, evenals in de onderhavige zaak, het R.K. Kerkgenootschap. De erfgenamen van een zekere [betrokkene 8] - zij had het ziekenhuis na haar overlijden krachtens legaat in 1917 de buitenplaats ‘ [de buitenplaats] ’ te [plaats] nagelaten - stelden zich op het standpunt dat de door het ziekenhuis voorgenomen verkoop van een deel van de buitenplaats in strijd was met de bepalingen van het testament van [betrokkene 8] . In dat kader diende in die zaak de kwalificatievraag te worden beantwoord, waarbij de erfgenamen zich op het standpunt stelden dat het ziekenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was, terwijl zowel het ziekenhuis als het R.K. Kerkgenootschap het ziekenhuis niet als zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap beschouwde.
[zonder noten in origineel, A-G]
behoortte beschouwen, wordt in de literatuur ook algemeen aanvaard. [58] Een organisatie kan niet tegen de wil van een kerkgenootschap als zelfstandig onderdeel aan dat kerkgenootschap worden ‘opgedrongen’. De spiegelbeeldige situatie is ook denkbaar, namelijk dat het kerkgenootschap een organisatie tegen de wil van die organisatie als zijn zelfstandig onderdeel beschouwt. Indien die organisatie zelf (ook) een kerkgenootschap is, wordt in de literatuur aangenomen dat die niet tegen haar wil door een ander kerkgenootschap als zelfstandig onderdeel van laatstgenoemd kerkgenootschap kan worden aangemerkt, wat in strijd zou zijn met de organisatievrijheid van eerstgenoemd kerkgenootschap. [59] En als die organisatie zich, zoals in de onderhavige zaak gelet op het daarin ingenomen standpunt van het Maagdenhuis c.s., beschouwt als een
civielerechtsvorm? Ik kan wat dat betreft volstaan met het volgende. Uit de algemeen geformuleerde vooropstelling van de Hoge Raad in rov. 3.2 van het arrest over het ziekenhuis kan worden afgeleid dat ook dan mede betekenis toekomt aan “binnen de Rooms-Katholiek Kerkgenootschap omtrent de erkenning van onderdelen daarvan geldende regels en op het standpunt van de betrokken bisschop”. Het standpunt ter zake van het Bisdom (dat het Maagdenhuis kwalificeert als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap) is in de onderhavige zaak, waarover hieromtrent (anders dan in de zaak over het ziekenhuis) dus juist een dispuut bestaat tussen het Maagdenhuis en het Bisdom, echter niet beslissend (zie ook rov. 3.7 van het onderhavige arrest). Dat het kerkgenootschap een organisatie beschouwt als een zelfstandig onderdeel van dat kerkgenootschap is een weliswaar noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor kwalificatie van die organisatie als zelfstandig onderdeel van dat kerkgenootschap. [60] Aangenomen wordt dat de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro - welke vraag in de onderhavige zaak voorligt en door partijen, dus het Maagdenhuis c.s. en het Bisdom, ontkennend respectievelijk bevestigend wordt beantwoord (zie ook rov. 3.5 en 3.7 van het onderhavige arrest) - uiteindelijk aan de burgerlijke rechter is, bij welke intrinsiek contextuele en ook met inachtneming van het partijdebat te verrichten beoordeling, kort gezegd, tot uitgangspunt strekt dat ook, en in de eerste plaats, acht geslagen dient te worden op de regels die het toepasselijke kerkelijke recht hiervoor geeft (in de onderhavige zaak in het bijzonder via het eigen ‘statuut’, en de eigen regels van het R.K. Kerkgenootschap, zie ook rov. 3.8 van het onderhavige arrest). [61] In de onderhavige zaak is dat kerkelijk recht dus het canonieke recht (zie ook rov. 3.10), [62] waaruit het hof onder meer put in rov. 3.10-3.11, 3.14-3.15, 3.20, 3.26 en 3.38 van het onderhavige arrest, welk canonieke recht buiten het bereik van art. 79 RO Pro valt en welke uitleg en toepassing van dat canonieke recht door het hof feitelijk van aard is (en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst). [63] Daarbij zij aangetekend dat het hof in het kader van deze beoordeling in de onderhavige zaak, die in het bijzonder draait om (i) de statuten(wijziging) van 1983 en het onderscheid tussen kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen enerzijds en civiele stichtingen anderzijds (waarbij het hof ook betrekt dat de wijziging van de CIC 1917 die plaatsvond in 1983 geen voor deze zaak relevante verandering heeft gebracht, zie rov. 3.26), alsmede (ii) overgangsrechtelijke aspecten en het onderscheid tussen zelfstandige onderdelen en kerkelijke stichtingen in de periode voordien, mede gelet op rov. 3.3-3.25 (wat betreft (i)) en rov. 3.30-3.41 (wat betreft (ii)) van het onderhavige arrest nadrukkelijk ook acht slaat op, kort gezegd, de wil ter zake van het Maagdenhuis.
tweedecategorie van criteria van Van Kooten: dat het zelfstandige onderdeel een religieus karakter dient te hebben en dat het kerkgenootschap of zijn ambtsdragers zeggenschap heeft/hebben in het zelfstandige onderdeel (zie onder 3.14 hiervoor). Over deze overige criteria wordt in de literatuur verschillend gedacht. [64] Het religieuze karakter dient te blijken uit het doel en/of de activiteiten. Het “van ouds” onder meer religieuze karakter van het Maagdenhuis staat, mede gelet op de considerans bij [65] en art. 2 van Pro de statuten van 1983, buiten kijf (zie ook onder 1.24 hiervoor). Zeggenschap kan onder meer blijken uit het recht om bestuurders te benoemen en te ontslaan. [66] In de onderhavige zaak was weliswaar geen sprake van een (onvoorwaardelijk) benoemings- en ontslagrecht van de bisschop, maar kon, naar tussen partijen evenmin in geschil is, de bisschop bijvoorbeeld wel invloed uitoefenen op de bestuurssamenstelling, omdat de benoeming van nieuwe bestuurders ter bekrachtiging aan de bisschop moest worden voorgelegd (art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983), de bisschop bestuurders in geval van wanbeleid kon ontslaan (art. 3 lid 5 sub d en Pro lid 6 van de statuten van 1983) en de bisschop het recht had een nieuw bestuur te benoemen bij het ontbreken van bestuurders (art. 3 lid 8 van Pro de statuten van 1983). Ik volsta hier met een verwijzing naar rov. 3.18 van het bestreden arrest. [67] Deze overige criteria van de tweede categorie kan ik in de onderhavige zaak verder laten rusten.
derdecategorie van criteria van Van Kooten heeft betrekking op het onderscheid tussen een zelfstandig onderdeel in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro en andere wettelijke rechtsvormen, zoals een lichaam of kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro of civiele rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW Pro. [68] Het gaat bij deze derde categorie om een voorwaarde die besloten ligt in de algemene bepalingen van Boek 2 BW, die inhoudt dat een rechtspersoon zijn rechtspersoonlijkheid niet aan zowel art. 2:2 BW Pro als art. 2:3 BW Pro kan ontlenen. Het onderscheid tussen een lichaam of kerkgenootschap is voor de onderhavige zaak niet relevant. [69] Wél relevant is de vraag of een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro kan samenvallen met een civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW Pro (zoals de stichting, zie ook art. 2:285 lid 1 BW Pro). In de literatuur is wel opgemerkt dat “omstreden” is of een naar Nederlands recht opgerichte civiele rechtspersoon (zoals een stichting) tegelijkertijd kan kwalificeren als (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap. [70] De enige auteur die deze vraag kennelijk bevestigend heeft beantwoord, is, voor zover ik dat heb kunnen traceren, Raaijmakers sr. [71] Voor het overige ben ik in de literatuur uitsluitend een ontkennende beantwoording van deze vraag tegengekomen, dus dat een civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW Pro niet tevens kan worden aangemerkt als (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro. [72] Dat is, naar het hof in rov. 3.8 signaleert, in essentie ook wat door het Maagdenhuis c.s. is benadrukt (“dat partijen het erover eens zijn dat een instelling, gezien het bepaalde in Boek 2 BW, niet tegelijkertijd een zelfstandig onderdeel en een civiele stichting kan zijn”). In de parlementaire geschiedenis van art. 2:2 BW Pro is de samenloopvraag niet steeds expliciet aan de orde geweest, maar daaruit leid ik niettemin ook een ontkennende beantwoording van samenloop af (zie onder 3.5-3.11 hiervoor). Dat sluit voorts aan bij het doel van het erkennen van eigen rechtspersoonlijkheid van zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen in art. 2:2 lid 1 BW Pro: “de wet beoogt daarmee de deelname van religieuze gemeenschappen op een efficiënte manier te regelen.” [73] De rechtspersoonlijkheid wordt dan ontleend ofwel aan art. 2:2 BW Pro ofwel aan art. 2:3 BW Pro, maar kan niet aan beide bepalingen tegelijkertijd worden ontleend. [74] In het kader van de samenloopvraag wordt in de literatuur wel een beroep gedaan op het gesloten stelsel van rechtspersonen. [75] Daarbij teken ik aan dat een zelfstandig onderdeel in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro dat bijvoorbeeld tevens kenmerken van een stichting als bedoeld in art. 2:3 BW Pro (en art. 2:285 lid 1 BW Pro) heeft, daarmee nog niet tevens kwalificeert als civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW Pro. Het blijft dan zijn rechtspersoonlijkheid ontlenen aan art. 2:2 lid 1 BW Pro. En omgekeerd, een civiele rechtspersoon als bedoeld in art. 2:3 BW Pro die betrokkenheid heeft bij een kerkgenootschap valt niet tevens onder de werking van art. 2:2 BW Pro. Daarbij teken ik verder aan dat voor rechtspersonen in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro blijkens art. 2:2 lid 2 BW Pro als uitgangspunt geldt dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, of in de woorden van de Hoge Raad in zijn arrest van 4 oktober 2019: [76]
[zonder noten in origineel, A-G]
Het subonderdeel start (onder 19-23) met een verkorte weergave van wat het hof aldaar, volgens het subonderdeel, heeft overwogen.
Het subonderdeel stelt vervolgens (onder 24), kort gezegd en onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, [88] dat in deze zaak geen sprake is van een vergelijkbaar geval als in de zaak die heeft geleid tot het arrest over het ziekenhuis [89] en waarop de minister het oog heeft in de door het hof in rov. 3.25 aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis. [90] Volgens het subonderdeel heeft het hof de stelling van het Maagdenhuis c.s. dat het Maagdenhuis van aanvang af zelfstandig heeft gefunctioneerd en ook naderhand nooit een onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is geworden [91] in rov. 3.31 alleen verworpen voor de periode vanaf 1855, zodat in cassatie veronderstellenderwijs ervan uitgegaan moet worden dat tot dan toe sprake was van een private entiteit die geen onderdeel was van enig kerkgenootschap.
Volgens het subonderdeel (onder 25) moet daarom in cassatie tot uitgangspunt worden genomen dat het in deze zaak niet gaat om de standaardsituatie waarin een kerkgenootschap iets wil afsplitsen dat tevoren tot hem behoorde, maar om de spiegelbeeldige situatie waarin het kerkgenootschap iets dat tevoren niet aan hem behoorde wil toe-eigenen of incorporeren. Volgens het subonderdeel geldt in dat geval een andere maatstaf dan die het hof heeft gehanteerd: of sprake is van een zelfstandig onderdeel moet dan niet (althans niet in de eerste plaats) worden beoordeeld aan de hand van het statuut en de regels van het kerkgenootschap, ook de wil van die entiteit moet dan erop gericht zijn dat zij een zelfstandig onderdeel van dat kerkgenootschap wordt, hetgeen moet worden bepaald aan de hand van de regels die deze entiteit beheersen. [92] Het subonderdeel klaagt dat het hof dit - (ook) bij de beoordeling van de situatie vanaf 1855, in het bijzonder in rov. 3.31 - heeft miskend en zijn oordeel daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Het subonderdeel klaagt voorts (onder 26) dat voor zover het hof bij de beoordeling van de situatie vanaf 1855 (in lijn met rov. 3.25 van het arrest) tot uitgangspunt heeft genomen dat alleen sprake kan zijn geweest van een andere rechtsvorm dan een zelfstandig onderdeel indien voor die andere rechtsvorm een “ondubbelzinnige keuze” is gedaan, zijn oordeel ook rechtens onjuist is, omdat het dan eveneens het onderscheid tussen de standaardsituatie en de situatie in het onderhavige geval heeft miskend.
Het subonderdeel klaagt ten slotte (onder 27) dat voor zover een ondubbelzinnige keuze is vereist, het hof heeft miskend dat het juist een ondubbelzinnige keuze moet betreffen voor een zelfstandig onderdeel en niet voor een stichting. Volgens het subonderdeel heeft het hof in ieder geval miskend dat een keuze voor een stichting niet ondubbelzinnig hoeft te zijn, maar dat een “gewone” keuze, waaraan geen bijzondere eisen worden gesteld, volstaat.
Het subonderdeel bevat geen klacht onder 19-24. [93] De klacht onder 25 loopt reeds erop vast dat het hof in rov. 3.30-3.40 van het arrest, bij de bevestigende beantwoording van de vraag of het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855, als kerkelijke instelling, steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was, nadrukkelijk ook betrekt, in het bijzonder aan de hand van de (onder de feiten weergegeven) telkens voor en door het Maagdenhuis opgestelde huishoudelijke reglementen en statuten, bezien in het licht van de zich in de loop der tijd wijzigende toepasselijke kerkelijke en burgerlijke regelgeving, dat in ieder geval vanaf 1855 door het Maagdenhuis ervoor is gekozen (en dus: ook zijn wil erop gericht was) zo’n kerkelijke instelling te zijn. Ik wijs in het bijzonder op rov. 3.34, waarin het hof, aansluitend op rov. 3.31, tweede zin (“Gezien de (onder de feiten weergegeven) historische ontwikkeling”, etc.), concludeert dat “[u]it het voorgaande” (met name rov. 3.31-3.33) volgt dat het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 “naar zowel burgerlijk recht als kerkelijk recht” kwalificeerde als een kerkelijke instelling en “dat het ook zijn huishoudelijke reglementen en statuten steeds dienovereenkomstig heeft ingericht” (waarbij de eindverantwoordelijkheid voor de inrichting van het bestuur van het Maagdenhuis steeds berustte bij de bisschop als het bevoegde kerkelijk gezag en waarbij het Maagdenhuis naar kerkelijk recht als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap werd gezien), [94] dat dit betekent dat het Maagdenhuis - ook indien het in de praktijk zelfstandig en op afstand van het R.K. Kerkgenootschap opereerde - “in feite steeds al een (zelfstandig) onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was”, en dat “[in] lijn met die opvatting” in 1959 en 1962 in de considerans van de door de bisschop goedgekeurde statuten van het Maagdenhuis telkens uitdrukkelijk is vermeld dat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is en (in 1959) dat het niet valt onder de werking van de Wet op Stichtingen 1956. ’s Hofs vooropstelling in rov. 3.31, eerste zin (“Zoals hiervoor is uiteengezet”, etc.) laat het voorgaande onverlet. Wat er verder zij van de klacht onder 25 (en de onder 24 als premisse gehanteerde hypothetisch feitelijke grondslag), hieruit volgt al dat van de door de klacht bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof in werkelijkheid geen sprake is.
De klacht onder 26 ziet eraan voorbij, nog daargelaten dat “wat het hof in rov. 3.25 heeft overwogen bij de uitleg van de statutenwijziging in 1983” omtrent een “ondubbelzinnige keuze” slecht een ten overvloede gegeven overweging betreft (“Deze uitkomst is bovendien in lijn met”, etc.), dat die overweging van het hof in rov. 3.25 (met inbegrip van het citaat in rov. 3.25 uit de daar bedoelde parlementaire geschiedenis van Boek 2 BW uit 1977) [95] alleen ziet op de statutenwijziging van 1983 zoals daar aan de orde, waarbij nog aantekening verdient dat het Maagdenhuis volgens het hof voordien, in ieder geval vanaf 1855, al een kerkelijke instelling is geweest en als zodanig steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was (rov. 3.31-3.41, mede uitmondend in de slotsom dat de statutenwijziging van 1983 geen omzetting betrof, maar slechts een aanpassing van de statuten “aan de reeds bestaande rechtsvorm ‘zelfstandig onderdeel’”), [96] zodat hetgeen het hof overweegt in rov. 3.25 omtrent een “ondubbelzinnige keuze” niet strijdig is met (de strekking van) dat citaat. [97] Ik lees in het arrest nergens dat het hof bij de beoordeling van de situatie vanaf 1855 (te onderscheiden van de uitleg van de statutenwijziging van 1983) tot uitgangspunt neemt dat alleen sprake kan zijn geweest van een andere rechtsvorm van het Maagdenhuis dan een zelfstandig onderdeel als voor die andere rechtsvorm een “ondubbelzinnige keuze” is gedaan, zoals bedoeld in de klacht onder 26; wel (met name in rov. 3.31-3.41), en dit is iets anders, dat het hof, mede gezien de (onder de feiten weergegeven) historische ontwikkeling van de telkens voor en door het Maagdenhuis opgestelde huishoudelijke reglementen en statuten, bezien in het licht van de zich in de loop der tijd wijzigende toepasselijke kerkelijke en burgerlijke regelgeving, aanneemt dat er geen twijfel over kan bestaan dat door het Maagdenhuis vanaf 1855 ervoor is gekozen zo’n kerkelijke instelling te zijn, waarover ook hiervoor. Wat er verder zij van de klacht onder 26 (en de onder 24 als premisse gehanteerde hypothetisch feitelijke grondslag), hieruit volgt al dat van de door de klacht bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof in werkelijkheid evenmin sprake is.
Wat betreft de klacht onder 27: deze strandt reeds door eraan voorbij te zien dat het hof in rov. 3.30-3.40 dus ervan uitgaat dat het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 een ondubbelzinnige keuze heeft gemaakt voor het zijn van zo’n kerkelijke instelling, waarover ook hiervoor, waarbij a fortiori van een keuze voor een daarvan te onderscheiden stichting geen sprake was: noch een ondubbelzinnige, noch een ‘gewone’. Wat er verder zij van de klacht onder 27 (en de onder 24 als premisse gehanteerde hypothetisch feitelijke grondslag), hieruit volgt al dat van de door de klacht bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof in werkelijkheid evenmin sprake is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel geeft eerst weer (onder 28) de door het hof in rov. 3.30 vermelde stelling van het Bisdom “dat het Maagdenhuis vanaf in ieder geval 1855 steeds een kerkelijke instelling is geweest en daarmee een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap”.
Het subonderdeel klaagt (onder 29) dat “de aldus geformuleerde stelling” een niet-sluitende redenering bevat. Het feit dat het Maagdenhuis vanaf 1855 een kerkelijke instelling is geweest, sluit volgens het subonderdeel niet uit dat het door het Maagdenhuis c.s. gevoerde betoog juist is dat het Maagdenhuis een kerkelijke stichting is geweest en dat het door de werking van het overgangsrecht bij de invoering van Boek 2 BW een civiele stichting is geworden. [98] Het hof heeft dit in het bijzonder in rov. 3.31 en 3.34 miskend en zijn oordeel is in zoverre onjuist (althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk).
Het subonderdeel klaagt verder (onder 30) dat in het licht van “het (zojuist bedoelde) door het Maagdenhuis c.s. gevoerde betoog” het “genoemde oordeel” van het hof ook rechtens onjuist, althans, zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is, gelet op het (door het hof in rov. 3.36 in overweging genomen) feit dat (destijds) geen duidelijke grens bestond tussen kerkelijke stichtingen en zelfstandige onderdelen.
Volgens het subonderdeel (onder 31) veronderstelt een juiste en begrijpelijke motivering van het hof dat het feiten en omstandigheden in overweging zou hebben genomen die wél in de richting wijzen van een zelfstandig onderdeel en juist niet in de richting van een kerkelijke stichting. Het subonderdeel klaagt dat het hof dit niet (althans, niet kenbaar) heeft gedaan, omdat alle (althans, de meeste) door hem (in rov. 3.32-3.34) in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet specifiek (althans, niet specifiek genoeg) voor de ene of de andere rechtsvorm pleiten.
Het subonderdeel verwijst (onder 32-34) naar de parlementaire geschiedenis van de Wet op Stichtingen 1956 [99] en klaagt vervolgens (onder 35) dat in het licht hiervan eens te meer spreekt dat de door het hof (in bijzonder in rov. 3.32-3.34) in aanmerking genomen feiten niet specifiek “voor de ene of de andere rechtsvorm” pleiten (een zelfstandig onderdeel of een kerkelijke stichting), hetgeen het hof heeft miskend, waardoor zijn oordeel dat het Maagdenhuis vanaf 1855 tot de invoering van Boek 2 BW (feitelijk) een zelfstandig onderdeel is geweest, rechtens onjuist, althans - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt - onbegrijpelijk is.
Het subonderdeel wijst er verder nog op (onder 36) dat daarbij komt dat het begrip ‘zelfstandig onderdeel’ in 1855 nog niet - en ook lange tijd daarna niet - als (afzonderlijke) rechtsvorm werd erkend, [100] althans niet als een rechtsvorm die (met voldoende duidelijkheid) van een stichting kon worden onderscheiden, [101] alsmede dat het ook niet gebleken is dat dit begrip vóór de statutenwijziging van 1983 door (of voor) het Maagdenhuis is gebruikt. [102] Het subonderdeel wijst voorts (onder 37, en na de stelling dat “dit alles” het dus al onjuist, althans - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt - onbegrijpelijk maakt om te oordelen dat het Maagdenhuis vanaf 1855 tot de invoering van Boek 2 BW (feitelijk) een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is geweest) op de onder i-vi opgesomde feiten en omstandigheden (in het bijzonder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vanaf het moment dat de Wet op Stichtingen 1956 werd ingevoerd en mede in verband daarmee de vraag opkwam naar de (precieze) rechtsvorm van het Maagdenhuis), die het Maagdenhuis c.s. in feitelijke instanties heeft aangevoerd en er volgens het subonderdeel voor pleiten dat het Maagdenhuis zich beschouwde als een (kerkelijke) stichting en het dat ook wilde zijn, samengevat: [103]
Het subonderdeel bevat geen klacht onder 28. [104] De klacht onder 29 loopt vast op het volgende. Het hof geeft in rov. 3.28, tweede zin e.v. van het arrest (“Subsidiair heeft het Maagdenhuis c.s. gesteld”, etc.) de daar bedoelde subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s. weer, waarop het hof voortborduurt in rov. 3.30, eerste zin (“De subsidiaire stelling van het Maagdenhuis”, etc.). [105] Een en ander is in cassatie onbestreden gebleven. Met rov. 3.30, eerste zin brengt het hof, gelet ook op rov. 3.28 en het vervolg in rov. 3.30, tweede zin en 3.31-3.41, in het bijzonder tot uitdrukking als inherent aan die subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s. te achten dat, indien het Maagdenhuis vóór 1 juli 1976 - anders dan door het Maagdenhuis c.s. bij die subsidiaire stelling tot uitgangspunt genomen - wél (ook) kon worden gekwalificeerd als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap (het R.K. Kerkgenootschap) als bedoeld in art. 28 onder Pro a van de Wet op Stichtingen 1956, reeds de bodem zou wegvallen onder het overgangsrechtelijke betoog van het Maagdenhuis c.s. waarop die subsidiaire stelling betrekking had, nu dat betoog leunde op het wel zijn van het Maagdenhuis van alleen een kerkelijke stichting en/of instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet in de zin van art. 28 onder Pro b en e van de Wet op Stichtingen 1956, maar niet (ook) van zo’n zelfstandig onderdeel (omdat als dit laatste wel het geval zou zijn, dat, op het enkel zijn van zo’n kerkelijke stichting en/of instelling van weldadigheid als bedoeld in de Armenwet toegespitste, overgangsrechtelijke betoog niet zou opgaan). [106] Dit gegeven vormt ’s hofs vertrekpunt voor de verdere behandeling van die subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s. in rov. 3.30, tweede zin en 3.31-3.41, waarin het hof zich in het bijzonder richt, met inachtneming van het partijdebat, op de vraag of het Maagdenhuis al dan niet (ook) zo’n zelfstandig onderdeel was. Die behandeling als geheel bezien, maakt onder meer duidelijk dat daarin voor het hof, gegeven ook het voorgaande (en derhalve logischerwijs), niet relevant is of het Maagdenhuis ook zo’n kerkelijke stichting was (naast zo’n zelfstandig onderdeel), wat het hof ook nergens uitsluit, [107] nu met het (ook) zijn van zo’n zelfstandig onderdeel dus reeds de bodem zou wegvallen onder dat overgangsrechtelijke betoog van het Maagdenhuis c.s. en door het hof niet wordt meegegaan in dat door het Maagdenhuis c.s. gehanteerde uitgangspunt dat het Maagdenhuis niet (ook) zo’n zelfstandig onderdeel was, zodat er reeds daarom geen sprake van kan zijn dat het Maagdenhuis als zo’n kerkelijke stichting/niet (ook) zo’n zelfstandig onderdeel via dat overgangsrecht een civiele stichting is geworden als betoogd door het Maagdenhuis c.s. met die subsidiaire stelling: nu het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 (een kerkelijke instelling en als zodanig) steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was, zoals betoogd door het Bisdom en onderschreven door het hof, met inachtneming dus van het partijdebat, kwalificeerde het Maagdenhuis daardoor bij de invoering van Boek 2 BW als zelfstandig onderdeel in de zin van art. 2:2 BW Pro en was het, in lijn met het bepaalde in art. 29 Overgangswet Pro, vanaf het tijdstip van in werking treden van Boek 2 BW een zelfstandig onderdeel in de zin van art. 2:2 BW Pro. Hierbij moet worden bedacht dat het hof in rov. 3.30, tweede zin start met een beoordeling van de stelling van het Bisdom, aangevoerd tegenover dat door het Maagdenhuis c.s. gehanteerde uitgangspunt bij die subsidiaire stelling als bedoeld door het hof in rov. 3.30, eerste zin, dat het Maagdenhuis vanaf in ieder geval 1855 steeds een kerkelijke instelling is geweest en daarmee een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap (en dat die status nadien telkens is bevestigd en ook nooit is gewijzigd, waarbij het hof (volgend op rov. 3.31-3.34) ook betrekt wat door het Maagdenhuis c.s. hier tegenover is gesteld (zie met name rov. 3.35 en 3.37), [108] waartoe niet behoort een stelling bijvoorbeeld van de strekking dat als het Maagdenhuis een kerkelijke stichting was, zoals aangevoerd door het Maagdenhuis c.s., het om die reden niet ook (zo’n kerkelijke instelling en als zodanig) zo’n zelfstandig onderdeel kon zijn). [109] Met de klacht onder 29, erop neerkomend dat het (enkele) - door het hof vastgestelde - feit dat het Maagdenhuis vanaf 1855 een kerkelijke instelling is geweest, niet uitsluit dat het door het Maagdenhuis c.s. gevoerde betoog als bedoeld in de klacht (“dat het Maagdenhuis (van aanvang af) (mogelijk) een kerkelijke stichting is geweest (en dat het door de werking van het overgangsrecht vervolgens een civiele stichting is geworden)) juist is, ziet het subonderdeel voorbij aan wat het hof in werkelijkheid doet in rov. 3.28-3.41 met betrekking tot de subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s., waarover mede hiervoor, waarmee het hof dus de juistheid uitsluit van het overgangsrechtelijke betoog waarop deze subsidiaire stelling (die ter beoordeling voorlag in rov. 3.30-3.41) betrekking heeft en waarbij het hof dus daar kon laten, zoals het doet, of “het Maagdenhuis (van aanvang af) (mogelijk) een kerkelijke stichting is geweest”, als aangevoerd door het Maagdenhuis. Hieruit volgt dat van de onder 29 bedoelde onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van ’s hofs bestreden oordeel (kennelijk in het bijzonder rov. 3.31 en 3.34) geen sprake is.
De klachten onder 30-31 en 35 (te lezen in samenhang ook met het subonderdeel onder 32-34 en 36), die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, lopen vast in het voetspoor van de klacht onder 29. Het enkele - ook door het hof in rov. 3.36, eerste zin (“Destijds bestond geen duidelijke grens”, etc.) onderkende - feit dat destijds geen duidelijke grens bestond tussen kerkelijke stichtingen en zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap, waarop de klacht onder 30 wijst, maakt, zonder toelichting, die ontbreekt onder 30, niet dat in het licht van het daar bedoelde betoog van het Maagdenhuis c.s. (waarover ook de klacht onder 29) het daar bedoelde oordeel van het hof, in het bijzonder in rov. 3.31 en 3.34 (waarover ook de klacht onder 29), rechtens onjuist althans onbegrijpelijk zou zijn. Daarbij breng ik mede in herinnering (zie hiervoor) dat voor het hof bij de behandeling van de subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s., zoals in cassatie onbestreden verstaan door het hof mede gelet op rov. 3.30, eerste zin, dus niet relevant is of het Maagdenhuis ook zo’n kerkelijke stichting was (naast zo’n zelfstandig onderdeel), wat het hof ook nergens uitsluit, [110] nu met het (ook) zijn van zo’n zelfstandig onderdeel dus reeds de bodem zou wegvallen onder het overgangsrechtelijke betoog van het Maagdenhuis c.s. waarop die subsidiaire stelling betrekking had en door het hof niet wordt meegegaan in dat door het Maagdenhuis c.s. gehanteerde uitgangspunt dat het Maagdenhuis niet (ook) zo’n zelfstandig onderdeel was, zodat er reeds daarom geen sprake van kan zijn dat het Maagdenhuis als zo’n kerkelijke stichting/niet (ook) zo’n zelfstandig onderdeel via dat overgangsrecht een civiele stichting is geworden als betoogd door het Maagdenhuis c.s. met die subsidiaire stelling. Het in de klacht onder 31 opgemerkte leidt niet tot een andere uitkomst. Anders dan daarin wordt verondersteld, oordeelt het hof dus niet dat het Maagdenhuis destijds wel zo’n zelfstandig onderdeel was en niet zo’n kerkelijke stichting; een dergelijke ‘knip’ brengt het hof niet aan (door, kort gezegd, dit eerste aan te nemen en dit laatste daar te laten). [111] Er is dan evenmin sprake van een oordeel van het hof waarvoor “[e]en juiste en begrijpelijke motivering veronderstelt” dat het hof feiten en omstandigheden in overweging had dienen te nemen “die wél in de richting wijzen van een ZO en juist niet in de richting van een kerkelijke stichting”, als bedoeld in de eerste zin onder 31. Het is dan evenmin relevant dat het hof dit, aldus de tweede zin onder 31 (nog steeds, ten onrechte, ervan uitgaande dat wel sprake is van zo’n oordeel van het hof), niet (kenbaar) doet (omdat alle, althans de meeste door hem, in het bijzonder in rov. 3.32-3.34, in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet specifiek (genoeg) “voor de ene of de andere rechtsvorm pleiten”), waarbij bedacht moet worden dat voor doeleinden van ’s hofs beoordeling van die subsidiaire stelling van het Maagdenhuis c.s. in rov. 3.30-3.41 volstaat dat het kon vaststellen, zoals het doet, met inachtneming ook van het partijdebat, dat het Maagdenhuis in ieder geval vanaf 1855 (een kerkelijke instelling en als zodanig) steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was. In het verlengde hiervan strandt ook de klacht onder 35, die in de kern betoogt dat “[i]n het licht hiervan” (waaronder het onder 32-34 opgemerkte) “eens te meer spreekt” dat de door het hof, in het bijzonder in rov. 3.32-3.34, in aanmerking genomen feiten “niet specifiek voor de ene of de andere rechtsvorm pleiten”. Van de onder 35 bedoelde onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van ’s hofs bestreden oordeel (hier dus in het bijzonder rov. 3.31 en 3.34) is dan evenmin sprake. Het onder 32-34 opgemerkte maakt het voorgaande logischerwijs niet anders, nu daar in essentie niet meer te lezen valt dan dat wat het hof ook onderkent in rov. 3.36, eerste zin, waarover hiervoor.
Ook het onder 36 opgemerkte brengt geen verandering, reeds omdat:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel geeft eerst (onder 39-40), met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken [117] en naar het door het hof in rov. 2.14 bedoelde AR 1965 alsmede canon 100 van de CIC 1917 (waarover ook rov. 3.11 van het arrest), het door het Maagdenhuis c.s. gevoerde betoog weer, dat het hof in rov. 3.37 samenvat en in rov. 3.38-3.39 verwerpt.
Het subonderdeel klaagt vervolgens (onder 41) dat zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, dit oordeel niet in stand kan blijven, omdat niet (althans, niet op begrijpelijke wijze) valt in te zien dat de door het hof vermelde goedkeuringen te beschouwen zouden zijn als krachtens - de door het hof in rov. 3.38 genoemde - canon 100 van de CIC 1917 vereiste “
bijzondere toekenningenof
formele decreten” waarmee de bisschop het Maagdenhuis als kerkelijke instelling zou hebben erkend. [118] Het subonderdeel werkt dit in drie klachten uit.
Het subonderdeel klaagt
ten eerste(onder 42) dat het hof immers niet - althans, niet op begrijpelijke wijze - vaststelt dat sprake is geweest van een besluit dat
in het bijzondergericht is geweest op de erkenning van het Maagdenhuis
als kerkelijke instelling, aangezien het besluiten betreft die - zoals het hof in rov. 3.39 overweegt - gericht waren op goedkeuring van de huishoudelijke reglementen dan wel statuten.
Het subonderdeel klaagt
ten tweede(onder 43) dat het hof niet - althans, niet op begrijpelijke wijze - vaststelt dat sprake is geweest van een besluit waarin enige verwijzing is opgenomen naar de door het hof in rov. 3.38 van het arrest genoemde canoniekrechtelijke bepalingen.
Het subonderdeel klaagt
ten derde(onder 44) dat het hof niet - althans, niet op begrijpelijke wijze - vaststelt dat sprake is geweest van een besluit waarbij enige formaliteit in acht is genomen, wat in het bijzonder wel is gebeurd bij de decreten van de bisschop van 10 juli en 23 augustus 2013, die immers zijn genomen (i) bij geschrift, (ii) dat is gedateerd, (iii) in de kop waarvan het wapen van de bisschop is afgebeeld, (iv) waarop in vette kapitale letter het woord “
DECREET” is vermeld, (v) dat is ondertekend door zowel de bisschop als de kanselier, en (vi) voorzien van het bisschoppelijke zegel. Volgens het subonderdeel is geen van deze formaliteiten in acht genomen bij de goedkeuringen waarover het hof in rov. 3.39 spreekt, althans heeft het hof niet, althans niet op begrijpelijke wijze, vastgesteld dat ook maar één van deze formaliteiten daarbij wel in acht genomen is.
Het subonderdeel bevat geen klacht onder 39-40. [119] De klachten onder 41-44 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en lopen vast op het volgende.
In reactie op de in rov. 3.37 van het arrest weergegeven stelling van het Maagdenhuis c.s., geeft het hof eerst in rov. 3.38, in samengevatte vorm, het relevante beoordelingskader weer, waarbij het hof in rov. 3.38, eerste twee zinnen (eindigend met “als zodanig wettig zijn erkend”) aansluiting zoekt bij zijn eerdere uiteenzetting in rov. 3.11. Met dit laatste brengt het hof mede tot uitdrukking, zoals ook bevestiging vindt in rov. 3.39, dat het ervan uitgaat dat ook vóór 1965 wettige erkenning als bedoeld in art. VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland (dat aansluit op canon 100 van de CIC 1917, zie rov. 3.11, tweede zin) [120] kon geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, zoals nadien ook met zoveel woorden is bepaald in art. 3 van Pro de Algemene Bepalingen 1978 (dat, zoals ook volgt uit lid 2, derde zin daarvan (“Krachtens deze oprichting of erkenning zijn zij”, etc.), aansluit op art. VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland, zie rov. 3.11, vierde zin, inclusief citaat). [121] Een specifiek tegen deze uitleg door het hof in rov. (3.11 en) 3.38 van dit canonieke recht gerichte klacht lees ik niet in het subonderdeel, [122] waarbij zij aangetekend dat deze uitleg als van feitelijke aard moet worden aangemerkt (zie onder 3.20 hiervoor) en hoe dan ook niet onbegrijpelijk voorkomt, waarbij ik - naast de door het hof onderkende samenhang tussen genoemde regelingen - mede betrek dat uit art. 3 van Pro de Algemene Bepalingen 1978 ook niet blijkt dat met de tweede zin van lid 2 daarvan (“Erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten”) een nieuwe, voorheen (onder art. VII van het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland) niet geldende erkenningsmogelijkheid zou zijn ingevoerd, hetgeen ook niet voor de hand ligt. [123] In het vervolg van rov. 3.38 citeert het hof, voor zover van belang, uit art. 4 van Pro het (ter vervanging van het AR 1855 bedoelde) AR 1965 en de in het AR 1965 opgenomen overgangsbepaling.
Vervolgens komt het hof in rov. 3.39, na die tussenstap van rov. 3.38, tot een verwerping van de in rov. 3.37 weergegeven stelling van het Maagdenhuis c.s. Daarbij onderkent het hof dat niet van “een (afzonderlijk(e)) akte of schriftelijke decreet” betreffende de erkenning is gebleken, maar oordeelt het hof dat dit - anders dan het Maagdenhuis c.s. meent - niet aantoont dat het Maagdenhuis niet wettig als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is erkend, nu het tegendeel genoegzaam volgt uit de omstandigheid dat de opeenvolgende huishoudelijke reglementen en statuten van het Maagdenhuis steeds door de bisschop zijn goedgekeurd en in de considerans van de statuten van 1959 en 1962 het Maagdenhuis niet enkel wordt aangemerkt als ‘instelling van weldadigheid’ (zie ook rov. 2.4-2.5, 2.8, 2.11-2.13 en 3.32-3.34) maar daarin telkens ook uitdrukkelijk is vermeld dat het Maagdenhuis een kerkelijke instelling is, welk kerkrechtelijk karakter van het Maagdenhuis in 1983 (met de statutenwijziging van 1983) is bevestigd. Hierin ligt besloten dat naar ’s hofs oordeel ook vóór 1965 met betrekking tot het Maagdenhuis sprake is geweest van wettige erkenning door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten in voornoemde zin, [124] , [125] waarbij het hof dus nadrukkelijk en kort gezegd betrekt dat, gelet op die (considerans van de) statuten van het Maagdenhuis van 1959 en 1962 en uitdrukkelijke vermeldingen daarin, de desbetreffende bisschoppelijke goedkeuring [126] ook moet hebben gezien op het door het Maagdenhuis daarbij zelf voorgestane - en aldus door de bisschop dus erkende - zijn van zo’n kerkelijke instelling (zoals uitdrukkelijk vermeld in (de considerans van) die, door de bisschop goedgekeurde, statuten), [127] alsmede dat, gelet op de toepasselijke canoniekrechtelijke regels (die aan zo’n bisschoppelijke goedkeuring van de statuten geen nadere eisen stellen), [128] aan deze bisschoppelijke goedkeuring niet ook de eis wordt gesteld dat sprake is van een besluit dat nog weer verdergaand (meer in het bijzonder) gericht is geweest op de erkenning van het Maagdenhuis als kerkelijke instelling, waarin naar die canoniekrechtelijke regels wordt verwezen en/of waarbij aan (andere) specifieke, nadere formaliteiten is voldaan.
Gegeven het voorgaande, acht ik ’s hofs uitleg in rov. 3.39 van de door de bisschop gegeven goedkeuring aan (de considerans van) de statuten van het Maagdenhuis van 1959 en 1962, alsmede de toepasselijke canoniekrechtelijke regels, niet onbegrijpelijk. Anders dan de klacht onder 41 veronderstelt, valt, tegen die achtergrond bezien, met ’s hofs oordeel in rov. (3.38 en) 3.39 dus ook zonder nadere motivering in te zien dat ter zake sprake was van zo’n wettige erkenning door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, waarmee ook is voldaan aan (bijzondere toekenning door middel van een formeel decreet in de zin van) canon 100 van de CIC 1917. Gelet op dit een ander vallen ook de klachten onder 42-44 (bedoeld als uitwerking van de klacht onder 41) in het water. Ik laat dan nog daar, [129] wat betreft de stellingen van het Maagdenhuis c.s. waarop de klachten onder 41-44 wijzen (met verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken), [130] waaraan het hof (voor zover deze stellingen daadwerkelijk zijn aangevoerd in hoger beroep) niet voorbijziet [131] en waarop het hof in rov. 3.37-3.39 (dus) afdoende respondeert:
Het subonderdeel zet eerst uiteen (onder 48), kort gezegd, dat het hof (ook) bij zijn oordeel over de statutenwijziging van 1983 in rov. 3.10-3.26 voortbouwt op rov. 3.8, en (ook) daarbij blijkens rov. 3.25 tot uitgangspunt neemt dat een keuze voor de rechtsvorm van een civiele stichting alleen kan worden aangenomen als daarvoor “ondubbelzinnig” is gekozen.
Vervolgens klaagt het subonderdeel (onder 49) dat het hof aldus (ook) bij zijn oordeel over de statutenwijziging van 1983 een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Daartoe voert het subonderdeel aan dat de door het hof gehanteerde maatstaf ziet op de standaardsituatie waarin een kerkgenootschap een taak die het als de zijne beschouwt, wil afsplitsen en aan een afzonderlijke rechtspersoon wil opdragen. [134] Daarvan was (ook) in 1983 echter geen sprake: in 1983 vormde het Maagdenhuis - ook vóór de statutenwijziging van 5 mei 1983 - immers al een afzonderlijke rechtspersoon met eigen taken. Dit werkt het subonderdeel uit langs twee, deels meanderende, wegen (nog steeds onder 49).
Ten eerste”, etc. nog weer verder ingesprongen tekstblok, dat voor zover het hof heeft miskend dat een zelfstandig onderdeel door zijn eigen statuut wordt beheerst dat niet hetzelfde hoeft te zijn als het statuut van het kerkgenootschap, zijn oordeel rechtens onjuist is. Het Maagdenhuis c.s. verwijst daarvoor naar zijn klachten onder 65-67 van onderdeel 3, die het Maagdenhuis c.s. ook tegen dit oordeel richt.
Ten eerste”, etc., met de stelling dat in het onderhavige geval - ook vóór de statutenwijziging van 1983 - sprake was van een specifiek op het zelfstandig onderdeel toegespitst statuut.
Ten eerste”, etc. (en daarmee ook laatstgenoemde stelling) nog weer verder ingesprongen tekstblok, dat voor zover het hof dit laatste heeft miskend (dus laatstgenoemde stelling) zijn oordeel rechtens onjuist, althans - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt – onbegrijpelijk is. In dat verband wijst het subonderdeel erop, samengevat en nog steeds in dat nog weer verder ingesprongen tekstblok:
Ten eerste”, etc., met de stelling dat de vraag of het Maagdenhuis - indien het vóór de statutenwijziging van 1983 een zelfstandig onderdeel is geweest - bij die statutenwijziging (weer) heeft gekozen voor de rechtsvorm van een zelfstandig onderdeel en niet voor de rechtsvorm van een civiele stichting, “dus
niet(althans, niet in de eerste plaats) [moet] worden beoordeeld aan de hand van het statuut en de regels van het R.K. Kerkgenootschap, maar aan de hand van het statuut en de regels die het Maagdenhuis zelf beheersten.” [cursivering in origineel, A-G]
Ten eerste”, etc.: het Maagdenhuis c.s. heeft met onderdeel 1 klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat het Maagdenhuis vóór de statutenwijziging van 1983 een zelfstandig onderdeel zou vormen en niet een civiele stichting. Slaagt onderdeel 1, dan kan dat oordeel niet in stand blijven en moet bij de verdere beoordeling in cassatie tot uitgangspunt worden genomen dat niet vaststaat dat het Maagdenhuis vóór de statutenwijziging van 1983 een zelfstandig onderdeel was maar moet (de mogelijkheid) in aanmerking worden genomen dat het Maagdenhuis toen een civiele stichting was. “Dan spreekt eens te meer dat de vraag voor welke rechtsvorm het Maagdenhuis bij de statutenwijziging van 1983 heeft gekozen,
niet(althans, niet in de eerste plaats) moet worden beoordeeld aan de hand van het statuut en de regels van het R.K. Kerkgenootschap, maar aan de hand van het statuut en de regels die het Maagdenhuis zelf beheersten”, aldus nog steeds het subonderdeel. [cursivering in origineel, A-G]
Het subonderdeel bevat geen klacht onder 48. [138] De klachten onder 49 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en lopen vast op het volgende. Vooropgesteld zij daarbij dat wat de klacht onder 49 “
Ten tweede”, etc. aanvoert reeds strandt op het voortbouwen ervan op onderdeel 1, dat faalt (zie onder 3.25-3.32 hiervoor), in welk lot de klacht onder 49 in zoverre dus deelt. [139] Ik richt mij hierna dan ook op wat de klacht onder 49 “
Ten eerste”, etc. aanvoert.
Het subonderdeel, dat deel uitmaakt van het tegen rov. 3.10-3.26 van het arrest gerichte onderdeel 2, is, als gezegd, in het bijzonder gekant tegen rov. 3.8, 3.9 en 3.25. Aan ’s hofs oordeel als bestreden door het subonderdeel, specifiek met betrekking tot de rechtsvorm van het Maagdenhuis en de statutenwijziging van 1983, ligt, mede gelet op rov. 3.3-3.9 en kort gezegd, de opvatting ten grondslag dat de door het hof in rov. 3.5 bedoelde vraag niet beantwoord dient te worden uitsluitend aan de hand van het civiele recht en de statuten van het Maagdenhuis van 1983 (in samenhang met de considerans daarbij), zoals in hoger beroep voorgestaan door het Maagdenhuis c.s., maar (bij wege van aan te houden uitgangspunt) in de eerste plaats aan de hand van het eigen statuut, en de eigen regels van het kerkgenootschap in kwestie (hier dus het R.K. Kerkgenootschap), [140] waarbij ook onder meer betekenis toekomt aan deze statuten van het Maagdenhuis (die uitgelegd dienen te worden tegen de achtergrond van (mede) het canonieke recht). [141] In dit verband verdient aantekening dat het hof, naar in cassatie onder meer onbestreden is gebleven althans zonder succes is bestreden, daarbij ervan uitgaat:
Voor zover de klacht onder 49 ervan uitgaat dat het hof in zijn hier bestreden oordeel miskent dat een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap eigen rechtspersoonlijkheid heeft en in beginsel door zijn eigen statuut wordt beheerst, dat niet hetzelfde hoeft te zijn als het eigen statuut van het kerkgenootschap, dat eveneens eigen rechtspersoonlijkheid heeft, waarmee het hof daar blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting, geldt, blijkens het voorgaande, dat de klacht uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist: een dergelijke opvatting huldigt het hof niet in het arrest. [143] Hetzelfde doet opgeld, blijkens het voorgaande, voor zover de klacht onder 49 ervan uitgaat dat het hof in zijn hier bestreden oordeel miskent dat - ook vóór de statutenwijziging van 1983 - er sprake van was dat het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap in beginsel werd beheerst door zijn eigen statuut, dat niet (per se) samenviel met het destijds geldende eigen statuut, en de eigen regels van het R.K. Kerkgenootschap, waarmee het hof daar dan blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onbegrijpelijk zou zijn: ook een dergelijke opvatting huldigt hof niet in het arrest. Voor zover de klacht onder 49 voorstaat, kort gezegd, dat ’s hofs hier bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is, omdat het hof ter zake niet kenbaar alleen betrekt dat eigen statuut van het Maagdenhuis, daarbij als (ook) relevant uitsluitend (hetgeen valt onder) het eigen statuut, en de eigen regels van het R.K. Kerkgenootschap (zoals deze destijds golden), [144] geldt dat het hof dit - redenerend ook vanuit zijn (in cassatie niet met succes bestreden) oordeel dat het Maagdenhuis vóór de statutenwijziging van 1983 al een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 BW Pro was - terecht niet doet in het arrest, nu een dergelijke (categorische) opvatting geen steun vindt in het recht, en in het bijzonder niet uit art. 2:2 BW Pro voortvloeit; van een ontoereikende motivering ter zake is dan evenmin sprake. [145] In de parlementaire geschiedenis van art. 2:2 BW Pro, aangehaald onder 3.5-3.11 hiervoor (waarvan het hof ook gewag maakt in rov. 3.8, voorlaatste zin), is in het kader van de beantwoording van vraag of een organisatie op enig moment kwalificeert als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van (thans) art. 2:2 BW Pro, vanuit diverse invalshoeken, juist steeds (ook) consequent aansluiting gezocht bij (de inbedding van) “het statuut”, “de kerkorde”, van “het kerkgenootschap”, bij “de kerkelijke reglementen als toetsingsmateriaal” (zie ook onder 3.20 hiervoor), waarbij aan het wettelijke begrip ‘statuut’ bovendien geen op voorhand gefixeerde invulling wordt gegeven, met dien verstande dat in het algemeen daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van (het zelfstandig onderdeel van) het kerkgenootschap behoren, waaronder regels over het bestuur en de verhouding met de geestelijke ambtsdrager(s) (zoals het hof ook onderkent in rov. 3.4, onder verwijzing naar een Hoge Raad-arrest van 4 oktober 2019). [146] , [147] Over een abstraheren daarvan (dus van dat statuut, die eigen regels, van het kerkgenootschap in kwestie) in het kader van de beantwoording van die vraag als bedoeld in het subonderdeel (zodat ter zake alleen gekeken wordt naar, kort gezegd, het statuut van de organisatie in kwestie, in de lijn van het subonderdeel wat betreft het Maagdenhuis zelfs, sterk geïsoleerd, (slechts) gevormd door de statuten van 1983 en de considerans daarbij) lees ik niets in de wet (in het bijzonder art. 2:2 BW Pro) of die parlementaire geschiedenis, [148] ook niet voor een geval waarin geen sprake is van wat het subonderdeel duidt als “de standaardsituatie waarin een kerkgenootschap een taak die het als de zijne beschouwt, wil afsplitsen en aan een afzonderlijke rechtspersoon wil opdragen”, van welke ‘standaardsituatie’ (en in die gedachtegang daarop te maken uitzonderingen, bijvoorbeeld als de organisatie in kwestie reeds, in de woorden van de klacht onder 49, “een afzonderlijke rechtspersoon met eigen taken” is, waarna de klacht tot uitgangspunt neemt dat het Maagdenhuis vóór de statutenwijziging van 1983 reeds een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was en uit dien hoofde “eigen rechtspersoonlijkheid” had) in de wet en de parlementaire geschiedenis overigens evenmin wordt gerept. [149] Een vergelijkbaar beeld komt naar voren uit de onder 3.17-18 hiervoor aangehaalde conclusie van A-G Asser, in het bijzonder de in algemene bewoordingen vervatte passage onder 2.2 (waarvan het hof ook gewag maakt in rov. 3.8, voorlaatste zin).
Deze lijn valt ook door te trekken naar de literatuur, waar ik de in de klacht onder 49 verdedigde ‘abstraheer’-opvatting, met een ‘standaardsituatie’ en uitzonderingen daarop, evenmin ben tegengekomen: [150]
Duynstee,
preadvies1935, p. 24 e.v. Voor het begrip zelfstandig onderdeel geldt in nog sterkere mate dan voor het begrip kerkgenootschap dat de wetgever het begrip niet heeft willen omschrijven. Deze keus van de wetgever is te billijken. Kerkgenootschappen hebben een ruime vrijheid van inrichting en maken daarvan gretig gebruik. Als de diversiteit aan kerkgenootschappen groot is, is de diversiteit aan onderdelen nog groter. Zoals wij zagen is dit een van de redenen waarom wetgever kerkgenootschappen niet heeft willen dwingen om gebruik te maken van de civiele rechtsvormen. Het past bij de vrijheid van inrichting en bij de organisatorische diversiteit die daarvan het gevolg is, dat de wetgever het voor een belangrijk deel aan het kerkgenootschap overlaat te bepalen wat als zelfstandig onderdeel heeft te gelden. Dit wil niet zeggen dat de wetgever, en bij een concrete wetstoepassing de rechter, hier geen taak heeft. Ook op dit punt dringt de vergelijking met het kerkgenootschap zich op. Net als de juridische kwalificatie ‘kerkgenootschap’ een prerogatief is van de wetgever, en in het concrete geval van de rechter, is de juridische kwalificatie ‘zelfstandig onderdeel’ aan wetgever en rechter voorbehouden (vgl. HR 13 mei 1938,
NJ1939/247). Leidend bij die kwalificatie is de functie die het begrip zelfstandig onderdeel in art. 2:2 BW Pro heeft en de vrijheid van inrichting van het kerkgenootschap. De functie van het begrip zelfstandig onderdeel is dezelfde als die van het begrip kerkgenootschap: de wet beoogt daarmee de deelname van religieuze gemeenschappen aan het rechtsverkeer op een efficiënte manier te regelen. Daartoe dient de erkenning van de eigen rechtspersoonlijkheid van zelfstandige onderdelen. De vrijheid van inrichting van het kerkgenootschap brengt mee dat het kerkgenootschap autonoom, conform de regels van het eigen statuut, bepaalt welke van zijn onderdelen als zelfstandig onderdeel hebben te gelden. Hiervan uitgaande zou ik het zelfstandig onderdeel willen omschrijven als een organisatorische eenheid van een kerkgenootschap die aan het rechtsverkeer kan deelnemen en die door het kerkgenootschap als zelfstandig onderdeel in de zin der wet wordt aangemerkt.” [151] , [152]
Ten eerste”, etc. (“De vraag of het Maagdenhuis”, etc.), nu daarin op basis van het daaraan voorafgaande (“dus”) de opgeworpen vraag ontkennend wordt beantwoord, gegeven het voorgaande dus ten onrechte.
De klacht onder 50 bouwt in de eerste zin daarvan kennelijk voort op de klacht onder 49 (“Gelet hierop”, etc.), die dus faalt, waarmee de klacht onder 50 in het lot van de klacht onder 49 deelt. Hoe dan ook geldt hier dat van een miskenning door het hof van de in de klacht onder 50, onder a t/m d genoemde “elementen” geen sprake is, zodat zich evenmin voordoet een rechtens onjuist althans onbegrijpelijk oordeel van het hof, als bedoeld in de klacht onder 50:
de ondubbelzinnige keuze daartoehebben gemaakt, wat insluit dat van een keuze voor een daarvan te onderscheiden (civiele) stichting geen sprake was: noch een ondubbelzinnige, noch een ‘gewone’. Dat oordeel van het hof behelst niet (ook) dat principieel eerst van zo’n zelfstandig onderdeel geen sprake kan zijn als een ondubbelzinnige keuze voor de rechtsvorm van zo’n stichting is gemaakt (a fortiori ook niet “voor de situatie vanaf de statutenwijziging van 1983”, waarmee de klacht onder 50, eerste zin dus opent), [154] wel (ook), maar niet meer dan, dat die door het hof bereikte “uitkomst” (kort gezegd, en in het kader van de statutenwijziging van 1983: het Maagdenhuis is zo’n zelfstandig onderdeel) “bovendien in lijn [is]” met de historische ontwikkeling die het Maagdenhuis sinds 1854 heeft doorgemaakt (toen was het Maagdenhuis, aldus het hof (zie rov. 3.30-3.41), een kerkelijke instelling en als zodanig steeds feitelijk een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap) en hetgeen de parlementaire geschiedenis van Boek 2 BW leert (zo’n ondubbelzinnige keuze als bedoeld in dat citaat uit de parlementaire geschiedenis is in 1983 niet gemaakt, aldus het hof), als bedoeld in rov. 3.25.
de ondubbelzinnige keuze daartoehebben gemaakt (wat insluit dat van een keuze voor een daarvan te onderscheiden (civiele) stichting geen sprake was: noch een ondubbelzinnige, noch een ‘gewone’), en het hof zich ter zake niet uitlaat in verband met “de situatie vanaf de statutenwijziging van 1983” (waarmee de klacht onder 50, eerste zin dus opent). [156]
De klacht onder 52 bouwt voort op de klachten onder 49-51, die dus falen, en deelt in het lot daarvan. Ook dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel opent (onder 53) met de opmerking dat het hof aan zijn oordeel dat het Maagdenhuis “vanaf 1983 als een ZO moet worden aangemerkt” in rov. 3.25 mede ten grondslag heeft gelegd dat dit oordeel in lijn is met de uit de feiten blijkende historische ontwikkeling die het Maagdenhuis sedert 1854 heeft doorgemaakt.
Daaraan voegt het subonderdeel toe (onder 54), samengevat, dat het hof die ontwikkeling in rov. 3.31-3.34 aan de orde heeft gesteld en daaruit heeft geconcludeerd dat het Maagdenhuis vanaf 1855 in feite steeds al een (zelfstandig) onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap was, dat het Maagdenhuis c.s. dit oordeel heeft bestreden in onderdeel 1 en daarbij heeft toegelicht dat het niet in stand kan blijven, dat dit meebrengt “dat (nog) één van de grondslagen komt te ontvallen aan het oordeel van het hof over de situatie vanaf 1983”, en dat ook gelet daarop dat oordeel rechtens onjuist, althans - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt - onbegrijpelijk is.
Het subonderdeel bevat geen klacht onder 53. [157] De klacht onder 54 loopt reeds erop vast dat nu deze voortbouwt op onderdeel 1, dat faalt (zie onder 3.25-3.32 hiervoor), de klacht onder 54 deelt in het lot van onderdeel 1. Ik laat dan nog daar dat de in het subonderdeel bestreden overweging van het hof in rov. 3.25, derde zin van het arrest ten overvloede is gegeven (“Deze uitkomst is bovendien in lijn”, etc.). Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel vangt aan (onder 55) met de stelling dat in het algemeen wordt aangenomen dat statuten moeten worden uitgelegd aan de hand van een min of meer objectieve maatstaf, nu de inhoud van statuten niet alleen van betekenis is voor de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon, maar ook raakt aan de verhouding van de rechtspersoon tot derden, waarmee in verband staat dat de akte van oprichting van de rechtspersoon, die onder meer de statuten bevat, in de vorm van een authentiek afschrift verplicht ten kantore van het handelsregister wordt neergelegd, [158] zodat zij door derden kan worden ingezien. [159] Daaraan voegt het subonderdeel toe (onder 56), samengevat, dat echter erkend is dat voor de uitleg van statuten in bepaalde gevallen een (meer) subjectieve maatstaf is aangewezen [160] en dat het Maagdenhuis c.s. heeft bepleit dat de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval aanleiding zijn voor de toepassing van een dergelijke (meer) subjectieve maatstaf, onder verwijzing naar feiten en omstandigheden, gerangschikt onder (i) t/m (vi), waarop het Maagdenhuis c.s. in dit kader heeft gewezen. [161] Vervolgens klaagt het subonderdeel (onder 57-58) dat het hof in het arrest geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan het betoog dat gelet op deze feiten en omstandigheden in het onderhavige geval geen objectieve maar een (meer) subjectieve maatstaf moet worden toegepast bij de uitleg van “de Statuten” (de statuten van 1983) en dat bij die uitleg daarom doorslaggevend (althans, mede relevant) is, de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan elkaars verklaringen mochten toekennen, maar in plaats daarvan in rov. 3.17 voor de door hem toe te passen maatstaf (zonder meer) aangesloten heeft bij de formulering die doorgaans wordt gehanteerd voor de (meer) objectieve uitleg zoals die ook wordt toegepast bij de uitleg van CAO's [162] en die uitleg in zijn daarop volgende overwegingen ook heeft toegepast: het arrest geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de bij de uitleg van “de onderhavige Statuten” toe te passen maatstaf, althans, niet-toepassing van die maatstaf is in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt - onbegrijpelijk.
Het subonderdeel bevat geen klachten onder 55-56. [163] De klacht onder 57-58 loopt vast op het volgende. De klacht richt zich op rov. 3.17 van het arrest en ’s hofs “daarop volgende overwegingen”, waarin het hof, aldus de klacht, “voor de door hem toe te passen maatstaf (zonder meer)” zou hebben “aangesloten bij de formulering die doorgaans wordt gehanteerd voor de (meer) objectieve uitleg zoals die ook wordt toegepast bij de uitleg van CAO’s” en “die uitleg” ook zou hebben toegepast “in zijn daarop volgende overwegingen”. De klacht komt erop neer dat het hof, aldus oordelende, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de bij de uitleg van de statuten van 1983 toe te passen maatstaf, althans dat niet-toepassing van die maatstaf in het licht van de in het subonderdeel onder 56 beschreven feiten en omstandigheden onbegrijpelijk is, waarbij de klacht, kort gezegd, terugvalt op (het betoog van het Maagdenhuis c.s. inzake) de in het onderhavige geval toe te passen (meer) subjectieve maatstaf bij de uitleg van de statuten van 1983, als bedoeld in het subonderdeel onder 57. De klacht ziet eraan voorbij dat het hof, mede [164] blijkens rov. 3.19, wel degelijk “voor de uitleg van de statuten van 1983” ook oordeelt vanuit, wat het subonderdeel onder 56 noemt, “een (meer) subjectieve maatstaf”, met dien verstande dat naar ’s hofs oordeel aldaar zelfs als voor de uitleg van de statuten van 1983 acht moet worden geslagen op de (schriftelijke) uitlatingen van hen die bij de formulering van de inhoud van deze statuten waren betrokken - zoals kenbaar uit de considerans en de notities en verslagen die in dit geding zijn overgelegd - en op al hetgeen overigens in deze procedure door het Maagdenhuis c.s. naar voren is gebracht, niet kan worden vastgesteld dat art. 1 lid 3 per Pro vergissing in de statuten van 1983 is opgenomen, dat deze bepaling een ander doel dient dan in rov. 3.16 is omschreven, [165] of dat deze bepaling op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing moet worden gelaten, wat het hof vervolgens toelicht in rov. 3.20 e.v. Wat het hof overweegt in rov. 3.17, waarbij het bovendien genuanceerd redeneert langs de lijn van “Weliswaar moet bij de uitleg van art. 1 lid 3 van Pro de statuten ook acht worden geslagen op”, etc., doet hieraan niet af. De klacht gaat derhalve uit van een verkeerde lezing van het arrest, waarmee deze feitelijke grondslag mist en van de daarin bedoelde onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel geen sprake is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel opent (onder 59) met de klacht dat ’s hofs overwegingen in rov. 3.10-3.25 die hem hebben geleid tot het oordeel dat het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel moet worden aangemerkt en dat oordeel zelf in ieder geval rechtens onjuist of - zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt - onbegrijpelijk zijn, in het licht van feiten en omstandigheden, gerangschikt onder (i) t/m (xx), die het Maagdenhuis c.s. heeft aangevoerd voor zijn stelling dat betrokkenen bij de statutenwijziging van 1983 ervan zijn uitgegaan - en hebben gewild - dat het Maagdenhuis een civiele stichting zou zijn en niet een zelfstandig onderdeel. [166] Het subonderdeel vervolgt (onder 60) met te betogen dat deze feiten en omstandigheden er zozeer op wijzen dat betrokkenen bij de wijziging van de statuten in 1983 ervan zijn uitgegaan en hebben gewild dat het Maagdenhuis een civiele stichting zou zijn, dat daarmee niet (althans, niet op begrijpelijke wijze) te verenigen vallen (i) de overwegingen van het hof in rov. 3.10-3.25 die hem hebben geleid tot het oordeel (en ook dat oordeel zelf) dat zij ervan zijn uitgegaan en hebben gewild dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel zou zijn en/of (al helemaal niet) (ii) de overwegingen van het hof in rov. 3.10-3.25 die hem hebben geleid tot het oordeel (en dat oordeel zelf) dat sprake zou zijn geweest van een door hen gemaakte "ondubbelzinnige keuze" voor een zelfstandig onderdeel.
De klacht onder 59-60 loopt vast op het volgende. De vindplaatsen in de gedingstukken zijdens het Maagdenhuis c.s. waarop het subonderdeel wijst, zien op nr. 187 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, [167] aangevuld met de memorie van antwoord, nr. 53 [168] (en nrs. 4, 111, 112), [169] welk nr. 53 weer terugvalt op “[d]e bij CVA geschetste relevante feiten en omstandigheden” (wat betreft de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit (de considerans bij) de statuten van 1983 mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten) en, bezien tegen die achtergrond, “in het bijzonder” de daar onder (i) t/m (xiv) genoemde feiten en omstandigheden uitlicht. Bestudering van deze gedingstukken en hetgeen het hof betrekt in rov. 3.8-3.25 van het arrest (waarbij in het kader van het subonderdeel met name in het oog springen rov. 3.16-3.24 en wat ter zake door het Maagdenhuis c.s. is aangevoerd en het hof is behandeld als daarin bedoeld), leert dat het hof in de genoemde overwegingen, naar blijkt uit diens geenszins onbegrijpelijke samenvattende weergave aldaar van wat ter zake door het Maagdenhuis c.s. is aangevoerd, [170] bij, kort gezegd, de uitleg van de statuten van 1983 (inclusief de considerans daarbij) onder meer respondeert [171] op wat door het Maagdenhuis c.s. is aangevoerd in de door het subonderdeel genoemde stellingen [172] en daarbij vermelde vindplaatsen in de gedingstukken. [173] M.i. kon het hof, gegeven ook:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het onderdeel vangt aan (onder 61-62) met een verkorte weergave van hetgeen het hof volgens het Maagdenhuis c.s. heeft overwogen in rov. 3.46 (op grond van rov. 3.43-3.45) en rov. 3.47, gevoegd bij de stelling dat “[de]ze overwegingen” niet in stand kunnen blijven.
Het subonderdeel vangt aan (onder 63) met verwijzing naar een betoog van het Maagdenhuis c.s. in feitelijke instanties, [181] waarbij is aangevoerd, kort gezegd, dat “de in deze zaak spelende vragen” zien op rechten (van de bisschop om in te grijpen in het Maagdenhuis en meer in het bijzonder om benoemingen van bestuurders te bekrachtigen en bestuurders te ontslaan) die hun grondslag vinden in de statuten van 1983 en mede worden beheerst door de afspraken die partijen daarover in de considerans hebben gemaakt, en die
niethun grondslag vinden in enige regel uit het statuut dat het R.K. Kerkgenootschap beheerst. Volgens het subonderdeel valt “[o]nder meer daarom” niet in te zien dat de kerkelijke rechters bevoegd zouden zijn te oordelen over vragen die rijzen ten aanzien van die rechten of de uitoefening daarvan en evenmin in te zien dat partijen (in beginsel) ((ook) wat betreft de privaatrechtelijke gevolgen) gebonden zouden zijn aan enig oordeel dat kerkelijke rechters daarover zouden uitspreken.
Het subonderdeel klaagt (onder 64) dat het arrest geen juiste of begrijpelijke motivering bevat waarom dit door het Maagdenhuis c.s. gevoerde betoog niet zou opgaan. In het licht van dit betoog zijn volgens het subonderdeel de overwegingen van het hof in rov. 3.46 rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het subonderdeel klaagt verder (onder 65-66) dat voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het Maagdenhuis, enkel omdat het een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is, (mede) geregeerd wordt door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap (daarbij tot uitgangspunt nemend dat een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap steeds (mede) wordt geregeerd door het statuut van dat kerkgenootschap), zijn oordeel rechtens onjuist is. Een zelfstandig onderdeel wordt volgens het subonderdeel geregeerd door zijn eigen statuut, wat ook een specifiek op het zelfstandig onderdeel toegespitst statuut kan zijn. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een zelfstandig onderdeel, hangt af van de omstandigheden van het geval. [182] Het subonderdeel doet voorts (onder 67) een beroep op de vrijheid van inrichting, welke evenals een kerkgenootschap ook een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in beginsel geniet, en, aldus nog steeds het subonderdeel, impliceert dat het Maagdenhuis (tot uitgangspunt nemend dat het een zelfstandig onderdeel is) de vrijheid heeft te kiezen voor een eigen statuut dat specifiek op hem is toegespitst en dat het Maagdenhuis dus niet zomaar (mede) gebonden is aan het statuut van het R.K. Kerkgenootschap. De vrijheid van inrichting van het Maagdenhuis pleit volgens het subonderdeel tegen het oordeel van het hof in rov. 3.46.
Het subonderdeel richt, voor zover het hof het vorenstaande niet heeft miskend maar desondanks heeft geoordeeld dat het Maagdenhuis (mede) wordt geregeerd door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap en daarom in beginsel is gebonden aan de in zijn nadeel gegeven beslissingen in de kerkelijke procedure (ook wat betreft de privaatrechtelijke gevolgen daarvan), motiveringsklachten tegen dat oordeel. In het licht van het door het Maagdenhuis gevoerde betoog, kort gezegd, dat het Maagdenhuis alleen wordt geregeerd door de statuten van 1983 en de considerans (vastgesteld na uitvoerig overleg en met instemming van de bisschop, (uitputtend) de interne verhoudingen en de rol van het bestuur en de bisschop binnen het Maagdenhuis vastleggend) zijnde een specifiek op het Maagdenhuis toegespitst statuut, en dus niet (mede) door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap, is dat oordeel van het hof zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. [183] Het subonderdeel klaagt verder (onder 69) dat althans (in ieder geval) onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is het uitgangspunt dat het Maagdenhuis zou worden geregeerd door
allevan het statuut van het R.K. Kerkgenootschap deel uitmakende regels en daarmee ook van de regels die naar het oordeel van de kerkelijke rechters tot gevolg hebben dat de door partijen in de considerans gemaakt afspraken niet rechtsgeldig zijn. [184] Het hof oordeelt in rov. 3.46 immers dat het Maagdenhuis c.s. in beginsel gebonden is aan de uitspraken van de kerkelijke rechters en in die uitspraken wordt het beroep van het Maagdenhuis c.s. op de in de in de considerans gemaakte afspraken (mede) verworpen met als reden dat zij gelet op de regels van kerkelijk recht niet rechtsgeldig zijn. [185] Het subonderdeel betrekt daarbij, kort gezegd, dat de toenmalige bestuurders en bisschop bij de totstandkoming van de statuten van 1983 van de rechtsgeldigheid van die blijkens de considerans gemaakte afspraken zijn uitgegaan (en daar groot belang aan hebben gehecht), waarmee niet te verenigen zou zijn (a) dat zij de toepasselijkheid hebben aanvaard van tot het statuut van het R.K. Kerkgenootschap behorende regels krachtens welke die (blijkens de considerans) gemaakte afspraken niet rechtsgeldig zouden zijn en/of evenmin (b) dat zij (kunnen worden geacht te) hebben aanvaard (in beginsel) (ook wat de privaatrechtelijke gevolgen betreft) gebonden te zijn aan uitspraken van kerkelijke rechters die ten nadele van het Maagdenhuis c.s. zouden worden gedaan en waarin op grond van die regels zou worden aangenomen dat die afspraken niet geldig zijn.
Het subonderdeel klaagt ten slotte (onder 70) dat ook indien wel tot uitgangspunt zou mogen worden genomen dat het Maagdenhuis (mede) door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap zou worden geregeerd, rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de beslissingen in de kerkelijke procedure bevoegdelijk zijn genomen. Het subonderdeel wijst erop dat het Maagdenhuis c.s. steeds heeft betwist dat de kerkelijke rechters de bevoegdheid hadden te oordelen over de in deze zaak spelende vragen en dat het ook naar voren heeft gebracht dat uit niets blijkt dat zij die bevoegdheid wel zouden hebben. [186] Volgens het subonderdeel motiveert het hof niet waarom uit tot het statuut van het R.K. Kerkgenootschap behorende regels zou volgen dat kerkelijke rechters daartoe wel bevoegd zouden zijn en specificeert het hof ook niet welke regels het dan zou betreffen.
De klachten van het subonderdeel onder 64-70 lenen zich voor gezamenlijke behandeling, gelet ook op het aan dit subonderdeel ten grondslag liggende betoog van het Maagdenhuis c.s. als bedoeld onder 63.
Voor zover de klachten erop zijn gestoeld dat het Maagdenhuis niet een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is in de zin van art. 2:2 BW Pro, falen deze reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof neemt in rov. 3.43 van het arrest immers tot uitgangspunt dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap (en de klachten in de onderdelen 1 en 2 die zijn gericht tegen dat oordeel, falen, zie onder 3.25-3.43 hiervoor). Voor zover de klachten wel tot uitgangspunt nemen dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, trekken deze in twijfel, naar de kern genomen, de door het hof aangenomen bevoegdheid van de kerkelijke rechters om, met inachtneming van kerkelijk (canoniek) recht, te oordelen over vragen die rijzen ten aanzien van het recht van de bisschop om in te grijpen bij het Maagdenhuis en meer in het bijzonder op zijn recht om benoemingen van bestuurders te bekrachtigen en bestuurders te ontslaan, waarbij de statuten van 1983 (en de considerans daarbij) van belang zijn.
Wat het Maagdenhuis c.s. aanvoert in het subonderdeel ziet voorbij aan wat het - gelet ook op art. 2:2 BW Pro - in ieder geval betekent om een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap te zijn, hetgeen volgens het hof, mede gelet op rov. 3.16, blijkens art. 1 lid 3 van Pro de statuten van 1983 een bewuste keuze is geweest, en, mede gelet op rov. 3.43, gevolgen heeft voor de overige in deze zaak te nemen beslissingen. Op grond van art. 2:2 lid 2 BW Pro (zie ook onder 3.2 hiervoor) wordt het Maagdenhuis in beginsel geregeerd door zijn eigen statuut. Het hof overweegt in rov. 3.43 ook dat het Maagdenhuis in beginsel de vrijheid van inrichting geniet, verband houdend met het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat waarop art. 2:2 BW Pro berust. Er kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, sprake zijn van een eigen statuut dat specifiek op het Maagdenhuis is toegespitst; het hof sluit die mogelijkheid (mede) in de bestreden overwegingen ook geenszins uit, integendeel (zie ook onder 3.20 en 3.36 hiervoor). Niet ondenkbaar is verder dat in dat eigen statuut van het Maagdenhuis wordt afgeweken van het geldende canonieke recht voor kerkelijke rechtspersonen (voor zover toegelaten door dat kerkelijk recht). Dit was in casu ook het geval, zoals mede blijkt uit het decreet van de bisschop van 10 juli 2013 (zie onder 1.27 hiervoor). Dat eigen statuut van het Maagdenhuis staat echter niet zonder meer gelijk aan (slechts) de statuten van 1983 en de considerans daarbij, al omvat het deze wel (zie ook rov. 3.4, waar het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is “dat bij een zelfstandig onderdeel in elk geval diens statuten tot het in artikel 2:2 BW Pro bedoelde statuut behoren”). Het Maagdenhuis is als (door het R.K. Kerkgenootschap erkende) kerkelijke rechtspersoon, meer in het bijzonder als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 BW Pro, immers, en nu eenmaal, ook onderworpen aan het toepasselijke kerkelijke (canonieke) recht, waarbij het niet zo is dat geen relevantie kan toekomen aan (hetgeen valt onder) het eigen statuut, en de eigen regels van het R.K. Kerkgenootschap (waarvan het Maagdenhuis dus zelfstandig onderdeel is), en waarmee het niet strookt om dat eigen statuut van het Maagdenhuis te beperken tot (slechts) de statuten van 1983 en de considerans daarbij. [187] Op het Maagdenhuis is, althans uitgaande van de kerkelijke procedure, het kerkelijk recht voor publieke kerkelijke rechtspersonen van toepassing. [188] Het kerkelijk recht is op kerkelijke rechtspersonen, zoals dus het Maagdenhuis, rechtstreeks van toepassing. [189] Dat eigen statuut van het Maagdenhuis (waarmee ook invulling is gegeven aan genoemde, door art. 2:2 BW Pro gedekte inrichtingsvrijheid) wordt dus, ten minste, gevormd door het toepasselijke kerkelijk recht en de statuten van 1983 (inclusief de considerans daarbij), waarbij logischerwijs niet kan worden veronachtzaamd dat het Maagdenhuis zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap (hetgeen het hof ook onderkent, onder meer in rov. 3.45). Dat blijkt ook uit ’s hofs weergave in rov. 3.44 van hetgeen, voor zover relevant, is geoordeeld in de kerkelijke procedure. Dat het bestuurderschap van het Maagdenhuis een kerkelijk ambt is, blijkt immers niet uit de statuten van 1983, maar volgt uit het toepasselijke kerkelijke recht (in het bijzonder de CIC 1983). Dat de benoemingen van bestuursleden ter bekrachtiging aan de bisschop moeten worden voorgelegd, volgt niet uit het toepasselijke kerkelijke recht, maar geldt op grond van art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983.
Het hof kon en mocht aldus tot uitgangspunt nemen, zoals het doet, dat het Maagdenhuis, als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 BW Pro, als kerkelijke rechtspersoon, (mede) via dat eigen statuut van het Maagdenhuis door kerkelijk (canoniek) recht werd (en wordt) geregeerd, gelijk dat gold (en geldt) voor het R.K. Kerkgenootschap als rechtspersoon in de zin van art. 2:2 BW Pro, met een eigen statuut. Dit sluit in dat het hof - terecht - niet ervan uitgaat dat het eigen statuut van het Maagdenhuis wordt gevormd door (slechts) de statuten van 1983 en de considerans daarbij (zoals in essentie betoogd door het Maagdenhuis c.s.), wat een te geïsoleerde, niet met art. 2:2 BW Pro te rijmen benadering zou opleveren. Het hof was, mede bezien tegen deze achtergrond, en gegeven zijn niet-onbegrijpelijke uitleg van de statuten van 1983 in rov. 3.45 (waarover nader onder 3.48 hierna) alsmede het partijdebat, ook niet gehouden nader te motiveren waarom de kerkelijke rechters in het onderhavige geval (vergelijk over een ander geval subonderdeel 3.2 hierna) “krachtens de binnen het R.K. Kerkgenootschap geldende regels” (waarmee het hof kortweg doelt op het, via art. 2:2 BW Pro, ook voor het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, als kerkelijke rechtspersoon, geldende kerkelijke recht) ter zake bevoegd waren (logischerwijs ook om daarbij het vigerende, en waar relevant prevalerende kerkelijke recht te betrekken en toe te passen), laat staan welke specifieke regels dit zou betreffen, uit welke (aldus gegeven) bevoegdheid weer volgt dat het Maagdenhuis c.s. in beginsel aan de ter zake in zijn nadeel gegeven beslissingen gebonden is, zoals bedoeld door het hof in rov. 3.46. Zie in dit verband ook rov. 3.7, specifiek ’s hofs verwijzing naar het vaststaan dat de kerkelijke rechters (in het bijzonder de ‘Congregatie voor de Clerus’ en de ‘Signatura Apostolica’) ter zake beslissingsbevoegdheid konden ontlenen aan het feit dat het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro kan worden beschouwd, welk feit ter beoordeling staat aan de burgerlijke rechter (en het hof vervolgens dus vaststelt in het arrest). Ik betrek daarbij dat het onderhavige geval, kort gezegd, de geldigheid van het benoemingsdecreet van de bisschop van 10 juli 2013 betreft en inhoudelijk gaat over de rechtsgeldigheid van de benoemingen van de zittende bestuurders en van de door de bisschop benoemde nieuwe bestuurders (zie ook rov. 3.44 van het arrest): dit is bij uitstek een interne aangelegenheid in de zin van art. 2:2 lid 2 BW Pro, waarin de burgerlijke rechter (zoals het hof) in beginsel niet bevoegd is en waarop, gegeven het voorgaande, niet slechts de statuten van 1983 en de considerans daarbij van toepassing zijn, maar ook het relevante kerkelijke recht, toe te passen door de daartoe bevoegde kerkelijke rechters. Dat het Maagdenhuis c.s. de bevoegdheid van de kerkelijke rechters heeft betwist, kan daaraan niet afdoen, nu eenmaal vaststaat, zoals dus ook vooropgesteld door het hof in rov. 4.43, dat het Maagdenhuis een kerkelijke rechtspersoon (zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap) is met de gevolgen van dien, mede gelet op art. 2:2 lid 2 BW Pro en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de scheiding tussen kerk en staat (en daarmee verband houdende beginsel van inrichtingsvrijheid). Gelet op het voorgaande is evenmin bepalend of ter zake relevante rechten van de bisschop (slechts) grondslag vinden in de statuten van 1983 (en de considerans daarbij) en was een ander oordeel van het hof evenmin geïndiceerd vanwege stellingen van het Maagdenhuis c.s. omtrent art. 3 AR Pro 1855 dan wel hetgeen “partijen” zouden hebben besproken / afgesproken in het kader van de statutenwijziging van 1983 (en de considerans daarbij), zoals bedoeld in het subonderdeel; uit hetgeen het hof overweegt in onder meer rov. 3.43-3.46, waaronder genoemde vooropstelling in rov. 3.43, volgt dat en waarom dit zo is.
In het licht van dit een en ander moeten stranden de klachten in het subonderdeel onder 64-70: het daarin aangevoerde, ook voor zover dat wel feitelijke grondslag heeft, brengt niet mee dat wat het hof oordeelt in rov. 3.43-3.46 (en, mede daarop voortbouwend, in rov. 3.49) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikend is gemotiveerd. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel doet (onder 71) een beroep op de bedoeling van partijen, [190] die in het bijzonder zou volgen uit art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 en zou meebrengen dat het aan de burgerlijke rechter is om zich over de in deze zaak spelende vragen uit te spreken, niet aan de kerkelijke rechter (ook indien tot uitgangspunt moet worden genomen dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap).
Het subonderdeel verwijst (onder 72) naar het oordeel van het hof in rov. 3.45, waaruit zou volgen dat het hof het (ook) op dit punt niet eens is met het Maagdenhuis c.s.
Het subonderdeel verwijst vervolgens (onder 73) naar het betoog van het Maagdenhuis c.s. dat zich in het onderhavige geval inderdaad niet precies de situatie voordoet die woordelijk in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 is omschreven, maar er feitelijk geen wezenlijk verschil is tussen de situatie als bedoeld in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 en het onderhavige geval. Volgens het subonderdeel valt, kort gezegd, niet in te zien waarom het onderhavige geval wezenlijk verschilt van het geval omschreven in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 en waarom partijen voor een geval als het onderhavige geen waarde zouden hebben gehecht aan de objectiviteit van de burgerlijke rechter. [191] Het subonderdeel klaagt (onder 74) dat het hof niet (althans: niet kenbaar) op dit betoog van het Maagdenhuis c.s. is ingegaan, waardoor zijn oordeel over de bedoeling van partijen in rov. 3.45 en de daarop voortbouwende overwegingen in rov. 3.46 rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.
Het subonderdeel vervolgt (onder 75-77) met twee mogelijke lezingen van het oordeel van het hof. Voor zover het hof van oordeel is geweest dat dit betoog niet relevant is, omdat voor de uitleg van art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 alleen de daarin opgenomen bewoordingen relevant zijn, is zijn oordeel rechtens onjuist (onder 75-76). [192] Het oordeel van het hof is ook rechtens onjuist, voor zover moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval een meer objectieve uitleg aangewezen zou zijn (onder 77). [193] Het subonderdeel klaagt ten slotte (onder 78) dat in beide gevallen - “dus zowel indien de (meer) subjectieve variant van de Haviltex-maatstaf toepasselijk is als indien een (meer) objectieve maatstaf zou moeten worden toegepast” - het hof, behalve het hiervoor weergegeven betoog van het Maagdenhuis c.s. (zie onder 73), in ieder geval (mede) in aanmerking had moeten nemen de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende interpretaties zouden leiden. [194] Het hof heeft ook dat volgens het subonderdeel niet (kenbaar) gedaan (dit ondanks het feit dat het hof in rov. 3.17 erkent dat het dat (in ieder geval) wel diende te doen bij de uitleg van art. 1 lid 3 van Pro de statuten van 1983), hetgeen een (zelfstandige) reden vormt waarom zijn oordeel rechtens onjuist althans, zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel is in dit verband van belang dat in de kerkelijke uitspraken is bepaald dat de in de considerans gemaakt afspraken niet rechtsgeldig zijn. [195] Volgens het subonderdeel is het (volstrekt) onaannemelijk dat dit gevolg in overeenstemming is met de bedoeling van partijen: zij hebben immers uitgebreid over de inhoud van de considerans overlegd en daar een groot gewicht aan toegekend. [196]
Het subonderdeel bevat geen klachten onder 71-72. [197] Voor de klacht onder 73 is het van belang duidelijk te maken wat wordt bedoeld met het onderhavige geval en met de situatie als bedoeld in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983. Het onderhavige geval wordt door het hof mede beschreven in rov. 3.44 van het arrest (zie ook rov. 2.27-2.28), onder verwijzing naar het benoemingsdecreet van de bisschop van 10 juli 2013, dat in de kerkelijke procedure tot in de hoogste instantie stand heeft gehouden. De bisschop beroept zich op art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 op grond waarvan benoemingen van bestuurders van het Maagdenhuis aan hem ter bekrachtiging dienen te worden voorgelegd, hetgeen niet is gebeurd bij de benoemingen van de zittende bestuurders, en voert aan dat het ontbreken van die bekrachtiging tot gevolg heeft dat de zittende bestuurders het bestuurderschap van het Maagdenhuis - een kerkelijk ambt - niet hebben verkregen. Aldus is er geen bestuur van het Maagdenhuis en komt aan de bisschop op grond van art. 3 lid 8 van Pro de statuten van 1983 de bevoegdheid toe nieuwe bestuurders te benoemen. Zie ook onder 1.24 en 1.27 hiervoor.
Het geval van art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 heeft betrekking op ongevraagd ontslag van het bestuur in geval van wanbeleid. Deze bevoegdheid is aan de bisschop verleend “uitsluitend indien daartoe naar objectief oordeel in een bepaald geval wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan”. Art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 verwijst naar de burgerlijke rechter “[b]ij meningsverschil met het bestuur over de vraag of de Bisschop in een bepaald geval terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt”. Zie ook onder 1.24 hiervoor.
Dat, kort gezegd, niet valt in te zien dat het onderhavige geval en het geval van art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 wezenlijk verschillen, zoals wordt geklaagd onder 73, kan ik niet volgen. Het ontbreken van de bekrachtiging van de bestuursbenoemingen door de bisschop als bedoeld in art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 leidt immers ertoe dat de bestuurders het kerkelijk ambt niet hebben verkregen (zij zijn nooit kerkelijk ambtsdrager geworden), terwijl het geval van art. 3 lid 6 van Pro de statuten ertoe zou kunnen leiden dat een - rechtsgeldig benoemde - bestuurder op enig moment, uitsluitend wegens wanbeleid, door de bisschop kan worden ontslagen. Overigens is ook gesteld noch gebleken dat wegens wanbeleid een dringende reden zou bestaan voor de bisschop om een of meer bestuurders te ontslaan. Op die grond kon de bisschop dus in het onderhavige geval ook geen bestuurder(s) ontslaan. Er bestaat in werkelijkheid dus wel degelijk verschil tussen beide gevallen. Dat beide gevallen feitelijk tot een (niet on)vergelijkbaar gevolg zouden (kunnen) leiden, aldus dat zittende bestuurders geen bestuurders zijn althans (na ontslag) meer zijn, doet hieraan niet af. Ik wijs er verder nog op dat bevoegdheid van de burgerlijke rechter in het onderhavige geval ook minder voor de hand zou liggen dan in het geval als bedoeld in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983. De burgerlijke rechter is in staat te toetsen of de bisschop in een bepaald geval terecht van zijn marginaal toetsingsrecht gebruik heeft gemaakt, zoals bedoeld in deze bepaling. Voor de vraag of een kerkelijk ambt rechtsgeldig is verkregen, waaraan art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 raakt, ligt dat - mede gelet op de scheiding tussen kerk en staat, waarop het hof ook wijst in rov. 3.43 - anders. Het is ook niet voor niets dat het hof in rov. 3.44 benadrukt (dat tussen partijen niet in geschil is) dat tot aan “de hoogste kerkelijke rechter” is geprocedeerd over herroeping van het decreet van 10 juli 2013, welke herroeping daarin door het Maagdenhuis c.s. is verzocht maar tot aan die hoogste kerkelijke rechter tevergeefs, in welke kerkelijke procedure (waarmee het hof doelt op de in rov. 2.28 weergegeven beslissingen), naar het hof als onbetwist respectievelijk niet of onvoldoende weersproken vaststelt, is beslist dat het benoemingsdecreet van de bisschop geldig is en is geoordeeld dat het bestuurderschap van het Maagdenhuis een kerkelijk ambt is, dat de benoemingen van de bestuursleden op grond van art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 ter bekrachtiging door de bisschop aan hem dienden te worden voorgelegd, dat dit niet is gebeurd en dat het ontbreken van bekrachtiging door de bisschop tot gevolg heeft “dat (thans) geïntimeerden sub 2, 3 en 5” dat ambt niet hebben verkregen.
Naar hieruit volgt, kon het hof, zoals het doet in rov. (3.44-)3.45, de in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 bedoelde situatie onderscheiden van het onderhavige geval dat bestreken wordt door art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983, waarin die situatie zich niet voordoet en waarvoor uit de statuten van 1983, met inbegrip van art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983, niet blijkt (van de partijbedoeling ten tijde van de statutenwijziging van 1983) dat een dergelijk geval (uitsluitend) aan de burgerlijke rechter zou kunnen worden voorgelegd (wat dus wel, en alleen, is geregeld in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 voor de daarin bedoelde, van het onderhavige geval te onderscheiden, situatie). Ik wijs erop dat het hof daarbij betrekt dat een dergelijke partijbedoeling niet uit de statuten blijkt, ook niet indien die wordt uitgelegd tegen de achtergrond van hetgeen in de considerans daarbij is vermeld (geciteerd in rov. 2.24, waarover ook rov. 2.25), alsmede dat de notulen van de vergadering van 1 december 1981 (geciteerd in rov. 2.22, waarover ook rov. 2.23) noch hetgeen het Maagdenhuis c.s. verder naar voren heeft gebracht (zie ook de slotzin van de klacht onder 73) nopen tot een ander oordeel, hetgeen m.i. niet als rechtens onjuist of onbegrijpelijk valt aan te merken.
Dat het hof in rov. 3.45 niet (althans: niet kenbaar) op dit betoog van het Maagdenhuis c.s. ingaat, zoals het subonderdeel onder 74 klaagt, berust op een verkeerde lezing van het arrest en faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof overweegt daar immers, zoals gezegd, dat het het betoog van het Maagdenhuis c.s. (“zoals het Maagdenhuis c.s. stelt”) dat uit de partijbedoeling ten tijde van de statutenwijziging van 1983 volgt dat dit soort geschillen (uitsluitend) aan de burgerlijke rechter zouden kunnen worden voorgelegd, niet volgt. Volgens het hof blijkt een dergelijke partijbedoeling niet uit de statuten van 1983, ook niet indien die worden uitgelegd tegen de achtergrond van hetgeen in de considerans daarbij is vermeld, waarbij het hof ook wijst op het verschil met het geval van art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 (alleen daarin wordt naar de burgerlijke rechter verwezen), welke “situatie zich hier niet voor[doet]”, en op de notulen van de vergadering van 1 december 1981 alsmede op hetgeen het Maagdenhuis c.s. verder naar voren heeft gebracht. Daarmee respondeert het hof dus wel degelijk, en kenbaar (alsmede, zoals gezegd, afdoende), op dit betoog van het Maagdenhuis c.s., anders dan de klacht onder 74 veronderstelt.
Uit rov. 3.45 blijkt, zoals gezegd, dat het hof voor de uitleg van art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 niet uitsluitend let op de daarin opgenomen bewoordingen (een zuiver taalkundige uitleg van die bepaling hanteert). Het hof geeft ook een (meer) subjectieve uitleg aan die bepaling door (oog te hebben voor hetgeen omtrent de partijbedoeling ten tijde van de statutenwijziging van 1983 is aangevoerd en) de bewoordingen in de statuten van 1983 uit te leggen “tegen de achtergrond van hetgeen in de considerans is vermeld”, alsmede ook acht te slaan op “[d]e notulen van de vergadering van 1 december 1981” en op “hetgeen het Maagdenhuis c.s. verder naar voren heeft gebracht” (vergelijk, over de uitleg van art. 1 lid 3 van Pro de statuten van 1983, onder 3.40 hiervoor). De klacht onder 75 ziet hieraan voorbij. Evenmin is dan ook sprake van een miskenning door het hof dat het niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van die bepaling, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling in de statuten mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, noch van een oordeel van het hof dat in het onderhavige geval een meer objectieve maatstaf toepasselijk zou zijn, zoals bedoeld in de klacht onder 76. Met het voorgaande valt ook de bodem weg onder de verwijzing in de klacht onder 76 naar de klachten in subonderdeel 2.3, alsmede onder de klacht onder 77, wat, gegeven dat voorgaande, geen verdere toelichting behoeft.
Tot slot nog de klacht onder 78. Ook deze klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest en faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. De achterliggende gedachte om te verwijzen naar de burgerlijke rechter ingeval van ongevraagd ontslag door de bisschop wegens wanbeleid als bedoeld in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 (alleen daarin wordt verwezen naar de burgerlijke rechter, aldus het hof in rov. 3.45) blijkt uit de considerans daarbij, zoals geciteerd in rov. 2.24: “bij ontbreken van een daartoe bevoegde kerkelijke rechter in de Nederlandse Rooms Katholieke Kerkprovincie” (zie ook onder 1.24 hiervoor). In het onderhavige geval, voor de vraag of de zittende bestuurders hun kerkelijk ambt in verband met het ontbreken van de bekrachtiging door de bisschop als bedoeld in art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 rechtsgeldig hebben verkregen, is er juist wel een bevoegde kerkelijke rechter, zoals het hof in rov. 3.45, eerste zin, volgend op rov. 3.44 (waarover hiervoor), ook constateert: “De beslissingen in de kerkelijke procedure zijn genomen door de - krachtens de binnen het R.K. Kerkgenootschap geldende regels - bevoegde lichamen.” Bezien tegen deze achtergrond zou het dus, zo volgt uit ’s hofs oordeel ter zake, niet aannemelijk zijn om de burgerlijke rechter met deze vraag te belasten (via een daartoe strekkende uitleg van de statuten van 1983). Aldus volgt uit ’s hofs oordeel in rov. 3.43-3.45 (waarop rov. 3.46, mede over “de beslissingen in de kerkelijke procedure”, voortbouwt), te lezen ook in het licht van rov. 2.22-2.25, afdoende kenbaar dat het hof daarbij wel degelijk (mede) in aanmerking neemt de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (naast ook de elders in de statuten gebruikte formuleringen, waarover rov. 3.45). Dit ligt tevens in het logisch verlengde van rov. 3.17, waarin het hof ervan blijk geeft een dergelijke aannemelijkheid (ook) reeds (mede) in aanmerking te nemen ten aanzien van art. 1 lid 3 van Pro de statuten van 1983. Van een rechtens onjuist althans onbegrijpelijk oordeel van het hof is dan ook, anders dan de klacht onder 78 aanvoert, geen sprake. Dat in de kerkelijke uitspraken is bepaald dat de in de considerans bij de statuten van 1983 gemaakte afspraken naar kerkelijk recht niet rechtsgeldig (
contra legem) zijn, [198] laat het voorgaande onverlet, nu het gevoerd zijn van de kerkelijke procedure in 2013-2016 en de uitkomst daarvan, specifiek genoemd oordeel, naar de aard niet afdoen aan de (door het hof dus onderkende) logica van de gemaakte keuze ten tijde van de statutenwijziging van 1983 (blijkens de considerans daarbij) om in de statuten van 1983 wel te verwijzen naar de burgerlijke rechter voor de in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 bedoelde situatie (alleen daarin wordt naar de burgerlijke rechter verwezen, aldus het hof in rov. 3.45), en niet voor het geval waarop art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 ziet (welk geval, gelijk die situatie, ook los staat van de te onderscheiden vraag of de in de considerans bij de statuten van 1983 gemaakte afspraken rechtsgeldig zijn), waarbij partijen er in ’s hofs redenering (zie bijv. rov. 3.16, 3.19 en 3.22, mede over de daar bedoelde bewuste keuze) destijds logischerwijs van zijn uitgegaan dat hetgeen in de considerans is opgenomen (ook) in lijn was met kerkelijk recht. [199] Hierop stuit het subonderdeel af.
Het onderdeel geeft eerst (onder 79) weer wat het hof in rov. 3.47 zou hebben overwogen.
Het onderdeel wijst vervolgens (onder 80) op hetgeen het Maagdenhuis c.s. in feitelijke instanties in dit verband in het bijzonder heeft aangevoerd, erop neerkomend dat bij toetsing van het besluit van de bisschop aan de redelijkheid en billijkheid van belang is wat de oorsprong en het doel waren van zijn in de statuten van 1983 opgenomen bevoegdheden en dat daarvoor beslissend is wat in de considerans daarbij is bepaald, waarbij het Maagdenhuis c.s. het belang van die considerans keer op keer centraal heeft gesteld voor de beoordeling van het optreden van de bisschop en heeft gesteld dat de wijze waarop de bisschop zijn bevoegdheden wenst in te zetten lijnrecht indruist tegen de daaruit blijkende bedoelingen die partijen ten tijde van de statutenwijzigingen hadden (na tientallen jaren van stilzitten wenst de bisschop zijn benoemingsbevoegdheid, die evident niet met dat doel is verstrekt, in te zetten om de feitelijke en juridische macht in het Maagdenhuis over te nemen). [200] Het onderdeel klaagt (onder 81) dat in het licht van dit betoog het onder 79 beschreven oordeel van het hof in rov. 3.47 niet in stand kan blijven. Het onderdeel wijst erop dat in de kerkelijke uitspraken het litigieuze besluit van de bisschop wordt bevestigd, terwijl, uitgaande van dit betoog, dat het hof niet (zelf) heeft verworpen, (a) dit besluit lijnrecht in strijd is met de bedoelingen van partijen die zij in het bijzonder blijkens de considerans jegens elkaar hebben afgesproken, (b) de bisschop elke bevoegdheid voor zijn optreden mist en (c) hij zijn bevoegdheden misbruikt door het huidige bestuur (
de facto) te ontslaan en er zijn eigen bestuur voor in de plaats te stellen. [201] Volgens het onderdeel is gelet daarop de binding aan de uitspraken van de kerkelijke rechters (waarin dat besluit van de bisschop wordt bevestigd) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het onderdeel voert aan dat het hof dit heeft miskend en dat zijn oordeel daarom onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is.
Het onderdeel vervolgt met de klacht (onder 82) dat voor zover in rov. 3.47 besloten ligt dat de kerkelijke rechters hierover “slechts” anders zouden hebben geoordeeld, dat oordeel, zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen in de uitspraken van de kerkelijke rechters is overwogen. Daarin hebben zij namelijk in het bijzonder niet geoordeeld (a) dat de uitoefening van de bevoegdheden door de bisschop wél in lijn zou zijn met de uit de considerans blijkende bedoelingen van partijen en/of (in ieder geval niet) (b) dat die uitoefening daarmee niet in strijd zou zijn. Eerder het tegendeel is het geval, aldus nog steeds het onderdeel. Het onderdeel gaat vervolgens (onder 83-84) in op de inhoud van de kerkelijke uitspraken, [202] hetgeen (onder 84) nog leidt tot de klacht dat het hof miskent dat de kerkelijke rechters niet verwerpen het betoog van het Maagdenhuis c.s. dat het besluit van de bisschop lijnrecht in strijd is met de afspraken die blijkens de considerans zijn gemaakt, maar dat zij het beroep van het Maagdenhuis c.s. op die afspraken verwerpen, omdat die afspraken naar hun oordeel naar kerkelijk recht niet rechtsgeldig zouden zijn. Het oordeel van het hof dat de gebondenheid aan de kerkelijke uitspraken niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is ook als gevolg daarvan onjuist, althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het onderdeel bevat geen klachten onder 79-80. [203] Rov. 3.47 van het arrest staat in de sleutel van rov. 3.46. In rov. 3.46 komt het hof tot de slotsom dat de in beginsel gebondenheid van het Maagdenhuis c.s. aan de in zijn nadeel gegeven beslissingen in de kerkelijke procedure (ook wat betreft de privaatrechtelijke gevolgen van die beslissingen) - hetgeen dus, kort gezegd, inhoudt dat het benoemingsdecreet geldig is, dat de benoemingen van de zittende bestuurders ongeldig zijn en dat de nieuwe bestuurders hun ambt rechtsgeldig hebben verkregen - slechts kan worden aangetast indien het Maagdenhuis c.s. aantoont dat de gebondenheid aan die kerkelijke beslissingen in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In rov. 3.47 oordeelt het hof dat het Maagdenhuis c.s. hiertoe onvoldoende heeft gesteld. [204] Uit rov. 3.47, waarin het hof ingaat op de inhoud van de beslissingen in de kerkelijke procedure, volgt dat het hof onderkent dat de in rov. 3.46 bedoelde maatstaf ‘onaanvaardbaar’ hier betekent dat alleen bij ernstige gebreken in die beslissingen afgedaan kan worden aan de door het hof in rov. 3.46 bedoelde in beginsel-gebondenheid van het Maagdenhuis c.s. aan die in zijn nadeel gegeven beslissingen. Daarvan is geen sprake indien de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden, maar eerst indien de beslissende persoon (instantie), alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot de desbetreffende beslissing heeft kunnen komen; dit betreft een marginale toetsing, zoals ook volgt uit het Hoge Raad-arrest (inzake het beheer van kerkelijke goederen) dat het hof noemt in rov. 3.46. [205] In het kader van art. 7:904 lid 1 BW Pro, waarbij het hof dus aansluiting zoekt in rov. 3.46, wordt verder wel aangenomen dat de enkele omstandigheid dat een beslissing in strijd is met dwingend recht, maar niet met de goede zeden of de openbare orde, haar nog niet onaanvaardbaar maakt. [206] ’s Hofs overwegingen in rov. 3.47, volgend op de genoemde vaststelling in rov. 3.47, eerste zin (“Hiertoe heeft het Maagdenhuis c.s. echter onvoldoende gesteld”), laten zich aldus verstaan:
de facto) te ontslaan en er zijn eigen bestuur voor in de plaats te stellen (rov. 3.47, zesde zin);
Sub (a) spreekt voor zich: dat sprake is van strijd met dwingend Nederlands privaatrecht, zoals het Maagdenhuis c.s. stelt met verwijzing naar een opinie van [betrokkene 9], heeft het Maagdenhuis c.s. onvoldoende onderbouwd. Bij sub (b) doelt het hof wat betreft schending van genoemde voorschriften erop dat zo daarvan al sprake zou zijn geweest met de beslissingen in de kerkelijke procedure (wat dus niet voldoende door het Maagdenhuis c.s. is onderbouwd, zie sub (a)), het hier hooguit zou gaan om (schending van) voorschriften van Nederlands privaatrecht met een dwingendrechtelijk karakter, wat zonder meer nog niet meebrengt dat gebondenheid aan die beslissingen in verband met de inhoud van die beslissingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het subonderdeel klaagt hierover niet. Bij sub (b), (c) en (d) doelt het hof wat betreft verwerping van genoemde stellingen erop dat verwerping van genoemde stellingen door de kerkelijke rechters zonder meer nog niet meebrengt dat gebondenheid aan de beslissingen in de kerkelijke procedure in verband met de inhoud van die beslissingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, nu daarvan eerst sprake is als de kerkelijke rechters in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen, wat niet aannemelijk is geworden: in díe zin hebben zij over genoemde stellingen “slechts anders” geoordeeld, door, gegeven genoemde beslissingen, deze stellingen niet te honoreren (daarin niet mee te gaan) en aldus (impliciet) te verwerpen. Het subonderdeel klaagt hierover wel, onder 81-84, maar zonder succes.
De klacht onder 81 stelt in essentie een feitelijke herbeoordeling van de door het hof in rov. 3.47 verrichte redelijkheidstoets (marginale toets), in het licht van het betoog van het Maagdenhuis c.s. zoals weergeven onder 80, aan de orde. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Daarbij wijs ik erop dat wat het hof in rov. 3.47 aan genoemde stellingen van het Maagdenhuis c.s. onderkent en betrekt, strookt met wat de klacht onder a t/m c aan stellingen van het Maagdenhuis c.s. aanvoert (voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist deze feitelijke grondslag), alsmede dat de klacht verder ook niet uiteenzet, los van die opsomming onder a t/m c, waarom het hof in het licht daarvan niet kon oordelen zoals het doet, zoals hiervoor weergegeven onder sub (b), (c) en (d). Het moge duidelijk zijn dat de klacht hierop vastloopt. De klacht onder 82 ziet eraan voorbij dat het hof, zoals hiervoor uiteengezet, met rov. 3.47, zevende zin (“slechts anders”, etc.), kort gezegd, tot uitdrukking brengt dat het niet honoreren en aldus (impliciet) verwerpen door de kerkelijke rechters van genoemde stellingen, gegeven genoemde beslissingen (waarin zij dus niet zijn meegegaan in die stellingen, wat logischerwijs ook omvat hetgeen in de klacht onder 81 wordt aangevoerd onder a, waarop weer aansluit wat in de klacht onder 82 wordt opgemerkt onder a en/of b, wat telkens draait om het door het Maagdenhuis c.s. gedane beroep op de desbetreffende bedoelingen/afspraken), een marginale toetsing kan doorstaan, nu niet aannemelijk is geworden dat de kerkelijke rechters in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen. Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist deze feitelijke grondslag. Voor zover de klacht aanvoert dat onbegrijpelijk is ’s hofs duiding van verwerping door de kerkelijke rechters van (of het door hen anders oordelen over) hetgeen in de klacht onder 81 wordt aangevoerd onder a, waarop weer aansluit wat in de klacht onder 82 wordt opgemerkt onder a en/of b, strandt de klacht erop dat zo’n duiding, zonder nadere motivering, ook afdoende kan dekken (en dekt) het niet honoreren van deze stelling zonder dat daarbij door de kerkelijke rechters “in het bijzonder” is “geoordeeld” wat in de klacht onder 82 wordt opgemerkt onder a en/of b (waarvan het hof dus niet uitgaat in rov. 3.47 of elders); [208] genoemde beslissingen maken hoe dan ook duidelijk dát de kerkelijke rechters in deze stelling van het Maagdenhuis c.s. niet zijn meegegaan, deze aldus (impliciet) verwerpend, zoals het hof dus oordeelt. Hiermee is ook gegeven dat het vervolg onder 83 en de klacht onder 84 niet tot een andere uitkomst leiden, nu van de daarin bedoelde miskenning door het hof geen sprake is, en daarmee evenmin van de daarin bedoelde onjuistheid of onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel.
Hierop stuit het onderdeel af.
Het onderdeel geeft eerst (onder 85-89) weer wat het hof aldaar zou hebben overwogen. Het onderdeel bevat vervolgens vier klachten tegen dit weergegeven oordeel van het hof.
Het onderdeel klaagt
ten eerste(onder 90) dat rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is ’s hofs overweging dat bij de beoordeling van de reconventionele vordering sprake is van een kwestie die in beginsel binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost (en dus ook het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat het, voor de beoordeling van die kwestie als burgerlijke rechter, voor zichzelf geen taak ziet weggelegd). Het hof miskent dat een zelfstandig onderdeel enerzijds en een kerkgenootschap waarvan dat zelfstandig onderdeel deel uitmaakt anderzijds, twee van elkaar te onderscheiden rechtspersonen zijn en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut. Het feit dat het Maagdenhuis (volgens het hof) een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap, impliceert niet, althans niet zonder meer, dat het Maagdenhuis (mede) wordt geregeerd door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap. Het hof heeft het betoog van het Maagdenhuis dat het door een eigen statuut wordt geregeerd, gevormd door de statuten van 1983 en de considerans daarbij, en niet door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap, [209] niet (althans: niet kenbaar) verworpen, zodat in cassatie van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dit brengt volgens het onderdeel reeds mee dat het oordeel van het hof in rov. 3.47 van het arrest (bedoeld zal zijn rov. 3.52) niet in stand kan blijven.
Voor zover het hof van oordeel is geweest dat het Maagdenhuis mede door het statuut van het R.K. Kerkgenootschap wordt geregeerd, kan dat oordeel volgens het onderdeel (onder 91), gelet op subonderdeel 3.1, niet in stand blijven.
Het onderdeel klaagt
ten tweede(onder 92) dat het hof miskent dat de gevraagde verklaringen voor recht zien op de betekenis van bepalingen die in de statuten van 1983 zijn opgenomen en dat die bepalingen mede moeten worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van hetgeen in de considerans daarbij is vermeld. Die bepalingen vinden volgens het onderdeel niet hun grondslag in enige regel uit het statuut van het R.K. Kerkgenootschap. [210] Ook in het licht daarvan is rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat de beoordeling van de reconventionele vordering een kwestie zou betreffen die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap zou moeten worden opgelost en (in beginsel) niet door de burgerlijke rechter.
Het onderdeel klaagt
ten derde(onder 93) dat het hof miskent dat de gevorderde verklaringen voor recht zien op vragen die sterk samenhangen met hetgeen in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 is bepaald en dat ervoor is gekozen om meningsverschillen daarover door de burgerlijke rechter te laten beoordelen. [211] Gelet daarop is het volgens het onderdeel in overeenstemming met de bedoeling van partijen om ook die verklaringen voor recht door de burgerlijke rechter te laten beoordelen. Ook in het licht daarvan is rechtens onjuist, althans zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat de beoordeling van de reconventionele vordering een kwestie zou betreffen die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap zou moeten worden opgelost en (in beginsel) niet door de burgerlijke rechter.
Het onderdeel klaagt
ten slotte(onder 94) dat het hof de taak van de burgerlijke rechter als restrechter miskent, omdat het niet heeft vastgesteld dat een andere rechter zich over de reconventionele vordering zou kunnen uitspreken. Indien in het arrest het oordeel besloten zou liggen dat deze vordering door de kerkelijke rechters beoordeeld zou kunnen worden, is ook dat oordeel onjuist althans zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Er is volgens het onderdeel geen aanwijzing dat enige kerkelijke rechter bevoegd of in staat zou zijn een dergelijke beoordeling te verrichten, en het hof heeft ook niet vastgesteld dat een dergelijke aanwijzing er wel zou zijn.
Het onderdeel bevat geen klachten onder 85-89. [212] De klacht onder 90 berust op een verkeerde lezing van het arrest en faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof in rov. 3.52 van het arrest dat sprake is van in beginsel een kwestie “die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost” impliceert niet dat het hof onvoldoende onderscheid maakt tussen het Maagdenhuis, als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, en het R.K. Kerkgenootschap. Dat doet het hof door het arrest heen juist wel. Het hof verwijst in dit verband in rov. 3.52 naar het bepaalde in art. 2:2 BW Pro. Naar ik aanneem, doelt het hof hier op art. 2:2 lid 2 BW Pro, waaruit kort gezegd volgt dat een kerkgenootschap en een zelfstandig onderdeel daarvan in beginsel worden geregeerd door hun eigen statuut, waarop het hof ook wijst in rov. 3.3-3.4 (zie ook onder 3.2 hiervoor). Het hof was niet gehouden in rov. 3.52 nog weer nader in te gaan op wat hier dat eigen statuut van het Maagdenhuis precies inhield (inhoudt), maar kon volstaan met de constatering dat op het terrein van de verdeling van de taken en bevoegdheden van de bestuurders van het Maagdenhuis en de bisschop (hetgeen betreft de organisatiestructuur en het interne functioneren van het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, wat valt onder dat statuut) in beginsel geen taak is weggelegd voor de burgerlijke rechter (zoals het hof). Dit oordeel van het hof sluit aan bij rov. 3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2019, waarop het hof ook wijst in rov. 3.4 (zie ook onder 3.22 hiervoor). Daarbij betrek ik nog dat, waar de klacht aanvoert dat het daar bedoelde betoog van het Maagdenhuis c.s. (kort gezegd: dat het Maagdenhuis door een eigen statuut wordt geregeerd, dat (slechts) wordt gevormd door de statuten van 1983 en de considerans daarbij) niet (althans, niet kenbaar) door het hof is verworpen, zodat in cassatie daarvan moet worden uitgegaan, de klacht tevens berust op een verkeerde lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist. Zoals mede volgt uit de behandeling van subonderdeel 3.1, onder 3.46 hiervoor, blijkt uit het arrest juist wel, en kenbaar, dat het hof dit betoog van het Maagdenhuis c.s. verwerpt (aldus dat het Maagdenhuis in beginsel wordt geregeerd door een eigen statuut, dat evenwel, gezien ook art. 2:2 BW Pro, meer omvat dan (slechts) de statuten van 1983 en de considerans daarbij). Gelet op dit een en ander is geen sprake van een rechtens onjuist of onbegrijpelijk oordeel van het hof zoals bedoeld in de klacht.
De klacht onder 91 bouwt voort op subonderdeel 3.1, dat faalt, en deelt in het lot daarvan (zie onder 3.46 hiervoor).
De klacht onder 92 faalt eveneens. Het hof oordeelt in rov. 3.52 dat het gaat om een kwestie die wordt beheerst door het eigen statuut van het Maagdenhuis in de zin van art. 2:2 lid 2 BW Pro, en draait om zijn organisatiestructuur en interne functioneren als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, meer precies om onderwerpen, verband houdend met de statuten van 1983 (en de considerans daarbij), op het terrein van de verdeling van de taken en bevoegdheden van de bestuurders van het Maagdenhuis en de bisschop. Het hof stelt in rov. 3.4 al voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat bij een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro (en volgens het hof is het Maagdenhuis dus zo’n zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap) in elk geval diens statuten behoren tot het in art. 2:2 lid 2 BW Pro bedoelde statuut, wat hier betekent dat de statuten van 1983 (en de considerans daarbij) dus in elk geval behoren tot het eigen statuut van het Maagdenhuis in de zin van laatstgenoemde bepaling, als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap. Uit rov. 3.3 volgt reeds dat het Maagdenhuis, als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, dus als rechtspersoon in de zin van art. 2:2 lid 1 BW Pro, blijkens art. 2:2 lid 2 BW Pro niet wordt geregeerd door het civiele recht maar door zijn eigen statuut (wat insluit: het toepasselijke kerkelijk recht), voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit rov. 3.43 volgt reeds dat art. 2:2 lid 2 BW Pro berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat, wat betekent dat het Maagdenhuis in beginsel de vrijheid van inrichting geniet. Ik betrek verder nog dat, zoals ook gememoreerd in het kader van de behandeling van klachten onder 90-91 hiervoor, het hof in het arrest verwerpt het betoog van het Maagdenhuis c.s. dat het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap wordt geregeerd door een eigen statuut, dat (slechts) wordt gevormd door de statuten van 1983 en de considerans daarbij. Dit een en ander laat reeds zien dat wat de klacht aanvoert, niet meebrengt dat ’s hofs bestreden oordeel (dus, kort gezegd, dat de beoordeling van de reconventionele vordering een kwestie zou betreffen die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap zou moeten worden opgelost) rechtens onjuist of onbegrijpelijk is.
De klacht onder 93 stuit af op hetgeen het hof reeds beslist in rov. 3.45, waarmee ’s hofs oordeel in rov. 3.52 in lijn ligt. De tegen dat oordeel in rov. 3.45 gerichte klachten treffen geen doel (zie onder 3.44-3.49 hiervoor). Uit rov. 3.45 volgt reeds, kort gezegd, dat het hof het Maagdenhuis c.s. niet volgt in het standpunt dat het de partijbedoeling was ten tijde van de statutenwijziging van 1983 dat het soort geschillen zoals daar door het hof bedoeld (uitsluitend) aan de burgerlijke rechter zouden kunnen worden voorgelegd en dat volgens het hof art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983, welke bepaling ziet op ongevraagd ontslag door de bisschop wegens wanbeleid en de enige bepaling is waarin naar de burgerlijke rechter wordt verwezen, een situatie betreft die zich in het onderhavige geval niet voordoet. ’s Hofs oordeel in rov. 3.52, dat (eveneens) betrekking heeft op van die in art. 3 lid 6 van Pro de statuten van 1983 bedoelde situatie te onderscheiden onderwerpen, [213] strookt daarmee, wat laat zien dat, naar besloten ligt in rov. 3.52, het hof niet ervan uitgaat dat het in overeenstemming is met de bedoeling van partijen ook de in de klacht bedoelde verklaringen voor recht door de burgerlijke rechter te laten beoordelen (het hof gaat immers ervan uit dat dit, gelet op art. 2:2 BW Pro, in beginsel een kwestie is “die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost”), alsmede dat dit rechtens onjuist noch onbegrijpelijk is, anders dan de klacht aanvoert.
Tot slot: van miskenning door het hof van de taak van de burgerlijke rechter als restrechter, zoals het onderdeel onder 94 naar de kern genomen nog klaagt, is evenmin sprake. Het hof overweegt in rov. 3.52 dat het hier gelet op het bepaalde in art. 2:2 (lid 2) BW een kwestie betreft die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost. Uit de daaraan voorafgaande overwegingen, tegen welke achtergrond rov. 3.52 moet worden bezien, volgt dat er volgens het hof (ten minste een aanwijzing is dat) een andere rechter dan de civiele rechter zich over de reconventionele vordering zou kunnen uitspreken, want enige kerkelijke rechter bevoegd of in staat is om deze kwestie te beoordelen. In de kerkelijke procedure, waarop het hof onder meer wijst in rov. 2.28 en 3.44-3.49, is immers al, onder meer en kort gezegd, “door de - krachtens de binnen het R.K. Kerkgenootschap geldende regels - bevoegde lichamen” (de kerkelijke rechters) beslist dat de in de considerans van de statuten van 1983 gemaakte afspraken op grond van het canonieke recht (waaraan het Maagdenhuis als zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap, aks kerkelijke rechtspersoon, is onderworpen, via art. 2:2 BW Pro) niet rechtsgeldig zijn, alsmede dat het bestuurderschap van het Maagdenhuis een kerkelijk ambt is, dat de benoemingen van de bestuursleden op grond van art. 3 lid 4 van Pro de statuten van 1983 ter bekrachtiging door de bisschop aan hem dienden te worden voorgelegd, dat dit niet is gebeurd en dat het ontbreken van de bekrachtiging door de bisschop tot gevolg heeft dat “(thans) geïntimeerden sub 2, 3 en 5” dat ambt niet hebben verkregen. Overigens onderkent het hof in rov. 3.52, in lijn met rov. 3.3-3.4, dat het hier, gelet op art. 2:2 (lid 2) BW, “in beginsel” een kwestie betreft die binnen het verband van het R.K. Kerkgenootschap moet worden opgelost. Hieruit volgt reeds dat ook hetgeen deze slotklacht aanvoert niet meebrengt dat ’s hofs oordeel ter zake rechtens onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
Hierop stuit het onderdeel af.