Conclusie
OM) tot het op grond van art. 2:20 lid 1 BW Pro verboden verklaren en ontbinden van de informele vereniging Satudarah Motorcycle Club (hierna:
Satudarah). De rechtbank Den Haag (hierna: de
rechtbank) heeft Satudarah, daaronder begrepen de chapters (lokale afdelingen) en twee van de drie supportclubs (Saudarah en Supportcrew 999), bij beschikking van 18 juni 2018, uitvoerbaar bij voorraad, verboden verklaard en ontbonden vanwege de werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde. Yellow Snakes MC (hierna:
Yellow Snakes), ook een van die supportclubs, valt blijkens die beschikking niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, nu het verzoek van het OM alleen op Satudarah ziet en Yellow Snakes geen onderdeel is van Satudarah. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het
hof) heeft bij beschikking van 18 juni 2019, samengevat, de beschikking van de rechtbank in stand gelaten met uitzondering van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. Door zowel Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999 (in het verzoekschrift tot cassatie tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd, wat ik hierna ter zake ook doe) en Yellow Snakes als het OM is cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van het hof. In het (principale) cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes speelt onder meer de vraag of in een civielrechtelijke procedure op grond van art. 2:20 lid 1 BW Pro strafrechtelijk bewijsrecht zou moeten worden toegepast, omdat sprake zou zijn van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro (‘criminal charge’). In het (incidentele) cassatieberoep van het OM wordt het oordeel van het hof over het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de verbodenverklaring van Satudarah aan de orde gesteld. M.i. houdt de beschikking van het hof stand in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.
supportclubs).
Kamerstukken II1975-1976,13 872, nr. 7).
Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 3):
Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 9-10):
Kamerstukken II, 1985-1986, 17 476, nr. 12, p. 4):
margin of appreciationhebben bij de invulling van de beperkingen op artikel 11 EVRM Pro.
onzelfstandigeonderdelen van Satudarah zijn doet hier niet aan af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de door Satudarah aangehaalde zaak over de vereniging Bandidos - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen.
Kamerstukken II,1984-1985, 17 476, nrs. 5-7) dat een uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen rechtsgevolg zal hebben. Het hof ziet dit rechtsgevolg ook niet, aangezien het enige gevolg van een verbodenverklaring is dat artikel 140 lid 2 Sr Pro. kan worden toegepast, en daarvan eerst sprake kan zijn indien de verbodenverklaring onherroepelijk is. Hoewel Satudarah dus ook niet is geschaad door het feit dat de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is er geen reden die uitvoerbaarverklaring bij voorraad te handhaven. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd.” [curs. en onderstreping in origineel, A-G]
2.De bespreking van de cassatiemiddelen
Inleidende beschouwingen
OMG’s) (onder 2.17-2.22).
ausländische VereinSatudarah alsmede zeven plaatselijke chapters (
Teilorganisationen) in 2015 in Duitsland zijn verboden. [22] Dit verbod is in 2016 door het Bundesverwaltungsgericht in stand gelaten. [23] De Duitse beschikking uit 2015 is als bijlage aan het verzoekschrift ex art. 2:20 BW Pro van het OM gehecht. De rechtbank verwijst in de onderhavige zaak ook naar dit Duitse verbod in rov. 2.27 van de beschikking van 18 juni 2018 en overweegt in dat verband onder meer dat “[d]e inhoud van deze [Duitse] beschikking bij[draagt] aan het beeld dat nationale bestuurders van Satudarah in Nederland actief betrokken zijn geweest bij en hebben bijgedragen aan de oprichting van een vereniging die inmiddels in Duitsland wegens haar criminele karakter is verboden.”
WVV). [24] De WVV was een organieke wet ter uitvoering van art. 10 van Pro de Grondwet van 1848. [25]
moetbrengen, is een waarheid, die wellicht in den laatsten tijd meer algemeen en scherper wordt ingezien. Behoud van het groote goed der burgerlijke vrijheid eischt inscherping van de verantwoordelijkheid door middel van doelmatige sancties tegen degenen, die de vrijheid misbruiken tot schade van het algemeen welzijn. Deze gedachte van het repressieve toezicht ligt ook ten grondslag aan de wet van 1855, met name aan de regeling, vervat in de artikelen, 2, 3 en 10. Zij heeft echter in het bestaande onvoldoende uitwerking gevonden. Het mag wellicht worden beschouwd als een niet-verwerpelijk gevolg van de “geestelijke verwarring in de wereld, waaraan ook ons volk niet geheel ontkomt”, dat de behoefte aan een beter sluitende en meer effectieve regeling in dit tijdsgewricht krachtiger wordt gevoeld. Daardoor is echter de voorgestelde voorziening
geenszinstot een
crisismaatregelgestempeld. Het is op zichzelf reeds niet verwonderlijk, dat er aanleiding is na meer dan 80 jaren de materie nader te bezien. Ook in het algemeen kan echter de druk van bepaalde omstandigheden zeer wel leiden tot een terugkeer naar gezonde gedachten, dan wel tot betere uitwerking daarvan in de wetgeving.” [curs. in origineel, A-G]
Naast de leemte, dat alleen op incidenteele wijze het verboden karakter van een vereeniging thans kan worden vastgesteld, vertoont de tegenwoordige regeling deze lacune, dat de feitelijke afwijking van de aanvankelijk toegelaten werkzaamheid eener vereeniging
slechts collectief gevolgkan hebben
met betrekking tot het bezit der rechtspersoonlijkheid. Dit gevolg, dat geregeld is in de artikelen 10 en 11 der bestaande wet, kan van belang zijn, doch het is slechts van beperkte werking. De laatstbedoelde voorziening wordt door het ontwerp niet aangetast. Echter zal krachtens de regeling, zooals die wordt voorgesteld, het
algemeeneonderzoek omtrent het verboden karakter van een vereeniging gevolgen kunnen hebben voor
elkevereeniging, ongeacht het bezit van rechtspersoonlijkheid. Het is duidelijk, dat een vereeniging in strijd met de openbare orde haar gevaarlijk karakter niet verliest door het verlies van rechtspersoonlijkheid. Het vastgestelde gevaar ligt in de organisatie, in de werkzaamheid in groepsverband (…).” [curs. in origineel, A-G]
bvan het Wetboek van Koophandel, enz.; (...). Voor wat in het bijzonder de verhouding tusschen het nieuwe artikel 4 en Pro de bestaande artikelen 10 en 11 van de wet van 1855 betreft, stelt de ondergeteekende zich voor, dat het openbaar ministerie, in gevallen dat een vereeniging met rechtspersoonlijkheid werkelijk een vermogen van eenig belang bezit, hetzij gelijktijdig met de vordering ingevolge artikel 4 een Pro vordering ingevolge artikel 10 zal Pro instellen, hetzij zoodanige vordering zal laten volgen, zoodra de uitspraak, waarbij de vereeniging verboden verklaard wordt, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Artikel 10 kan Pro in beide gevallen worden toegepast, daar een vereeniging, welke verboden verklaard wordt of reeds verboden verklaard is, tevens van de vastgestelde statuten moet zijn afgeweken. Liquidatie van een verboden-verklaarde vereeniging overeenkomstig een van de boven vermelde wettelijke regelingen is zonder twijfel geoorloofd (…). Voor alle volledigheid zij overigens opgemerkt, dat op dit punt door het ontwerp niets verandert: ook op het oogenblik worden vereenigingen, die verboden karakter bezaten of verkregen, overeenkomstig de vermelde wettelijke regelingen, of ondershands, geliquideerd.” [curs. in origineel, A-G]
2.1.10a[wordt] voorgesteld te bepalen dat een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie kan worden ontbonden (…).
NVU), een politieke partij, bleek echter dat de regeling tot eigenaardige resultaten kon leiden. De rechtbank kwam in het lichaam van de uitspraak tot het oordeel dat de NVU kwalificeerde als een verboden vereniging. [44] Ondanks het aangenomen verboden karakter van de NVU wees de rechtbank echter de vordering tot ontbinding af, omdat die in de gegeven omstandigheden elke betekenis mistte. [45] Volgens de rechtbank bracht het door haar geconstateerde verboden karakter van de NVU wel met zich dat strafrechtelijke vervolging van deelnemers kon plaatsvinden op grond van art. 140 Sr Pro en dat deelneming aan de verkiezingen aan de NVU kon worden ontzegd. [46] In cassatie overwoog de Hoge Raad dat, anders dan de rechtbank had overwogen, het oordeel over het verboden karakter van de NVU rechtens geen consequenties heeft; de strafrechter, het centraal stembureau of de Kiesraad zijn daaraan niet gebonden. [47] Maeijer stelde in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad dat “[n]iet voor niets in 1939 in art. 4 Wet Pro Vereniging en Vergadering 1855 de mogelijkheid [is] geopend tot het doen van een (…) declaratoire uitspraak met algemeen en permanent karakter” en vroeg zich vervolgens af: “Hebben wij deze mogelijkheid bij de indiening van Boek 2 BW in 1976 niet al te gemakkelijk losgelaten?” [48]
voortzettingvan de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij
onherroepelijkerechterlijke beslissing verboden is verklaard. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon is dus pas strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr Pro als de uitspraak van de civiele rechter in kracht van gewijsde is gegaan. [58] Uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de civiele rechter heeft niet het effect dat daardoor de strafbaarheid van art. 140 lid 2 Sr Pro intreedt. [59] Aan de strafrechter komt in geval van strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr Pro geen oordeel (meer) toe over het verboden karakter van de rechtspersoon. [60] In feite is sprake van een misdrijf tegen het openbaar gezag; het gaat om ongehoorzaamheid aan een rechterlijke uitspraak. [61] Voordat op grond van art. 140 lid 2 Sr Pro kan worden opgetreden, kan ook reeds op grond van art. 140 lid 1 Sr Pro worden opgetreden. [62] Art. 140 lid 1 Sr Pro betreft de strafbaarstelling van de deelnemingshandeling van de verdachte, in welk kader de strafrechter ook moet vaststellen dat sprake is van een organisatie in de zin van art. 140 lid 1 Sr Pro en dat die organisatie het oogmerk heeft misdrijven te begaan.
Omdat de ontbinding ingevolge artikel 2:20 BW Pro na een verbodenverklaring een onherroepelijke ingreep betekent, die niet terug is te draaien na een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie, ziet de nu voorziene uitvoerbaarheid bij voorraad niet op de ontbinding, maar alleen op de verbodenverklaring. (…)”
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat met het bevel:
VereinsG) een zogenoemd ‘
Kennzeichenverbot’. [82] Op grond van art. 9 lid 1 VereinsG Pro is het niet toegestaan
Kennzeichenvan de verboden vereniging in het openbaar, tijdens een bijeenkomst of in geschriften, op geluids- of beelddragers, etc. te gebruiken. Lid 2 van de bepaling verstaat onder dergelijke
Kennzeichenin het bijzonder vlaggen, emblemen, uniformen, leuzen en begroetingsvormen. Lid 3 van de bepaling verklaart het eerste lid van overeenkomstige toepassing op
Kennzeichenvan een verboden vereniging die op in wezen gelijke wijze worden gebruikt door andere, niet verboden,
Teilorganisationenof zelfstandige verenigingen. Overtreding van het
Kennzeichenverbotis op grond van art. 20 lid 1 VereinsG Pro strafbaar gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete, voor zover de gedragingen niet strafbaar zijn gesteld in het
Strafgesetzbuch(hierna:
StGB). Art. 86a StGB bevat het equivalent van het
Kennzeichenverbotuit het VereinsG, dat op grond van deze strafrechtelijke bepaling strafbaar is gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of een geldboete. Voor toepassing van art. 86a StGB is een onherroepelijk (
unanfechtbar) verbodsbesluit vereist, terwijl art. 20 VereinsG Pro eerder kan worden toegepast, bij een uitvoerbaar (
vollziehbar) verbod. [83] Het StGB bevat bovendien niet een bepaling vergelijkbaar met art. 9 lid 3 VereinsG Pro. [84] De
Bundestagheeft in 2017 besloten tot aanpassing van het VereinsG. Aan art. 9 lid 3 VereinsG Pro is toegevoegd: [85]
Bandidos-zaak uit, mede onder verwijzing naar procedures tegen andere OMG’s.
Bandidos-zaak toegespitst op een verzoek op de voet van art. 10:122 BW Pro en op het stellen, en zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117 onder Pro a BW. Die hoge eisen gelden
mutatis mutandisook met betrekking tot een verzoek op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro voor de stelplicht van het OM dat sprake is van een rechtspersoon. [111] Die hoge eisen gelden bovendien niet alleen voor het element ‘rechtspersoon’ in art. 2:20 lid 1 BW Pro, maar ook voor het element dat ‘de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’. Voor dat laatste element wijs ik op de
Hells Angels-beschikking van de Hoge Raad: [112]
Hells Angels-beschikking van het hof blijkt reeds (dat werd in die zaak in cassatie ook niet bestreden) dat ondanks de hoge eisen die gesteld worden aan de stelplicht en bewijslast van het OM, bij de beoordeling van een verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW Pro van belang is of “met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.” [113] Wanneer de werkzaamheid in strijd met de openbare orde van de rechtspersoon betrekking heeft op strafbare feiten, is in het kader van de beoordeling van het verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW Pro niet doorslaggevend dat (nog) geen sprake is van strafrechtelijke veroordeling of vervolging of dat een strafzaak met een sepot of vrijspraak is geëindigd: “Deze feiten kunnen wel meewegen wanneer met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.” [114] In de literatuur is in dit verband opgemerkt: “Zie hier een voorbeeld
par excellencevan het verschil in bewijswaardering in burgerlijke en strafzaken” [curs. in origineel, A-G]. [115] Ik kom op dit element uit de
Bandidos-zaak terug bij de bespreking van klacht 1 van het principale cassatieberoep.
Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad voorts over de reikwijdte van een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro het volgende vooropgesteld: [116]
Bandidos-beschikking van de Hoge Raad blijkt dat de vraag of sprake is van een afdeling van een (formele of informele) vereniging is te onderscheiden van de vraag of die (eventuele) afdeling zelf weer is aan te merken als een rechtspersoon. In rov. 3.4.1 van de beschikking gaat de Hoge Raad in op de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging. Vereiste daarvoor is dat er “een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel”. Of een organisatorisch verband een informele vereniging is, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval. A-G Vlas gaat er in zijn conclusie voor de beschikking, in navolging van de literatuur, van uit dat het bestaan van een afdelingsverhouding een relevante omstandigheid is bij het beoordelen van de vraag of de afdeling is aan te merken als een informele vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid. [120] Om als afdeling van een informele vereniging aangemerkt te kunnen worden als rechtspersoon, zal aan de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging getoetst moeten worden. De omstandigheid dat sprake is van een afdeling brengt aanvullende vereisten met zich: [121]
Bandidos-zaak in het midden heeft kunnen laten of de chapters konden worden aangemerkt als afdelingen van BMC Holland, is de Hoge Raad niet nader op deze aanvullende vereisten voor het kunnen aanmerken van een afdeling als rechtspersoon (informele vereniging) ingegaan. De onderhavige zaak verschilt in zoverre van de
Bandidos-zaak, omdat het hof in de onderhavige zaak, in navolging van de rechtbank, feitelijk heeft vastgesteld dat de chapters lokale afdelingen zijn van Satudarah (zie ook onder 1.1). Het hof kon er in de onderhavige zaak (rov. 12.1 t/m 12.3), in navolging van de rechtbank (rov. 2.2-2.4), ook van uitgaan dat bij Satudarah sprake is van één rechtspersoon, de informele vereniging Satudarah, waarvan onder meer deel uitmaken de chapters (die dus geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten). [122] Ik kom op dit punt terug bij de bespreking van klacht 2 van het principale cassatieberoep.
Bandidos-zaak aan de orde is geweest is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro. Het hof heeft daarover in die zaak overwogen: [123]
Bandidos-zaak, niet uitvoerbaar bij voorraad. [127] De rechtbank Midden-Nederland heeft de beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding van de Hells Angels in Nederland uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [128] Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in incident in hoger beroep schorsing van de werking van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de rechtbank bevolen. Het hof heeft aan die incidentele beslissing ten grondslag gelegd: [129]
inter curias. [130] Ik kom hierop terug bij de bespreking van het incidentele cassatieberoep.
(…)
Naar mijn stellige overtuiging is in de onderhavige verzoekschriftprocedure sprake van een (…) structurele onevenwichtigheid tussen enerzijds verzoeker, het machtige Openbaar Ministerie met een ‘onbeperkte’ hoeveelheid aan financiële middelen, een bataljon aan juristen en toegang tot alle niet-publiekelijk toegankelijke politiële en justitiële informatiesystemen, waaruit door het Openbaar Ministerie naar willekeur fragmentarisch informatie is geplukt en in deze procedure is ingebracht en anderzijds verweerders, waarvan bezwaarlijk kan worden verlangd dat zij de fragmentarisch gepresenteerde informatie waarin individuele (oud)members en niet-members voorkomen, gemotiveerder betwisten. Verweerders hebben immers geen onbeperkte financiële middelen en kunnen niet met een bataljon daartoe gekwalificeerde mensen grasduinen in politiële en justitiële informatiesystemen, teneinde daaruit gefragmenteerd informatie te presenteren ter weerlegging van de door het Openbaar Ministerie aan haar stelplicht verbonden feiten.
(…)
Gezien het voorgaande wordt dan ook verzocht de eenvoudige betwisting van alle strafbare feiten die niet zijn geresulteerd in een onherroepelijke veroordeling op tegenspraak door de strafrechter, welke betwisting bij deze plaatsvindt, als voldoende gemotiveerd aan te merken en het Openbaar Ministerie met de bewijslast aangaande die feiten te confronteren. Daarmee nivelleert u enigszins de structurele onevenwichtigheid tussen het Openbaar Ministerie en verweerders en doet u recht aan de rechtsbescherming die het zwaarwegende grond- en verdragsrecht tot vereniging verdient. Zoals gezegd, het gaat immers om de zwaarwegende beperking van het verenigingsrecht. Daarbij moet grote terughoudendheid worden betracht.”
In EHRM-rechtspraak wordt bovendien onderkend dat er verschillende gradaties zijn in ‘criminal charges’, wat in een concreet geval met zich kan brengen dat niet zonder meer alle daarbij behorende waarborgen van toepassing zijn: [143]
Engelcriteria have underpinned a gradual broadening of the criminal head to cases not strictly belonging to the traditional categories of the criminal law, for example administrative penalties (…), prison disciplinary proceedings (…), customs law (…), competition law and penalties imposed by a court with jurisdiction in financial matters (…). Tax surcharges differ from the hard core of criminal law; consequently the criminal-head guarantees will not necessarily apply with their full stringency.” [curs. in origineel, A-G]
.Ter illustratie verwijs ik naar een uitspraak van het EHRM waarin is beslist dat een bestuursverbod op grond van de Engelse Company Directors Disqualification Act 1986 niet kon worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro: [144]
sanctievan art. 4 WVV Pro (en later art. 140 lid 2 Sr Pro) en het collectieve (civielrechtelijke)
gevolgvan art. 10 WVV Pro (de vervallenverklaring van rechtspersoonlijkheid, die zich naar huidig recht laat vertalen als ontbinding) (zie onder 2.4-2.5).
Engel-uitspraak ontwikkelde criteria voor de vraag of sprake is van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro. [152] In de eerste plaats is van belang of de procedure in het nationale recht als ‘strafrechtelijk’ wordt gekwalificeerd. In de onderhavige zaak wordt niet aan die voorwaarde voldaan. Art. 2:20 BW Pro is een civielrechtelijke procedure. Dit wordt in het onderdeel ook niet betwist. Dan komt toetsing aan de twee volgende
Engel-criteria in beeld: de aard van de ‘overtreding’ en de aard en zwaarte van de ‘straf’: [153]
voortzettenvan de werkzaamheid van de onherroepelijk verboden verklaarde (en ontbonden) rechtspersoon strafbaar is gesteld, is juist, maar staat daar los van. Strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr Pro, dat betrekking heeft op de periode ná een verbodenverklaring en ontbinding (zie ook, in cassatie onbestreden, rov. 9.2 van het hof), is m.i. wél een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro. Die bepaling is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (vergelijk het eerste
Engel-criterium) en het daarin vervatte delict wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (vergelijk het tweede en derde
Engel-criterium). In geval van strafvervolging op grond van art. 140 lid 2 Sr Pro komt de strafrechter geen oordeel meer toe over de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro. [159] Strafbaarheid in de zin van art. 140 lid 2 Sr Pro staat met die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding echter nog niet vast, zoals gezegd. Die strafbaarheid kan pas ontstaan wanneer die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding, nadat die onherroepelijk is geworden, niet wordt gehoorzaamd en de verboden verklaarde werkzaamheid van de (ontbonden) rechtspersoon wordt voortgezet [160] (zie ook onder 2.9). De delictsomschrijving als vervat in art. 140 lid 2 Sr Pro is dan ook niet het verrichten van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde, zoals art. 2:20 lid 1 BW Pro is geformuleerd, maar deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard op de voet van art. 2:20 lid 1 BW Pro.
Engel-criteria werd getoetst, heeft overwogen dat de desbetreffende bestuursrechtelijke maatregel (die m.i. niet onvergelijkbaar is met verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 BW Pro) niet als ‘vervolging’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro kan worden aangemerkt: [168]
Asser-deel inzake Bewijs uit 2013 wordt de vraag aan de orde gesteld of art. 149 Rv Pro, in het licht van de ontwikkelingen die het civiele proces, met name door de wetswijziging van 2002, heeft doorgemaakt, nog bestaansrecht heeft: [173]
case managementmaar meer in het bijzonder ook als het gaat om de verzameling van feitenmateriaal, zoals het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv Pro, gekoppeld aan de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv Pro, en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie (art. 88 lid 4 Rv Pro). De verplichting van de rechter om niet (voldoende) betwiste feiten als vaststaand te beschouwen heeft eigenlijk geen normatieve waarde in het licht van de vrijheid van een partij om later in de procedure of in appel een aanvankelijk niet-betwist feit dat door de wederpartij was gesteld, alsnog te betwisten - al of niet daartoe uitgelokt door vragen van de rechter of diens beslissingen. Telt men daarbij op dat de actieve rechter tijdens de comparitie na antwoord vragen kan stellen ten aanzien van niet-betwiste feiten en de aldus van partijen verkregen informatie kan gebruiken voor zijn beslissing, en neemt men bovendien in aanmerking dat de rechter meer dan vroeger de grenzen van de rechtsstrijd, ook op het vlak van de rechtsfeiten, aan de orde mag stellen, zoals uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, dan kan de partijautonomie nauwelijks meer als dragende grond fungeren voor een zo strikte regel als die van artikel 149 Rv Pro, die de zoektocht naar de materiële waarheid in principe belemmert.
Dit onderdeel beroept zich op het slot van art. 149 lid 1 Rv Pro, waaruit volgt dat de rechter bevoegd is van feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist niettemin bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het is op zichzelf denkbaar dat verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon door de rechter op grond van art. 2:20 lid 1 BW Pro een rechtsgevolg is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. [182] Ook als daarvan wordt uitgegaan, loopt het onderdeel vast.
Yellow Snakes is naar het oordeel van de rechtbank een van Satudarah “losstaande entiteit” (met eigen rechtspersoonlijkheid) die niet wordt getroffen door verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, waarop het verzoek van het OM zich uitsluitend richt (rov. 2.37). In hoger beroep overweegt het hof over de positie van Yellow Snakes:
[volgt weergave van rov. 2.4 van de beschikking van de rechtbank, A-G].
De rechtbank heeft weliswaar aangenomen dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah, maar heeft, in tegenstelling tot hetgeen het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld, namelijk dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn, nadrukkelijk niet vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah. De vraag of daarvan sprake is, zal dan ook zelfstandig door uw hof moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd.
Voor verzoeksters bestond er geen enkele noodzaak te grieven tegen de voorgeciteerde overweging van de rechtbank, omdat de afzonderlijke chapters buiten het bereik van deze verbodsprocedure vallen. Het openbaar ministerie heeft namelijk in het verzoekschrift niet specifiek gevraagd om een verbodenverklaring en ontbinding van de afzonderlijke chapters. Het openbaar ministerie heeft slechts gevraagd om een verbodenverklaring van ‘Satudarah Motorcycleclub’, de informele vereniging die zich onder die naam naar buiten toe heeft gepresenteerd als landelijke vereniging. Datzelfde heeft het openbaar ministerie gedaan in de procedure waarin zij hebben verzocht om verbodenverklaring en ontbinding van ‘Bandidos Motorcycleclub Holland’, eveneens de informele vereniging die zich onder die naar buiten heeft gepresenteerd als landelijke vereniging. In de Bandidos-zaak oordeelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vervolgens omtrent de vraag hoe ver het door het openbaar ministerie gevraagde en door het hof toegewezen verbod nu reikt het navolgende:
[volgt weergave van rov. 4.31-4.34 uit de
Bandidos-beschikking van het hof [191] , A-G]
Het voorgeciteerde is in de onderhavige zaak een-op-een van toepassing. De afzonderlijke chapters zijn immers geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah MC, maar vormen eveneens in zichzelf een bestendige organisatie met leden, reden waarom de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. De afzonderlijke chapters van Satudarah MC hebben immers - evenals de chapters van Bandidos MC - een eigen bestuur (president, vice-president, secretary, treasurer, sergeant at arms, roadcaptain, etc.), een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en presenteren zich eveneens naar buiten toe als zelfstandige eenheid.” [voetnootverwijzingen naar het verzoekschrift ex art. 2:20 BW Pro niet overgenomen, A-G]
onzelfstandigeonderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G], doet daaraan volgens het hof niet af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de
Bandidos-zaak - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen. Zie rov. 12.2. Anders dan Satudarah in haar pleitnota in hoger beroep betoogt, had zij, indien zij het met dit oordeel van de rechtbank niet een was, daartegen uiterlijk in haar beroepschrift een grief moeten richten. Nu zij dit niet heeft gedaan, en zich geen van de uitzonderingen op deze regel (de twee-conclusie-regel) voordoen, heeft voor het hof als uitgangspunt te gelden dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah en dat verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft. Zie rov. 12.3. Het hof gaat daarmee ervan uit, in navolging van de rechtbank, dat de chapters geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten (zie ook onder 2.21).
onzelfstandigeonderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G] nu een discussie daarover in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de
Bandidos-zaak - niet is gevoerd en er voor de rechtbank dus geen aanleiding was het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen. [201] Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 4 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, erop neerkomend dat de afzonderlijke chapters geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah zijn, maar in zichzelf een bestendige organisatie met leden vormen zodat de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Niet alleen laat die stelling de door het hof in rov. 12.2 aan de beschikking in eerste aanleg gegeven uitleg onverlet. Het in de klacht aangevoerde ziet ook eraan voorbij dat er geen gehoudenheid was voor het hof tot een nadere motivering vanwege die stelling, nu blijkens rov. 12.2 de premisse van die stelling (dat de rechtbank “nadrukkelijk niet [heeft] vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah” en dat de vraag of daarvan sprake is “dan ook zelfstandig door uw hof [zal] moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd”) niet opgaat, en blijkens rov. 12.3 voor het hof als uitgangspunt te gelden heeft dat de chapters aldus onderdeel uitmaken van Satudarah (wat insluit dat zij geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten) en een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft, nu Satudarah niet conform de twee-conclusie-regel in haar beroepschrift een grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank en geen van de uitzonderingen op deze regel zich voordoet. Daarbij wijs ik volledigheidshalve erop dat door Satudarah en Yellow Snakes niet (ook) wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank, dat de twee-conclusie-regel hier toepassing vindt en/of dat zich in dit geval geen van de uitzonderingen op deze regel voordoet, [202] zodat in cassatie van die oordelen kan worden uitgegaan. [203]
Martijn-beschikking van de Hoge Raad (zie ook rov. 7.6 van het hof). [205] In eerste aanleg heeft de rechtbank eveneens getoetst of de verbodenverklaring en ontbinding voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit (rov. 2.34-2.35). De rechtbank respondeerde hiermee kennelijk op hoofdstuk 12 (p. 80-94) van het verweerschrift zijdens Satudarah. Met grief 6 van haar beroepschrift komt Satudarah op tegen rov. 2.35 van de rechtbank. Deze grief wordt onder meer als volgt toegelicht: [206]
naeen verbodenverklaring en ontbinding (zie ook onder 2.27).
Effectiever is in dergelijke gevallen vervolging van de leden die betrapt worden op het begaan van een misdrijf, vanwege het begaan van dat misdrijf. Als de groep stelselmatig misdrijven pleegt, is ook vervolging uit hoofde van het eerste lid van het desbetreffende artikel van het Wetboek van Strafrecht mogelijk. Deze aanpak lijkt mij doeltreffender en daarom ook aantrekkelijker dan het bewerkstelligen van een verboden-verklaring, wat waarschijnlijk jaren zal slepen en tot weinig of niets leidt. Daarom heb ik daaraan eigenlijk geen behoefte.”
ookin zoverre dus niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en een ontbinding geen effect hebben. Het hof heeft daarvoor reeds overwogen dat niet gezegd kan worden dat verbodenverklaring en ontbinding in het geheel geen gevolgen heeft, omdat die ertoe leiden dat Satudarah ophoudt te bestaan, met alle gevolgen van dien (zie rov. 16.4, tweede t/m vierde zin). Dat oordeel is zelfstandig dragend en wordt in cassatie niet met succes bestreden.
Verder zijn er signalen bij de politie binnengekomen dat leden van de Satudarah de motorclub onder een andere naam voortzetten.”
Anderzijds laten de resultaten over de eerste helft van 2017 een stijging zien in het aantal straffen dat is opgelegd in een aantal grote onderzoeken met OMG-leden (lange termijneffect).’ Die straffen en de latere executie daarvan, zouden ook de voorgespiegelde daling tot gevolg kunnen hebben [verweer onder j, A-G].” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G]
Bandidos-zaak heeft uitgesproken, waarnaar in de onderhavige grief slechts generiek is verwezen en waarvan ik de dragende overweging hier voor de volledigheid integraal weergeef, doet, gelet op het voorgaande, evenmin af aan de juistheid en begrijpelijkheid van het onderhavige oordeel van het hof in rov. 20.5, reeds omdat daarin een andere situatie voorlag dan waarover het hof in de
Bandidos-zaak ter zake te oordelen had (zoals ook onderstaand citaat laat zien): [222]
werkingc.q. het
effectvan de verbodenverklaring” als bedoeld onder 7.2 vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daarbij dus wel degelijk belang kan bestaan en die uitvoerbaarverklaring bij voorraad dus wel degelijk rechtsgevolg kan hebben, hetgeen het hof heeft miskend. [224]