Conclusie
Nummer20/01163
eerstemiddel klaagt dat het hof het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat slechts tot een bewezenverklaring van opzet in de zin van art. 189, eerste lid, sub 1o, Sr kan worden gekomen indien de verdachte wist dat er een misdrijf was gepleegd en dat degene die hij hielp daarbij betrokken was, heeft verworpen zonder opgave van de redenen die daartoe in het bijzonder hebben geleid.
Bewezenverklaring en bewijsmotivering
Bewijs
FEIT 1 MEER SUBSIDIAIR (BEGUNSTIGING MOORD / DOODSLAG)
concreetmisdrijf ten tijde van de behulpzaamheid een verdenking bestond tegen de persoon die de verdachte behulpzaam is geweest (
verdenking van een misdrijf volstaat). De omstandigheid dat het gepleegde of vermoede feit een misdrijf is, moet in het opzet van de dader zijn opgenomen.
in ieder geval noodzakelijk dat eveneens komt vast te staan dat verdachte wist van de dood van {slachtoffer} en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] daarbij.
niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgestelddat de verdachte – op het moment dat zij de medeverdachte [C] met haar auto van de plaats van het misdrijf heeft weggevoerd – ervan op de hoogte was dat de medeverdachte [C] het slachtoffer [R] met een mes had gestoken.
Zonder wetenschap kan er geen sprake zijn van opzet op begunstigingin de zin van artikel 189 Sr Pro.
Bespreking van het eerste middel; het vereiste opzet
tweedemiddel klaagt over de begrijpelijkheid van de verwerping van het beroep op de exceptie van art. 189, derde lid, Sr. Het
derdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte slechts een beroep op deze bepaling kan doen in het geval hij zelf een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf waarop de begunstiging betrekking heeft, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
SUBSIDIAIR: OVAR
ookvan toepassing is op degene die handelingen cfm. Art. 189 lid 1 sub Pro 1 verricht, mede ten einde gevaar van vervolging
voor zichzelfte ontgaan.
In 's Hofs verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer ligt diens feitelijke, en in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijke, gevolgtrekking besloten dat de verdachte de daders van de poging tot afpersing in zijn auto heeft meegenomen van de plaats van het misdrijf, niet alleen om die daders behulpzaam te zijn als bedoeld in art. 189, eerste lid onder 1°, Sr, maar tevens om aldus voor zichzelf gevaar van vervolging te ontgaan.
redelijkerwijs niet uit te sluitenvalt dat de verdachte het bewezenverklaarde mede heeft verricht teneinde onder meer voor zichzelf het gevaar van vervolging te ontgaan. Daarbij merkt het hof op dat tot in hoger beroep naast het subsidiair tenlastegelegde aan de verdachte
primair medeplegen van moord dan wel doodslag ten laste is gelegd.
er in redelijkheid van mocht uitgaan dat ook een verdenking van een strafbaar feit jegens haar zou ontstaan.
Strafbaarheid van de verdachte
NJ2013/87. Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij (kort gezegd) voorwerpen die konden dienen om de waarheid aan het licht te brengen had verborgen door filmbeelden die met een videobewakingssysteem van een poging tot zware mishandeling waren gemaakt te wissen. Uw Raad leidde uit de overwegingen van het hof af dat het hof niet aannemelijk had geacht dat de verdachte de beelden had gewist teneinde gevaar voor vervolging van hemzelf te ontgaan ‘omdat het Hof wel aannemelijk achtte dat de verdachte heeft gehandeld "teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad".’ Uw Raad overwoog dat het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte niet met vrucht een beroep kon doen op art. 189, derde lid, Sr, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en dat het verweer voldoende gemotiveerd was verworpen. Machielse leidt uit deze overweging af dat als het oogmerk van de verdachte ergens anders op gericht is geweest dan op het ontgaan of afwenden van gevaar voor vervolging, art. 189, derde lid, Sr niet tot toepassing kan komen. [9]
derdemiddel klaagt als gezegd dat het hof heeft geoordeeld dat slechts een beroep op de exceptie van art. 189, derde lid, Sr kan worden gedaan als de verdachte zelf een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf waarop de begunstiging betrekking heeft. Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.