Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 mei 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of een bij verdachte aangetroffen luchtdrukwapen zodanig op een echt vuurwapen leek dat het onder de categorie I, sub 7°, van de Wet wapens en munitie (WWM) viel. Het hof had geoordeeld dat het wapen qua vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een Colt Defender kaliber .45, ondanks enkele verschillen die als ondergeschikt werden beschouwd.
De verdediging voerde aan dat de verschillen significant waren en dat het bewijs onvoldoende was, mede omdat het wapen en verpakkingsmateriaal waren vernietigd waardoor nader deskundigenonderzoek niet mogelijk was. Het hof vond echter dat de verschillen niet wezenlijk waren en dat het wapen in totaliteit niet of nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden was.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg van het begrip 'sprekende gelijkenis' zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Regeling wapens en munitie (RWM) en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat de feitelijke vorm en afmetingen van het voorwerp beslissend zijn en dat details die aan het zicht zijn onttrokken bij het vasthouden van het wapen niet doorslaggevend zijn.
Het arrest bevestigt de jurisprudentie dat luchtdrukwapens die qua vorm en afmetingen nauwelijks van echte vuurwapens te onderscheiden zijn, strafbaar zijn onder de WWM. Het cassatieberoep faalde en de bewezenverklaring bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het luchtdrukwapen vertoont een sprekende gelijkenis met een echt vuurwapen en het bezit is strafbaar.