ECLI:NL:PHR:2021:1072
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging duur vervangende hechtenis bij taakstraf in plaats van tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte was veroordeeld voor eenvoudige belediging jegens een ambtenaar. Het hof bevestigde de veroordeling, legde een taakstraf op en gelastte in plaats van de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een taakstraf met vervangende hechtenis.
De verdediging stelde onder meer dat het hof niet had beslist over het primaire verweer dat de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk was en dat het hof zich had beroepen op een processtuk dat niet ter beschikking stond, waardoor het recht op een eerlijk proces volgens art. 6 EVRM Pro zou zijn geschonden. De advocaat-generaal concludeerde dat het hof wel degelijk over de ontvankelijkheid had beslist en dat de klacht over het processtuk faalde omdat het proces als geheel eerlijk was verlopen.
Ambtshalve merkte de advocaat-generaal op dat de duur van de vervangende hechtenis die het hof had gelast langer was dan de oorspronkelijke gevangenisstraf, wat niet is toegestaan. Daarom strekte de conclusie tot vernietiging van dat onderdeel van het arrest en tot terugwijzing met het bevel dat de vervangende hechtenis niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke straf.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het cassatieberoep voor het overige. Hiermee blijft de gegrondheid van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in stand, maar wordt de duur van de vervangende hechtenis gecorrigeerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de duur van de vervangende hechtenis betreft en bevestigt de gegrondheid van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.