ECLI:NL:HR:2022:10

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
20/02370
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266.1 SrArt. 267.2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onjuiste duur vervangende hechtenis en wijst ambtshalve cassatie af

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof de vervangende hechtenis correct had vastgesteld bij de omzetting van een voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf met vervangende hechtenis. Het hof had een taakstraf van 60 uur opgelegd, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 30 dagen, terwijl de niet tenuitgevoerde gevangenisstraf slechts 2 weken bedroeg.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest voor zover het de duur van de vervangende hechtenis betreft, omdat deze in strijd met de wet langer was dan de niet tenuitgevoerde straf. De Hoge Raad bevestigde deze constatering maar wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad motiveerde dat het corrigeren van deze fout het beste kan plaatsvinden door de rechter die de zaak behandelde, conform eerdere jurisprudentie.

De Hoge Raad benadrukte dat het bevelen van vervangende hechtenis die langer is dan de niet tenuitgevoerde vrijheidsstraf een onmiddellijk kenbare fout is die eenvoudig door de lagere rechter kan worden hersteld. Dit voorkomt onduidelijkheid over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen en bevordert rechtszekerheid.

Hierdoor werd het beroep van de verdachte verworpen en blijft de duur van de vervangende hechtenis ongewijzigd, met het advies aan het hof om de fout op korte termijn te herstellen. De uitspraak onderstreept het belang van nauwkeurigheid bij het bepalen van vervangende hechtenis en de rol van de Hoge Raad in het bewaken van rechtsontwikkeling zonder onnodige cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de duur van de vervangende hechtenis onrechtmatig is, maar wijst ambtshalve cassatie af en laat herstel aan het hof over.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02370
Datum8 februari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2020, nummer 22-003684-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K. Renssen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis bij de taakstraf die het hof heeft gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 09-079037-18, tot het bevelen dat de vervangende hechtenis twee weken beloopt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve opmerking over de vervangende hechtenis

3.1
Het hof heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging het volgende beslist:
“Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 juli 2018 met parketnummer 09-079037-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.”
3.2
In de conclusie van de advocaat-generaal onder 20 wordt geconstateerd dat het hof in strijd met de wet vervangende hechtenis heeft bevolen waarvan de duur langer is dan de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf (vgl. over de duur van de vervangende hechtenis in dergelijke gevallen HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1552).
3.3
De Hoge Raad merkt in dit verband het volgende op. Het bevelen van een vervangende hechtenis waarvan de duur die van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt, vormt een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen. (Vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:834.) Gelet hierop zal de Hoge Raad niet ambtshalve toepassing geven aan zijn bevoegdheid om de uitspraak van het hof, wat betreft de duur van de vervangende hechtenis, te vernietigen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 februari 2022.