Conclusie
In onderdeel 1 van het cassatiemiddel wordt geklaagd dat het hof de vuistregel heeft miskend die ik formuleerde in mijn conclusie van 6 maart 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:230) in de eerdere zaak. Onderdeel 2 bepleit de regel dat wanneer een werknemer bepaald verwijtbaar gedrag vertoont en de afweging moet worden gemaakt of dat gedrag ook als ernstig verwijtbaar is aan te merken in de zin van art. 7:673 lid 7 onder Pro c BW, het feit dat dat gedrag in een door de werkgever opgestelde gedragscode met zoveel woorden is aangemerkt als gedrag dat “te allen tijde” moet worden vermeden, binnen die afweging een verzwarende omstandigheid oplevert.
1.Feiten en procesverloop
Feiten
Deze verklaring voor recht is bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2019 [7] vernietigd, waarbij het hof de Hogeschool alsnog heeft veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.
Beide partijen hebben op 8 december 2020 een akte na verwijzing met producties genomen. Het hof heeft de zaak op 11 december 2020 mondeling behandeld. Partijen hebben hun zaak ter zitting doen bepleiten. Van de zitting is proces-verbaal is opgemaakt. De pleitaantekeningen alsmede een schriftelijke verklaring van de docent zijn aan het proces-verbaal gehecht.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Woondroomzorg). [11] Dit toetsingskader houdt in, aldus het hof, dat voor toepassing van art. 7:673 lid 7 onder Pro c BW een hoge drempel geldt en dat de rechter deze bepaling terughoudend moet toepassen. Een werknemer heeft alleen in uitzonderlijke gevallen geen aanspraak op een transitievergoeding. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, zijn de omstandigheden van het geval (waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer) alleen van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid (rov. 2.5-2.6).
(ii) De werkwijze van de docent. De docent hanteert een directe en confronterende manier van lesgeven en dat was bij de Hogeschool bekend. De docent had als specialisatie de uitvoering van duetten, in het bijzonder het aspect van het aantrekken en afstoten. Het is inherent aan lessen bewegingsleer dat een zekere spanning kan bestaan tussen wat wel en niet kan. Dat gold in het bijzonder voor de specialisatie en werkwijze van de docent. De docent wilde zijn leerlingen (aan den lijve) laten ervaren welke grenzen zij in het vak van acteur tegenkomen, welke zij moeten verleggen of juist moeten stellen. Die grens werd dus in feite steeds opgezocht en overschrijding daarvan ligt dan op de loer (rov. 2.10-2.12).
(iii) De rol van de Hogeschool als werkgever. De Hogeschool heeft in 2006 en 2010 duidelijke en niet mis te verstane waarschuwingen aan de docent afgegeven. Ook heeft de Hogeschool benadrukt dat “een grote en radicale verandering” in het vakdidactisch handelen van de docent noodzakelijk is. De Hogeschool is echter in gebreke gebleven met adequate begeleiding en verandering. De Hogeschool heeft er onvoldoende zicht op gehad of de verandering werd gerealiseerd en heeft in de richting van de docent onduidelijkheid laten ontstaan of de wél doorgevoerde veranderingen voldoende waren en of hij inmiddels in didactisch opzicht goed functioneerde (de docent kon menen dat dit het geval was). Dat er tussen 2010 en medio 2017 geen klachten over de docent zijn binnengekomen, is iets anders dan actief monitoren of de door de Hogeschool gewenste drastische verandering in de manier waarop de docent lesgaf ook daadwerkelijk had plaatsgevonden. Het had van de Hogeschool vanuit haar rol als werkgever mogen worden verwacht dat zij actief samen met de docent zou onderzoeken welke didactische cursussen of begeleiding hij nodig had en dat zij erop zou toezien dat de docent die cursussen daadwerkelijk volgde en wat de resultaten daarvan waren. De Hogeschool heeft onvoldoende geconcretiseerd dat zij aan deze verplichtingen heeft voldaan (rov. 2.13-2.18).
(iv) De massageles. De docent heeft verwijtbaar gehandeld door tijdens een massageles een volledige massage van het lichaam tweemaal op dezelfde student te demonstreren. Dat geldt temeer in het licht van de waarschuwing en het verbod van fysiek contact uit 2010. De Hogeschool wist echter dat de docent desondanks massagelessen gaf. Dat diende een didactisch doel waarbij in het kader van het vakgebied van de docent de grenzen werden opgezocht (rov. 2.19 en 2.20).
in beginsel– dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden – ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:673 lid 7 sub c BW Pro oplevert. [12] Indien het verwijzingshof dit uitgangspunt niet heeft miskend, is zijn beslissing dat de handelwijze van de docent desondanks
nietals ernstig verwijtbaar handelen is te duiden, onvoldoende gemotiveerd omdat het verwijzingshof aan dat uitgangspunt geen enkele aandacht heeft besteed in zijn afweging van de omstandigheden van het geval, aldus de tweede klacht van dit onderdeel. [13]
Een duidelijke vuistregel dat bepaald soort gedrag in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, als ernstig verwijtbaar heeft te gelden, kan van grote waarde zijn voor de praktijk. Het kan niet alleen rechtsongelijkheid en rechtszekerheid tegengaan, maar ook een signaalfunctie hebben wanneer de conclusie moet worden getrokken dat de feitenrechtspraak niet steeds in voldoende mate is doordrongen van de ernst van bepaalde vormen van werknemersgedrag. Ook geeft het werkgevers- en werknemersadvocaten extra handvatten om een zaak buiten rechte op te lossen; schikken wordt eenvoudiger naarmate de voorspelbaarheid van de rechtelijke uitkomst groter wordt.
niethet karakter van een zich incidenteel, zo af en toe, eens voordoend probleempje heeft. Er is hier, veeleer, sprake van een diepgewortelde maatschappelijke misstand die bestrijding verdient, ook door de (cassatie)rechter.”
RAR2020/146 lijkt bij beantwoording van de vraag of seksueel grensoverschrijdend gedrag in een afhankelijkheidsrelatie als ernstig verwijtbaar handelen dient te worden gekwalificeerd, “een tweetrapsraket te kunnen worden gebruikt”:
JARschrijft Govaert het volgende [21] :
Het gaat (…) om iemand in een voorbeeldfunctie, die te maken heeft met een kwetsbare, afhankelijke groep. Dit had zwaarder moeten meewegen bij het bepalen van de ernst van de verwijtbaarheid. De aanpak van de werkgever doet hier niet aan af. De lat voor ernstige verwijtbaarheid wordt mijn inziens wel degelijk gehaald. De Hoge Raad lijkt in de verwijzingsbeschikking een ingezette lijn in de rechtspraak, waarin seksuele intimidatie strenger wordt getoetst (zie «JAR» 2018/68 en «JAR» 2020/193), te bestendigen. Het falen van de werkgever kan aan de ernst van de gedraging van de werknemer niet zomaar afdoen. De uitspraak van het hof past niet in deze lijn. Het is misschien dan ook nog te vroeg om een nieuw tijdperk in te luiden.”
Het verwijzingshof heeft echter miskend dat in zo’n situatie als uitgangspunt heeft te gelden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, althans is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van dit uitgangspunt. Dat uitgangspunt ontbreekt immers in het door het verwijzingshof geschetste juridisch kader (rov. 2.5 en 2.6), terwijl het evenmin wordt toegepast bij de beoordeling van de ernstige verwijtbaarheid (rov. 2.7-2.23).
(5) omstandigheden die voor de beoordeling niet meewegen2.21 De Hogeschool beroept zich, ter ondersteuning van haar stelling dat [de docent] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, op haar integriteitscode en in het bijzonder artikel 14. Daarin staat dat de medewerker zich respectvol dient te gedragen en te allen tijde ongewenst gedrag, waaronder alle vormen van discriminatie, agressie, geweld, seksuele intimidatie, pesten en treiteren en combinaties hiervan, dient te vermijden.
De integriteitscode legt voor het hof bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid in deze zaak geen (extra) gewicht in de schaal. Ook zonder een dergelijke code is duidelijk dat een docent zich dient te onthouden van gedrag dat in die code als ongewenst gedrag is beschreven.Overigens voert de Hogeschool niet aan dat en op welke wijze zij de code onder de aandacht van de medewerkers heeft gebracht en dat zij een actief beleid voert in dit verband.” (onderstreping A-G)
in zichzelfin beginsel een dringende reden voor ontslag als bedoeld in art. 7:678 lid 2 onder Pro j BW. Alsdan is sprake van een dubbele, gekwalificeerde, misstap: (i) het gedrag als zodanig, en (ii) de insubordinatie. Het feit dat de werknemer zelf ook zonder de interne instructie had moeten begrijpen dat zijn gedrag ontoelaatbaar was, doet niet af aan dat verzwarende effect van het handelen in strijd met de interne instructies. Met het stellen van de regel heeft de werkgever immers duidelijk willen maken dat het betreffende gedrag ook in zijn organisatie niet wordt gedoogd.
in strijd met interne regelsis vertoond, de verwijtbaarheid van dat gedrag vergroot (en kan maken dat het gedrag de lat van ernstige verwijtbaarheid haalt). [25] Daarnaast haalt de toelichting een rechtspraakonderzoek aan van het Hugo Sinzheimer Instituut [26] waaruit blijkt dat in de rechtspraak juist het feit dat de werknemer gedrag heeft vertoond dat in strijd komt met interne gedragsregels, regelmatig tot het oordeel leidt dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid.
Deze slaagt in het voetspoor van onderdeel 1.
Dat heeft het onvermijdelijke gevolg – en dat is niet in de laatste plaats spijtig voor de docent om te constateren – dat deze procedure ruim 3,5 jaar na indiening van het inleidende verzoekschrift tot ontbinding, nog niet kan worden afgesloten.