Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Inleiding met betrekking tot feit 1
lue ViewBlue View is een indexsysteem, waarin dumps plaatsvinden van diverse politiesystemen, zoals BVO, Summ-it, HKS, BVH, Luris, FIU, afkomstig van bijna alle opsporingsinstanties van Nederland (Kmar, FIOD et cetera). Accounts in Blue View zijn strikt persoonlijk en mogen niet gedeeld worden. Om Blue View te raadplegen wordt ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord. De gebruikersnaam is het dienstnummer van de verbalisant, [001] , zijnde [medeverdachte 3] . Hij had een Blue View account vanaf 29 augustus 2011 om 10.18 uur, op niveau Opsporing basis 3 en 4. Bevragingen geschieden op een zogenaamde lange KENO, een zoeksleutel gebaseerd op onder andere achternaam en geboortejaar van de te bevragen persoon. Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF- of Excelbestand. Vervolgens kunnen deze worden opgeslagen op bijvoorbeeld een harde schijf van een computer of op een USB-stick, indien de gebruiker rechten heeft om gegevens op een USBstick op te slaan. [medeverdachte 3] had die rechten. In de naam die het document krijgt tijdens het exporteren zit de tekst ‘Registratie Export’. Uit de bestandsnaam is afte leiden op welke datum de export is gemaakt en wat het accountnummer is van de gebruiker. Op het eerste blad van elke export is een waarschuwing opgenomen voor de gebruiker:
‘Het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens is ten strengste verboden. Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden’. De gebruiker kan pas verder gaan met exporteren als hij aangeeft dat hij de bovenstaande waarschuwing heeft gelezen en op OK drukt.
Tussenconclusie 2
Abonnementen en bevragingen in Blue ViewVanaf 30 augustus 2011 heeft [medeverdachte 3] 52 abonnementen gehad. Na oktober 2011 werden geruime tijd geen abonnementen afgesloten. Dit betreft de periode nadat de VGB was geweigerd, te weten na 19 oktober 2011. In juli 2012 werd weer een abonnement afgesloten. [medeverdachte 3] deelde geen abonnementen met andere gebruikers. [medeverdachte 3] had in Blue View op 15 juni 2015 24 abonnementen lopen op personen. Deze abonnementen moeten actief worden aangemaakt, driemaandelijks worden verlengd en worden afgesloten. De personen werden automatisch bevraagd op een lange KENO en de gebruiker, in casu [medeverdachte 3] , kreeg elke week berichten op zijn werk e-mailadres met de nieuwe resultaten van zijn abonnementen. Op 14 september 2015 liepen er in de account van [medeverdachte 3] 23 abonnementen op personen. Voorts is uit het overzicht van het totaal aantal bevragingen van [medeverdachte 3] in de onderzoeksperiode, gebleken dat het totale logbestand van [medeverdachte 3] in de periode van 30 augustus 2011 tot en met 29 september 2015 uit 28.521 regels in Blue View bestaat. Die regels werden zowel door zoekvragen als zoekresultaten gegenereerd. Uit het onderzoek Zijdehaai is niet gebleken dat andere personen met de logingegevens van [medeverdachte 3] bevragingen hebben gedaan.
Tussenconclusie 3
De advocaat-generaal is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van feit 1 primair dient te worden vrijgesproken, nu – kort gezegd – niet uit het dossier is gebleken dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] . Zo zijn er slechts twee observaties op 29 juni 2015 en 1 september 2015 die hebben geleid naar de betrokkenheid van verdachte, derhalve is er geen sprake van medeplegen.
Voorts heeft de verdediging bepleit dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 3] gedurende lange tijd politie-informatie heeft gedeeld/verstrekt met/aan verdachte. Het feit dat er tijdens een doorzoeking op 29 september 2015 geen printer werd aangetroffen in de woning van verdachte [
het hof begrijpt: de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]] en dat er voorts ook geen dactyloscopische sporen van hem zijn aangetroffen op de politie-informatie, vormt hiertegen juist een contra-indicatie.
Bovendien geldt dat [medeverdachte 3] heeft verklaard Blue View uit nieuwsgierigheid te raadplegen, hetgeen geen schending van het ambtsgeheim oplevert. Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft de verdediging gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt het volgende.
Het hof zal eerst de verweten schending van het ambtsgeheim bespreken aan de hand van de door [medeverdachte 3] afgesloten abonnementen, diens werkwijze en de in het dossier genoemde namen van onderzoeken en personen. Vervolgens zal het hof ingaan op de vraag of verdachte dit feit heeft medegepleegd.
Op de lange KENO van medeverdachte [betrokkene 5] wordt op 28 juni 2013 een abonnement gemaakt door [medeverdachte 3] .
AG TS: bedoeld zal zijn medeverdachte [medeverdachte 3]] de betreffende abonnementen bewust in stand gehouden. [medeverdachte 3] bevroeg een vaste groep personen gedurende een langere tijd. Over de concrete bevragingen en abonnementen wilde geen van de verdachten verklaren.
Vanuit het politiedomein worden (bijvoorbeeld) op 7 november 2014 e-mails verzonden naar het politieacademie domein. De verstuurde e-mails bevatten Blue View export registraties. De verstuurde e-mails worden niet meer aangetroffen in de mailbox van het politieacademie domein. Wel wordt een verwijzing gevonden naar een bijlage, die op een externe mediadrager is geplaatst.
II.
III.
Onderzoeken Bergaster en Fuut / [betrokkene 5] , [betrokkene 4] en [verdachte]
‘ [verdachte] ’ zou verdachte, [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970, betreffen.
Op 7 maart 2013 bevraagt [medeverdachte 3] medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] voor de eerste keer in Blue View. In een memo in een in beslag genomen Samsung Galaxy SIII (aangetroffen in een woning aan de [b-straat 1] te [plaats] , de woning van de ouders van [medeverdachte 3] ) van 6 maart 2013 staan de namen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] met enige specifieke details, die – naar het hof begrijpt – nodig voor het genereren van een KENO.
AG TS: kennelijk bedoeld wordt medeverdachte [medeverdachte 3]] om 16.18 uur uit het gebouw van de politieacademie te Eindhoven komt en in een Peugeot ( [kenteken 1] ) stapt. De Peugeot wordt om 16.42 uur geparkeerd op een parkeerterrein De Plaatse in [plaats] en [medeverdachte 3] begeeft zich naar het terras van een grand café. Om 18.37 uur heeft hij contact met de bestuurder van een Ford Mondeo ( [kenteken 2] ). De bestuurder van de Ford Mondeo is verdachte. Verdachte heeft deze Ford Mondeo geleased. [medeverdachte 3] stapt in. Om 18.53 uur staat de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] te [plaats] . In deze woning verblijft verdacht; hij staat er echter niet ingeschreven.
Om 19.17 uur wordt een Audi A5 ( [kenteken 3] ) geparkeerd in de straat en twee mannen, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , gaan de woning binnen. [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens met [betrokkene 5] in een woning in [plaats] is geweest om daar te praten en te kaarten. Hij trof toen in die woning [medeverdachte 3] en verdachte. Die zaten samen op de bank. Bij die gelegenheid hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 5] gesproken over het gesprek met de FIOD, het zou kunnen zijn dat de beide […] ( [medeverdachte 3] en verdachte) dat hebben opgevangen, aldus [betrokkene 4] .
Op het document [betrokkene 7] staat getypt op de linkerbovenhoek:
‘ [betrokkene 5] [
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 5]]
Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)’.
Op het document [betrokkene 11] in de linkerbovenhoek getypt:
‘10x afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)’.
Op het document Zaak in de linkerbovenhoek is getypt:
‘Let op inzet IMSI catcher bij verdachten’.
Op één van de andere pagina's staat het tijdstip van export: 12-08-2015 13.25.06. De tekst betreft een mutatie van een onderzoek, dat door [medeverdachte 3] blijkens zijn logfiles op 12 augustus 2015 om 13.42.32 is bevraagd. Vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.
Op gevouwen hoekjes op twee A4tjes stond: onder andere ‘ [betrokkene 5] ’. ‘ [betrokkene 5] ’ bleek een deel van een mutatie van 19 augustus 2015. Op dit mutatienummer heeft [medeverdachte 3] op 25 augustus 2015 en 28 september 2015 gezocht.
Op één van de pagina's is een vingerafdruk van [betrokkene 5] aangetroffen.
Op zeven pagina's uit de bundel werden vingerafdrukken van [medeverdachte 3] aangetroffen.
Op 1 september 2015 werd om 17.58 uur gezien dat [medeverdachte 3] in [plaats] in een BMW ( [kenteken 4] ) stapte en om 18.26 uur reed hij over de Run in [plaats] . Vervolgens stond de BMW geparkeerd op het parkeerterrein De Plaatse te [plaats] . Om 18.50 uur staat de Ford Mondeo ( [kenteken 2] ) geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] . Om 19.07 uur arriveert een Audi ( [kenteken 5] ) ter hoogte van [a-straat 1] . De bestuurder, die na onderzoek geïdentificeerd kan worden als [betrokkene 5] , stapt uit. Om 19.58 uur verlaat hij de woning. Om 20.04 uur verlaat [medeverdachte 3] de woning en stapt hij bij verdachte als bijrijder in de Ford Mondeo. Om 20.12 uur stopt de Mondeo bij de BMW. Om 20.39 uur is de BMW in [plaats] en om 21.04 stapt [medeverdachte 3] zijn woning binnen met een voorwerp in zijn hand.
Op 27 augustus 2015 werd Blue View door [medeverdachte 3] bevraagd. Er werd een groot aantal bevragingen gedaan en informatie werd geëxporteerd. [betrokkene 5] werd uitgebreid bevraagd en vermoedelijk werd een BVH-registratie geëxporteerd, handelende over de overgeschreven auto's in het onderzoek Bergaster.
Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van verdachte. Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van verdachte, onder meer 4 fragmenten op de KENO [betrokkene 5] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.
Op 30 september 2015 werd in de garage van de [a-straat 1] te [plaats] in een plastic tas een briefje gevonden met de tekst:
'Ab: [betrokkene 7]
[geboortedatum] /80’.
Een papiertje met ongeveer gelijkluidende gegevens werd aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] .
Op 22 juni 2015 is door [medeverdachte 3] in Blue View gezocht op de KENO van deze persoon en de registraties worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden de registraties (opnieuw) geëxporteerd. Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan. Er wordt een abonnement aangemaakt op de lange KENO van de persoon.
Op 21 en 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw bevraagd en wordt een BVH-registratie, die ook op 22 en 23 juni 2015 en op 5 augustus 2015 door [medeverdachte 3] is geraadpleegd, geëxporteerd. Deze registratie is gestart naar aanleiding van een melding van activiteiten die verband hielden met het kweken van hennep na een inbraak in een woning en de registratie werd in de loop van de tijd steeds uitgebreid. De registratie werd voor de laatste maal geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september 2015 om 11.23.19 uur. De verdachte in die zaak was de huurder van de woning: [betrokkene 7] .
De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [betrokkene 7] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [betrokkene 7] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door [medeverdachte 3] op verschillende tijdstippen is geraadpleegd.
In de computer van verdachte zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.
Het hof stelt vast dat verdachte zijn verblijfplaats aan de [a-straat 1] te [plaats] beschikbaar stelde om de (papieren) informatie goed te verbergen, dat er informatie op de computer van verdachte werd bekeken / verwerkt en dat de woning van verdachte werd gebruikt om de afnemer(s) van de informatie te ontmoeten / te spreken. Daarnaast bracht verdachte [medeverdachte 3] van en naar het adres in [plaats] . Verdachte moet volledig op de hoogte zijn geweest van het handelen van [medeverdachte 3] .
Het verweer van de verdediging dat [medeverdachte 3] heeft verklaard Blue View uit nieuwgierigheid te raadplegen en dat bevragingen om die reden geen schending van het ambtsgeheim opleveren, wordt door het hof verworpen. [medeverdachte 3] heeft deze bewering niet nader toegelicht of onderbouwd met concrete voorbeelden. Daarover wilde [medeverdachte 3] , zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet verklaren. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte 3] alle bevragingen die hij niet in het kader van zijn taakvervulling als politieagent heeft verricht louter uit nieuwsgierigheid heeft gedaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte regelmatig hem bekende personen heeft bevraagd, personen die veelal in verband konden worden gebracht met hennepteelt/-kwekerijen. Zo bevroeg verdachte regelmatig verdachte en medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Ook valt op, dat [medeverdachte 3] vaak personen bevroeg voorafgaand, tijdens en na een onderzoek of doorzoeking.
Bovendien, zelfs al zou [medeverdachte 3] een aantal bevragingen louter uit nieuwsgierigheid hebben gedaan, hij wist en behoorde te weten dat hij uitsluitend gerechtigd was Blue View te raadplegen in het kader van zijn politietaak en daarvan is naar het oordeel van het hof bij het hobbymatig door het systeem zoeken ten behoeve van zichzelf geen sprake. Voorts is gebleken dat [medeverdachte 3] de politie-informatie ook daadwerkelijk heeft verstrekt aan onbevoegde derden. Immers, vast is komen te staan dat [medeverdachte 3] in Blue View veelvuldig bevragingen heeft gedaan anders dan ter vervulling zijn politietaak. Bovendien is gebleken dat [medeverdachte 3] met een aantal van de bevraagde personen, al dan niet levenden lijve, contact heeft gehad. In de gedragingen van [medeverdachte 3] over een lange periode is een patroon te zien. Zo is door [medeverdachte 3] uit Blue View geëxporteerde informatie ten aanzien van medeverdachte [betrokkene 5] in geprinte vorm in het huis van verdachte aangetroffen en is op een vel daarvan een dactyloscopisch spoor van [betrokkene 5] gevonden. Daaruit blijkt dat in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen van [betrokkene 5] terecht is gekomen.
Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Daarbij dient in deze zaak betrokken te worden de vraag of er in dit geval sprake kan zijn van medeplegen van overtreding van artikel 272 Sr Pro, een zogenaamd kwaliteitsdelict. Immers, verdachte en medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] waren niet werkzaam bij de politie, maar waren ‘burgers’. Het hof is, samen met de rechtbank, van oordeel dat voor een veroordeling wegens het medeplegen van een kwaliteitsdelict voldoende is dat één van de deelnemers over de kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan bij verdachte en medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] sprake.
- Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van verdachte. Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van verdachte, onder meer 4 fragmenten op de KENO [betrokkene 5] , en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.
Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte een bepalende rol had bij het schenden van het ambtsgeheim door [medeverdachte 3] ten behoeve van derden, onder meer met betrekking tot vertrouwelijke politie-informatie betreffende de onderzoeken Fuut en Bergaster. Verdachte stelde niet alleen zijn woning beschikbaar als ontmoetingsplek, hij verborg ook vertrouwelijke politie-informatie van [medeverdachte 3] op een geheime bergplaats, hij gebruikte zijn computer om informatie te lezen en/ofte bewerken of liet zijn computer daarvoor gebruiken, hij maakte het mogelijk dat [medeverdachte 3] en afnemers van de informatie elkaar in zijn woning konden ontmoeten en hij haalde [medeverdachte 3] daartoe op en bracht hem weer terug. Anders dan het standpunt dat de verdediging hanteert, bestaat de betrokkenheid van verdachte daarmee wel degelijk uit meer dan hetgeen de twee observaties laten zien. Gelet op de voorgaande gedragingen was gedurende die maanden sprake een intensieve samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] . De onderlinge taakverdeling was zo dat [medeverdachte 3] zorgde voor de gegevens en verdachte hielp met de verspreiding van die gegevens zodat onbevoegden daarvan kennis konden nemen. Daardoor werkte verdachte samen met [medeverdachte 3] met de afhandeling van het delict, de schending van zijn ambtsgeheim. Gelet daarop is er naar het oordeel van het hof sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van voldoende gewicht tussen [medeverdachte 3] en verdachte. De rol van verdachte vormde immers een wezenlijke bijdrage in het geheel van handelingen. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, wordt dan ook door het hof verworpen. Het feit dat er tijdens een doorzoeking op 29 september 2015 geen printer werd aangetroffen in de woning van [verdachte] [
de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]] en dat er voorts geen dactyloscopisch sporen van hem zijn aangetroffen op de politie-informatie, doet aan het bovenstaande niet af.
Het hof concludeert dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het gedurende langere tijd bij herhaling overtreden van artikel 272 Sr Pro.”
3.Beoordeling van het eerste middel
voorafgaandaan de door het hof bewezenverklaarde periode van 29 juli t/m 29 september 2015, namelijk op bevragingen in de periode van 1 januari 2013 tot 29 juli 2015. In zijn bewijsoverwegingen gaat het hof uitgebreid in op de werkwijze van medeverdachte [medeverdachte 3] en de bevragingen in de politiesystemen die hij deed in het kader van het onderzoek Bergaster. Dat de verdachte bij deze bevragingen betrokken is geweest, volgt echter niet zonder meer uit de bewijsmiddelen.
binnende bewezenverklaarde periode. Deze bewijsmiddelen geven bovendien steun aan het feit dat in de bewezenverklaarde periode de vertrouwelijke politiegegevens ook zijn geopenbaard aan onbevoegde derden. Ik wijs op de volgende bewijsmiddelen op pagina 14-21 en 23-25 van het arrest:
(…)
(…)
(…)
(ZD.01 pagina’s 964-965)
16.18 uur komt [medeverdachte 3] uit de politieacademie te Eindhoven en stapt in een Peugeot [kenteken 1] . 16.42 uur werd de Peugeot geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan De Plaatse te [plaats] , 16.43 uur stapt [medeverdachte 3] uit en gaat op het terras van grand café [D] zitten.
(ZD.01 pagina 937-938)
(ZD.01 pagina’s 133-136)
(ZD.01 pagina’s 317)
vervalst fuut
saxo fuut.
(ZD.01 pagina’s 1413-1416)
(ZD.01 pagina’s 940-943)
kennelijk verschrijving in het proces-verbaal: [plaats] i.p.v. [plaats]] 18.50 uur Ford Mondeo [kenteken 2] stond geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] [plaats] . Om 19.07 reed een grijze Audi [kenteken 5] de straat in en parkeerde ter hoogte van [a-straat 1] . De bestuurder stapt uit. Om 19.58 uur verliet hij de woning. OM 20.04 uur liep [medeverdachte 3] over de oprit van [a-straat 1] komende vanaf de voordeur. De Ford Mondeo [kenteken 2] kwam achteruit de oprit af gereden waarna [medeverdachte 3] als bijrijder instapte. Om 20.12 uur stopte de Ford Mondeo bij de BMW [kenteken 4] en [medeverdachte 3] stapt in de BMW. Hij heeft een zwart voorwerp vast. Om 20.39 wordt de BMW geparkeerd op de oprit van de woning aan de [b-straat] , om 20.52 uur vertrekt de BMW, om 21.04 gaat [medeverdachte 3] de woning [h-straat] binnen met een zwart voorwerp in zijn hand, gelijkend op een externe harde schijf.
(ZD.01 pagina’s 340-342)
(ZD.01 pagina’s 41-42)
(ZD.01 pagina’s 639-646)'
Op één van de pagina's (J.04.01.014.131) staat het tijdstip 12-08-2015 13.25.06. (zie AMB064 hieronder)
Op een 4-tje (J.04.01.014001) (paginanummer 6) stond op een gevouwen hoekje
(…)
(ZD.01 pagina’s 558-559)
7-mrt-2013 11:28:53 Natuurlijk Persoon NATPERS#N# [betrokkene 5]
III
(ZD.01 pagina’s 384-436)
linkfilesop de computer kan worden afgeleid dat op 1 september 2015 op één van die twee externe gegevensdragers, verbonden met de computer van de verdachte, bestanden zijn geopend. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat in de computer van de verdachte
unallocated spacesporen zijn gevonden van teksten die voortkomen uit een proces-verbaal dat in Blue View is geraadpleegd en geëxporteerd door [medeverdachte 3] . Daarnaast zijn er 27 andere tekstfragmenten gevonden die afkomstig zijn uit Blue View. Tot slot zijn bij de verdachte sleutels in een schoenendoos aangetroffen van een auto die op naam stond van [betrokkene 5] , een persoon die ook in deze woning kwam en waarover ook veel gegevens waren bevraagd in de politiesystemen door [medeverdachte 3] . De stelling in de toelichting op het middel dat bij het slagen van de eerste deelklacht (over het bewijs omtrent de undercoveragent) enkel nog zou overblijven dat geheime informatie met [betrokkene 5] is gedeeld, mist dus feitelijke grondslag.
4.Het tweede en derde middel
- telkens contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van 88.320,- euro) gestort op een bankrekening die op zijn, verdachtes, naam was gesteld, en
Met betrekking tot feit 4: gewoontewitwassen(ZD.02 pagina’s 7-15)
Met betrekking tot feit 5 subsidiair: witwassen
(ZD.02 pagina’s 143-144) Dit geld is ter vernietiging bij de Nederlandsche Bank afgegeven.
Met betrekking tot feit 4: gewoontewitwassenAan verdachte is onder feit 4 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van de aldaar genoemde geldbedragen (‘gewoontewitwassen’).
Contante stortingenVerdachte heeft in de ten laste gelegde periode contante stortingen verricht op bankrekeningen van hemzelf tot een totaalbedrag van € 88.320,- en heeft hiermee betalingen verricht.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zeer summier verklaard dat deze contante stortingen gelden zijn die zijn verkregen uit eigen criminele activiteiten. Het hof overweegt ter zake van deze verklaring als volgt.
Met betrekking tot feit 5 primair en subsidiair: witwassen in de zin van art. 420bis lid 1 respectievelijk lid 2 Sr
Het hof overweegt als volgt.
Tegen de achtergrond van de bestendige jurisprudentie zoals reeds hiervoor aangehaald onder feit 4 geldt echter ook bij het tenlastegelegde witwassen bij feit 5 dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, rov. 2.3.1 en 2.3.2; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, rov. 3.2.3. en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3020, rov. 2.6.).
(…)
De voorzitter stelt de persoonlijke omstandigheden van verdachte aan de orde en deelt kort de inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie mede.
(…)
De advocaat-generaal gaat verder met rekwireren en voert daarbij wederom het woord overeenkomstig de inhoud van het door deze aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir. In aanvulling daarop voert hij het volgende aan.
Pagina 11 tweede ster en pagina 12 eerste ster
(…)
Voorts pleit de raadsman overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota’s, welke als bijlagen 3 en 4 aan dit proces-verbaal zijn gehecht en als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. In aanvulling daarop brengt hij het volgende naar voren [
opmerking griffier: bij elke aanvullende opmerking is op de betreffende plek in het pleidooi een ster aangebracht]
(…)
Pagina 5 eerste ster
Feiten 4 en 5 witwassen van geldenOnder feit 4 werd door de rechtbank bewezen verklaard dat cliënt in de periode van 10 januari 2013 t/m 1 september 2015 geldbedragen voorhanden heeft gehad en deze contante geldbedragen heeft gestort op zijn eigen bankrekening (een bedrag van € 88.320,00), contant de huur van auto's heeft betaald ( € 13.808,53) en een money transfer heeft verricht naar Enexis BV (€ 2.534,14). De rechtbank stelt in haar vonnis dat er geen direct bewijs in deze zaak is voor een nauwkeurig aangeduid gronddelict. Ook stelt de rechtbank dat van cliënt geen legale bronnen van inkomsten bekend zijn. Ook is niet bekend dat hij beschikte over legaal vermogen. Vervolgens zegt de rechtbank van oordeel te zijn dat reeds uit voormelde feiten en omstandigheden, gelet op de omvang van de stortingen en de uitgaven en op
de aanwijzing dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten, kan worden afgeleid dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.
Dit zo zijnde zegt de rechtbank eigenlijk met andere woorden dat verdachte deze gelden uit door hem zelf begane strafbare feiten heeft verkregen. Indien de rechtbank dit vaststelt is het zo dat de nadien te bespreken uitspraak van uw Hof in de zaak [betrokkene 5] van 2 mei 2017, parketnummer 20.003244-16 had dienen te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, omdat het voorhanden van gelden uit eigen misdrijf niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, althans en in ieder geval niet voor 1 januari 2017.
Een zelfde redenering wenst de verdediging te volgen voor het voorhanden hebben van een bedrag van € 235.140,00, bewezen verklaard onder feit 5 subsidiair ter zake van witwassen.
*
*waarin het Gerechtshof het volgende stelt:
"in aanmerking nemende dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de aangetroffen geldbedragen, moet het er voor gehouden worden dat die geldbedragen een criminele herkomst hebben. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte de aangetroffen geldbedragen voor een ander onder zich had. Daarom houdt het Hof het ervoor dat de aangetroffen geldbedragen van eigen misdrijf van de verdacht afkomstig waren".
*Het Hof hanteert hier eigenlijk simpelweg ook dezelfde redenering van de rechtbank in de zaak Radium van 6 februari 2018 alsook van de rechtbank in de thans bestreden uitspraak. Het zou ook heel vreemd zijn om een andere redenering te volgen, omdat dan alle geldbedragen onder de feiten 4 en 5 genoemd, andermans geld zou moeten zijn, terwijl er telkens gezegd wordt dat cliënt zich bezig hield met het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank was gelet op haar vonnis op de hoogte van het feit dat [verdachte] op 6 februari 2018 door dezelfde rechtbank werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden ter zake voorbereidingshandelingen m.b.t. de hennepteelt. Onderdeel van dit vonnis en ook bewezen werd verklaard dat hiervan deel uitmaakte een bedrag van € 235.140,00. Dit zo zijnde, had de rechtbank moeten oordelen dat het onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde witwassen niet als witwassen gekwalificeerd had kunnen worden, omdat blijkens bestendige rechtspraak, [verdachte] ter zake van dit feit in ieder geval ontslagen had dienen te worden van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft in haar pleidooi ook gewezen op een arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 2 mei 2017, gewezen onder parketnummer 20-003244-16. In die zaak heeft het Gerechtshof geoordeeld dat het geldbedrag verkregen was uit eigen misdrijf, weshalve in die zaak tot ontslag van alle rechtsvervolging werd gekomen. De rechtbank had juist oordelend [verdachte] ter zake van feit 5 subsidiair dienen te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
immers heeft hij:
(…)
te [plaats] ( [a-straat] ) de volgende voorwerpen en gegevens voorhanden gehad;
E) een catalogus DGO (prijslijst van hennepgroothandel), en
F) papiertjes met namen en bedragen, notities met klusjes, facturen voor goederen voor een inrichting van een hennepkwekerij, althans een hennepadministratie, en
G) een sealapparaat en
H) 34 (vierendertig) telefoons en
I) 6 (zes) jammers en
J) identiteitsbewijzen van derden en
M) 235.330 euro.”
5.Juridisch kader
voorhanden hebbenvan voorwerpen (geldbedragen) die uit misdrijf afkomstig zijn bewezenverklaard, terwijl de verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat deze voorwerpen (onmiddellijk) uit eigen misdrijf afkomstig waren, op grond waarvan het bewezenverklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Mijn ambtgenoot Aben heeft het hiervoor toepasselijk juridisch kader als volgt samengevat:
onmiddellijk uit een door hemzelf begaan misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als ‘witwassen’ kunnen worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen zal het meerdere erin moeten bestaan dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dit moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid. De kwalificatie van witwassen is niet toegestaan indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Met deze uitsluitingsgrond beoogt de Hoge Raad te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. [6]
nietvan toepassing als naast het ‘voorhanden hebben’ dan wel ‘verwerven’ óók (of slechts) ‘overdragen’, ‘gebruikmaken’ of ‘omzetten’ bewezen is verklaard. Die gedragingen hebben immers een nadrukkelijker verhullend karakter dan verwerven of voorhanden hebben. Toch is dat anders als het bijzondere geval zich voordoet dat zulk overdragen, gebruikmaken of omzetten van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. [7]
in de regelsprake is van zo’n bijzonder geval als hiervoor bedoeld in gevallen waarin het ‘omzetten’ of ‘overdragen’ heeft bestaan uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Ook hier geldt weer dat een dergelijk geval (dus) slechts de kwalificatie van ‘witwassen’ kan dragen als de gedraging – of, zo is mijns inziens niet uitgesloten, het geheel van de gedragingen – een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft. [8]
(i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
verwervenof
voorhanden hebbenvan een in de tenlastelegging omschreven voorwerp dat (2)
onmiddellijk afkomstig is (3) uit
eigenmisdrijf, (4) uit de motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Indien de onderdelen 1 tot en met 3 van toepassing zijn op de zaak, maar de rechter niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht als bedoeld onder 4, én als vaststaat dat het enkele voorhanden hebben of verwerven niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, dan is de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. Indien het geval zich voordoet waarin (naast ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp, ook) ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ is bewezen verklaard, dan is toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond afhankelijk van de vraag of dat ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ op hetzelfde neerkomt als ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’. Doorgaans zal dat niet het geval zijn, maar blijkt daarvan toch, dan geldt dezelfde motiveringseis als bij het ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ en zal de rechter dus in de uitspraak moeten laten zien waaruit het verhullende karakter blijkt.”
6.Beoordeling van het tweede middel
“Echter, op grond van bestendige jurisprudentie geldt dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”
onmiddellijkeigen misdrijf afkomstig voorwerp zodat het feit als witwassen kan worden gekwalificeerd. De stelling dat het hof in het midden heeft gelaten of de geldbedragen (onmiddellijk) uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig zijn, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Dat het hof, in het kader van zijn (tussen)oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, heeft overwogen dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten maakt dat niet anders. Het hof heeft daarmee het toepasselijk juridisch kader omtrent witwassen en de kwalificatie-uitsluitingsgrond, zoals door het hof in zijn arrest ook vooropgesteld, niet miskend. Onbegrijpelijk is zijn oordeel evenmin. De verdachte heeft immers enkel verklaard dat het geld uit eigen criminele activiteiten zou zijn verkregen en dat hij zich eerder met drugsfeiten bezig had gehouden. De raadsman heeft vervolgens met betrekking tot feit 4 enkel aangevoerd dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat sprake is van uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp (hetgeen ik overigens niet zo lees) en een arrest aangehaald van de medeverdachte [betrokkene 5] en daarvan gezegd dat dezelfde redenering en uitkomst (namelijk ontslag van alle rechtsvervolging) dient te volgen. Daarbij merk ik nog op dat de enkele omstandigheid, dat de herkomst uit een door verdachte (onmiddellijk) zelf begaan misdrijf ‘niet kan worden uitgesloten’ niet volstaat om de kwalificatie-uitsluitingsgrond toepasselijk te achten. [10] Daarnaast is in onderhavige zaak geen sprake van een bewezenverklaring van een misdrijf ten aanzien van hetzelfde witgewassen voorwerp, noch zijn er bewijsmiddelen waaruit rechtstreeks voortvloeit dat er sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is.
7.Beoordeling van het derde middel
onmiddellijkuit eigen misdrijf afkomstig is, begrijpelijk is in het licht hetgeen door de verdediging daaromtrent is aangevoerd. Net als bij het tweede middel geldt ook hier dat de stelling in de toelichting op het middel dat het hof in het midden heeft gelaten of het geldbedrag uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig is, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Ook met betrekking tot feit 5 ligt namelijk in de overwegingen van het hof besloten dat het van oordeel is dat het niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is:
“Tegen de achtergrond van de bestendige jurisprudentie zoals reeds hiervoor aangehaald onder feit 4 geldt echter ook bij het tenlastegelegde witwassen bij feit 5 dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (…).”Dat het hof, in het kader van zijn (tussen)oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, (wederom) heeft overwogen dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten maakt dat niet anders. Het hof heeft daarmee het toepasselijk kader omtrent witwassen en de kwalificatie-uitsluitingsgrond, zoals door het hof in zijn arrest ook vooropgesteld, niet miskend.