Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
NJ1995, 288 (Poot/ABP) én omdat het hem op grond van de huurovereenkomst niet was toegestaan om het gehuurde te laten exploiteren door een derde, zoals [A] B.V., de partij die volgens de eigen stellingen van [de huurder] degene is die primair de schade heeft geleden;
Ad b. (afgeleide schade). De door [de huurder] gestelde schade bestaat mede uit vermindering van de waarde van de door hem gehouden aandelen in [B] als gevolg van vermindering van de waarde van de door [B] gehouden aandelen in [A] . Deze schade kwalificeert als zogenaamde (dubbel) afgeleide schade. Voor vergoeding van afgeleide schade is op grond van het door [de verhuurder] aangehaalde arrest van de Hoge Raad Poot/ABP in beginsel geen plaats. Daarop past naar het oordeel van het hof in dit geval echter een uitzondering omdat hier sprake is van schending door [de verhuurder] van een jegens [de huurder] in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsnorm – de verplichting om zich tegenover [de huurder] , als zijn huurder, als goed verhuurder te gedragen. Dat het hof Arnhem in een door [de huurder] geïnitieerde procedure tot faillietverklaring van [de verhuurder] hierover (voorlopig) anders heeft geoordeeld maakt dit niet anders. Naar zijn aard heeft een dergelijk (voorlopig) oordeel in een dergelijke procedure – een oordeel over de (on)gegrondheid van een vordering waarop een faillissementsaanvraag is gebaseerd, gegeven in de betreffende faillissementsprocedure – tussen partijen geen gezag van gewijsde. De door [de verhuurder] gestelde omstandigheid dat het [de huurder] volgens de huurovereenkomst niet was toegestaan om het gehuurde door [A] te laten exploiteren maakt het voorgaande niet anders. Voor de begroting van de schade van [de huurder] hoeft ook niet te worden uitgegaan van de hypothetische situatie dat hijzelf in plaats van [A] het café zou zijn gaan/blijven exploiteren, omdat [de verhuurder] niet heeft gesteld dat hij bij gebreke van de door hem gepleegde wanprestatie, [de huurder] zou hebben gedwongen (of gevraagd) om de exploitatie zelf (weer) ter hand te nemen.”
het moeten sluiten van [het café]” in het dictum van het vonnis van 29 augustus 2007 van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag in de hoofdprocedure tussen [de huurder] en [de verhuurder] (randnummer 1.4 hiervoor), zoals dat is bekrachtigd door het hof Den Haag (randnummer 1.5 hiervoor). Volgens het hof lijkt bij de uitleg van deze woorden relevant te kunnen zijn wat partijen in de hoofdprocedure ten aanzien van de schade en de oorzaken daarvan hebben aangevoerd. Het hof heeft [de huurder] daarom opgedragen om het procesdossier in de hoofdprocedure in het geding te brengen:
Ad c. (alleen schade vanwege het moeten sluiten). Het relevante onderdeel van het dictum van het eindvonnis in de hoofdzaak van 29 augustus 2007 (…) houdt in dat [de verhuurder] wordt veroordeeld “tot vergoeding aan [de huurder] van de door deze geleden
schade als gevolg van het moeten sluiten van [het café]door het toerekenbaar tekortschieten van [de verhuurder] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst” (onderstreping toegevoegd). In het hoger beroep in de hoofdzaak is dit vonnis, in zoverre, bekrachtigd.
nietwordt toegekomen indien de door [de verhuurder] bepleite uitleg van het dictum van het vonnis in de hoofdprocedure wordt gevolgd:
Ad d. (causaal verband omzetdaling). [de huurder] stelt dat hij in de periode 2002-2006, in het licht van de door [de verhuurder] afgedwongen bestuursdwang, de muziek in het café zachter is gaan draaien teneinde aan de door de Milieudienst – op verzoek van [de verhuurder] – gehandhaafde geluidsnormen te voldoen. Dit kostte [de huurder] naar eigen zeggen publiek en daarmee omzet en, dus, niet alleen winsten maar ook winstgevendheid. Indien het hof de door [de verhuurder] bepleite uitleg van het dictum in de hoofdzaak mocht volgen, dan wordt aan compensatie van de gestelde gederfde winsten niet toegekomen. Evenmin zou dan voor de bepaling van de goodwillwaarde per het moment van sluiting van het café in 2006, uitsluitend mogen worden gerekend met het (gemiddeld) resultaatsniveau van het café van vóór 2002 (zoals [C] doet in haar rapport). Als geen rekening zou worden gehouden met het gestelde verlies van winstgevendheid in de periode 2002-2006 (en dus van de werkelijke (gestelde) lagere winsten respectievelijk van die verliezen zou worden geabstraheerd), dan zou immers, de stellingen van [de huurder] [bedoeld zal zijn: [de verhuurder] , A-G] volgend, alsnog worden gerekend met vóór 2006 door [de verhuurder] veroorzaakte schade.”
nietde schade in de periode 2002 tot 17 mei 2006 omvat en deze schade dus
nietvoor begroting in de schadestaatprocedure aanmerking komt:
schade als gevolg van het moeten sluiten van [het café]door het toerekenbaar tekortschieten van [de verhuurder] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst” (onderstreping toegevoegd, hof) geacht moet worden mede de thans door [de huurder] gestelde schade gerelateerd aan gederfde winst en verlies van winstgevendheid van [A] in de periode 2002-2005 (goedbeschouwd gaat het om de periode tot 17 mei 2006; het hof zal hierna refereren aan de periode 2002-mei 2006), dat wil zeggen voorafgaande aan die sluiting, te omvatten. In hun aktes na het tussenarrest hebben [de huurder] en [de verhuurder] bepleit dat dit wel respectievelijk niet het geval is. Het hof beantwoordt deze vraag thans in de door [de verhuurder] voorgestane zin. In de conclusie van antwoord/eis in reconventie in de hoofdzaak is geen stelling te vinden die ertoe strekt dat [de huurder] in deze periode schade heeft geleden, en in het eindvonnis in de hoofdzaak is hierover ook niets terug te vinden. Dit rechtvaardigt het dictum van dit eindvonnis op dit punt letterlijk te nemen, en in de daarin uitgesproken veroordeling en verwijzing naar de schadestaat in reconventie, niet die schade 2002-mei 2006 begrepen te achten.
slechts(2.28: uitsluitend) zou mogen worden uitgegaan van de winstgevendheid van vóór 2002. Het hof handhaaft dit voorlopig oordeel als eindoordeel. In zijn akte stelt [de huurder] verder nog dat wanneer [A] de exploitatie van het café vanaf mei 2006 ongehinderd had kunnen voortzetten, sprake was van levensvatbaarheid. Ook hierover heeft het hof (voorlopig) niet anders geoordeeld. Het ging er naar het voorlopig oordeel van het hof slechts om of, wanneer (ook) rekening zou worden gehouden met de verlieslatende exploitatie over de periode 2002-mei 2006, de goodwillwaarde van het café het negatief eigen vermogen van [A] zogezegd zou kunnen compenseren (zodat bij realisatie van de goodwill binnen [A] – de door [de verhuurder] veroorzaakte noodzaak tot sluiting weggedacht – een positief eigen vermogen zou ontstaan, en dan mogelijk zou kunnen worden gesproken van schade voor [de huurder] als (indirect) aandeelhouder). Het hof beantwoordde deze vraag voorlopig ontkennend, en handhaaft dit voorlopig oordeel thans als eindoordeel. Aangenomen moet immers worden dat de goodwillwaarde van een cafébedrijf dat al een aantal jaren op rij verlieslatend is, lager ligt dan wanneer sprake zou zijn van continue winstgevendheid, óók als de oorzaak van de verlieslatende exploitatie uit het verleden per datum waardering geacht zou worden niet meer aanwezig te zijn. Klanten zullen immers moeten worden (terug)gewonnen, en dat zal een drukkend effect hebben op de waarde. Het had op de weg van [de huurder] gelegen om te concretiseren dat de goodwillwaarde in dat scenario desondanks hoger uitkwam dan de negatieve waarde van het (negatief) eigen vermogen van dat moment, en dat heeft hij niet gedaan.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1: afgeleide schade;
onderdeel 2: schade over de periode 2002-2006;
onderdeel 3: beoordeling van de primaire vordering van [de huurder] ;
onderdelen 4 tot en met 7: uitleg van het dictum in het vonnis van 29 augustus 2007; en
onderdeel 8: de schadecomponenten van [de huurder] .
onderdeel 1.1dat het hof in rov. 2.23. van het bestreden tussenarrest van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, omdat niet duidelijk is wat het hof onder “
(dubbel) afgeleide schade” verstaat.
(dubbel) afgeleide schade” erop heeft gedoeld dat [de huurder] middels [B] en dus indirect – niet rechtstreeks – aandeelhouder is van [A] . Dat blijkt duidelijk uit de eerste en tweede zin van rov. 2.23. (na de aanhef): “
De door [de huurder] geleden schade bestaat mede uit vermindering van de waarde van de door hem gehouden aandelen in [B] als gevolg van vermindering van de waarde van de door [B] gehouden aandelen in [A] . Deze schade kwalificeert als zogenaamde (dubbel) afgeleide schade.”
onderdeel 1.2klaagt [de huurder] dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het hof in rov. 2.23. van het bestreden tussenarrest heeft geoordeeld dat de vordering van [de huurder] het leerstuk van de afgeleide schade betrof. Het leerstuk van de afgeleide schade is volgens [de huurder] niet aan de orde, omdat geen sprake is van een normschending jegens de vennootschap, maar uitsluitend en rechtstreeks jegens de gelaedeerde, zoals in dit geval [de huurder] .
een uitzonderingop het uitgangspunt dat in beginsel geen plaats is voor vergoeding van afgeleide schade. [de verhuurder] heeft immers naar het oordeel van het hof een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens [de huurder] geschonden, te weten de verplichting om zich tegenover huurder [de huurder] als goed verhuurder te gedragen. Naar het oordeel van het hof kan [de huurder] vergoeding van zijn (afgeleide) schade dus wél vorderen. [12] [de huurder] heeft daarom geen belang bij beoordeling van zijn klacht tegen de overweging van het hof ten aanzien van het leerstuk van afgeleide schade.
onderdeel 1.3dat de kantonrechter in de schadestaatprocedure de vordering van [de huurder] heeft afgewezen, omdat de door hem gestelde afgeleide schade
nietvoor vergoeding in aanmerking komt en
geenuitzonderingsregel van toepassing is. Het hof heeft in rov. 2.23. van het bestreden tussenarrest echter geoordeeld dat de door [de huurder] geleden schade als gevolg van de waardevermindering van zijn aandelen in het kapitaal van [B]
welals (dubbel) afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op deze tegengestelde oordelen is het volgens [de huurder] onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het vonnis van de kantonrechter zonder meer heeft bekrachtigd.
onderdeel 2.1dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 2.27. van het bestreden tussenarrest heeft overwogen dat [de huurder] heeft aangevoerd dat hij alsnog schadevergoeding over de periode 2002-2006 vordert voor het geval het dictum in de hoofdprocedure op die schade geen betrekking zou hebben. Volgens [de huurder] heeft hij dit standpunt niet ingenomen.
onderdeel 2.2klaagt [de huurder] dat het onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd is dat het hof in rov. 2.27. van het bestreden tussenarrest heeft overwogen dat [de huurder] niet zou hebben weersproken dat zijn schadevergoedingsvordering over de jaren 2002-2006 is verjaard.
onderdelen 3.1, 3.2 en 3.3dat het hof in rov. 2.5., 2.6. en het dictum van het bestreden eindarrest en in rov. 2.1. en het dictum van het bestreden herstelarrest ten onrechte de primaire vordering van [de huurder] niet (kenbaar inhoudelijk) heeft beoordeeld, althans onvoldoende gemotiveerd. De primaire vordering van [de huurder] zag op vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit het gemis aan inkomsten uit de arbeidsbetrekking tussen [de huurder] en [A] en de goodwill. Volgens [de huurder] heeft het hof in rov. 2.5. van het bestreden eindarrest slechts de schadecomponent ‘goodwill’ beoordeeld als onderdeel van de
subsidiairevordering van [de huurder] . Ook betoogt [de huurder] dat het door [de verhuurder] gevoerde verweer irrelevant was met betrekking tot zijn primaire vordering. [de huurder] stelt dat het hof (ambtshalve) had moeten beoordelen in hoeverre er een kans was dat het café zijn populariteit zou hebben herwonnen en [A] weer winstgevend zou zijn geworden.
€ 15.000,-
Begroting van de schade van [de huurder]
productie 5). Dat komt neer op een bedrag ad (25 x € 22.328,- = ) € 558.200,-. Tussen de toerekenbare tekortkoming van [de verhuurder] en het faillissement van [A] B.V. bestaat een rechtstreeks causaal verband, zodat evenzeer een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en het verlies aan inkomen.”
alternatieve berekeningswijze” van de schade, waarop het hof in zijn beoordeling niet expliciet hoefde in te gaan. Van een ‘alternatieve berekeningswijze’ is bij deze schadepost geen sprake. [de huurder] heeft € 558.200 aan misgelopen salaris tot aan zijn pensionering gevorderd als onderdeel van zijn primaire vordering. Het hof had moeten beoordelen of en zo ja, in hoeverre deze schadepost/dit deel van de vordering van [de huurder] voor toewijzing in aanmerking kwam. Nu het hof dat heeft nagelaten zal, na vernietiging van het bestreden eindarrest, het verwijzingshof alsnog moeten beoordelen of en zo ja, in hoeverre deze schadecomponent voor vergoeding in aanmerking komt.
subsidiairevordering van [de huurder] – en niet in het kader van zijn
primairevordering – blijkt nergens uit en is ook niet relevant. Het gaat erom óf het hof de betreffende schadecomponent heeft beoordeeld en dat is evident het geval. Overigens is ook onjuist dat het verweer van [de verhuurder] niet op de primaire vordering van [de huurder] zou zien. [de verhuurder] heeft (in het algemeen) verweer gevoerd tegen (de begrotingswijze van) de schadecomponent ‘goodwill’ en zijn verweer niet beperkt tot de subsidiaire vordering van [de huurder] .
Grief V
als gevolg van het moeten sluiten van [het café] door het toerekenbaar tekortschieten van [de verhuurder] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet” (randnummer 1.4 hiervoor). Het hof heeft in hoger beroep in de hoofdprocedure het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd ten aanzien van deze verwijzing naar de schadestaatprocedure (randnummer 1.5 hiervoor). Dat arrest heeft kracht van gewijsde (randnummer 1.6 hiervoor).
het moeten sluiten van [het café]” in het dictum van het eindvonnis in de hoofdprocedure betekenen. Duiden deze woorden (slechts) op het besluit van de Milieudienst in 2006 dat het café daadwerkelijk moest worden gesloten, zoals [de verhuurder] betoogt? Of gaat het in wezen om alle in de hoofdprocedure als normschendend aangemerkte activiteiten van [de verhuurder] sinds 2002, startend met het aanvragen van bestuursdwang, die onvermijdelijk maakten dat het café uiteindelijk zou moeten worden gesloten, zoals [de huurder] betoogt?
het moeten sluiten van [het café]” in het dictum in de hoofdprocedure relevant lijkt te kunnen zijn wat partijen in de hoofdprocedure ten aanzien van de schade en de oorzaken daarvan hebben aangevoerd. Volgens het hof dient het dictum van de kantonrechter en het hof (in de hoofdprocedure) allicht in de context van dat partijdebat te worden uitgelegd. Het hof heeft daarom [de huurder] opgedragen het procesdossier uit de hoofdprocedure in het geding te brengen en partijen in de gelegenheid gesteld om zich over de uitlegvraag uit te laten (rov. 2.26., slot, van het bestreden tussenarrest).
het moeten sluiten van [het café]” in het dictum in de hoofdprocedure uitlegt op de door [de verhuurder] voorgestane wijze. Naar het oordeel van het hof is er in de conclusie van antwoord/eis in reconventie in de hoofdprocedure geen stelling te vinden die ertoe strekt dat [de huurder] in de periode 2002 tot 17 mei 2006 schade heeft geleden. In het eindvonnis in de hoofdprocedure is hierover volgens het hof ook niets terug te vinden. Het hof heeft geoordeeld dat dit rechtvaardigt om het dictum van het eindvonnis op dit punt letterlijk te nemen. Dit betekent volgens het hof dat de in het dictum uitgesproken veroordeling en verwijzing naar de schadestaatprocedure
nietde schade in de periode 2002 tot 17 mei 2006 omvat.
in het eindvonnis in de hoofdzaak(…)
niets[is]
terug te vinden” dat ertoe strekt dat [de huurder] in de periode 2002 tot 17 mei 2006 schade heeft geleden (rov. 2.3. van het bestreden eindarrest). Het hof lijkt doorslaggevend te hebben geacht dat [de huurder] in zijn conclusie van antwoord/eis in reconventie geen stelling heeft ingenomen die ertoe strekt dat hij in die periode schade heeft geleden. Het hof lijkt aldus meer gewicht te hebben toegekend aan de stellingen die [de huurder] in de hoofdprocedure heeft ingenomen, dan aan de overwegingen (van de kantonrechter) die tot het dictum hebben geleid.
daardoor” heeft geleden (p. 5 van het tussenvonnis, onderstreping van mij, A-G):
[de verhuurder](cursivering kantonrechter) bij de Milieudienst heeft gemeld dat er sprake was van geluidsoverlast in de bovenwoning door exploitatie van het café en dat uitsluitend [de verhuurder] heeft bewerkstelligd dat het café uiteindelijk gesloten moest worden. (…)
daardoordoor [de huurder] c.s. / [A] geleden en te lijden schade. De vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat zal dan ook worden toegewezen.”
daardoorheeft geleden en (ii) de schadevergoedingsvordering van [de huurder] zal worden toegewezen. Uit de overwegingen van de kantonrechter blijkt in het geheel niet dat de kantonrechter heeft beoogd naar de schadestaatprocedure te verwijzen voor de begroting van slechts bepaalde schadecomponenten of slechts voor de schade die is ontstaan door (lees: ná) de sluiting van het café in mei 2006. Als de kantonrechter wél had beoogd om bij voorbaat bepaalde schade buiten de (verwijzing naar de) schadestaatprocedure te houden, dan had het voor de hand gelegen dat de kantonrechter in de overwegingen van het tussen- en/of eindvonnis had gemotiveerd
waaromslechts naar de schadestaatprocedure zal worden verwezen ten aanzien van bepaalde schade(componenten). Dat de kantonrechter over een dergelijke beperking niets heeft opgemerkt in het tussen- en/of eindvonnis, is wat mij betreft een sterke aanwijzing dat de kantonrechter
nietheeft bedoeld de verwijzing naar de schadestaatprocedure op die manier te beperken.
als gevolg van het moeten sluiten van [het café]” in het dictum in het eindvonnis letterlijk moeten worden genomen, in die zin dat de kantonrechter niet naar de schadestaatprocedure heeft verwezen voor de schade die [de huurder] heeft geleden in de periode van 2002 tot 17 mei 2006.