Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Tjebbes-arrest van het HvJEU. [3]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.6van de procesinleiding) valt met enige goede wil de klacht te lezen die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat verzoeker zich vrijwillig en duurzaam in Marokko heeft gevestigd en dat het zijn verantwoordelijkheid is om zich te laten voorlichten over de wetgeving inzake het Nederlanderschap. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat verzoeker niet vrijwillig maar vanwege zijn detentie sedert 2006 in Marokko verblijft en in de gevangenis niet de beschikking heeft over internet of andere mogelijkheden om zich te informeren over de op dat moment geldende regelgeving.
eerste onderdeel(onder 2 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verlies van consulaire bijstand het rechtstreekse gevolg is van het verlies van het Nederlanderschap en niet van het verlies van het Unieburgerschap.
onder dezelfde voorwaardenals de onderdanen van die lidstaten. [6] De wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven, is aan de individuele lidstaten overgelaten. Consulaire bijstand is derhalve – op het hiervoor genoemde recht op consulaire bijstand als bedoeld in art. 20 lid Pro 2, onder c, VWEU na – niet een Unierechtelijke maar een nationale aangelegenheid. [7] Art. 20 lid Pro 2, onder c, VWEU heeft te gelden als vangnetbepaling voor de situatie dat door een gebrek aan vertegenwoordiging in een land de consulaire bijstand van een onderdaan mogelijk in het geding is. Van een ongelijke behandeling of strijd met artikel 20 jo Pro. 21 Handvest EU is dan ook geen sprake.
tweede onderdeel(onder 3 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoeker niet kan baten dat hij geen afstand kon doen van de Marokkaanse nationaliteit. De rechtbank heeft overwogen dat verzoeker niet heeft gesteld en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat het niet kunnen doen van afstand voor hem als zeer zwaarwegend moet worden aangemerkt en dat verzoeker juist uit Nederland naar Marokko is vertrokken, waarbij zijn Marokkaanse nationaliteit hem aanvankelijk goed van pas kwam. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is, omdat ‘een en ander’ in het geheel niet in discussie is geweest, iedere Nederlander drie maanden zonder visum naar Marokko kan reizen en de Nederlandse overheid juist gebruik heeft gemaakt van het feit dat verzoeker langer in Marokko kon blijven door de Marokkaanse autoriteiten te verzoeken hem op te pakken en te vervolgen voor een in Nederland gepleegd strafbaar feit.
Tjebbes-arrest, bij de evenredigheidstoets heeft meegewogen dat verzoeker geen afstand kon doen van zijn Marokkaanse nationaliteit en verzoeker daarom binnen de werkingssfeer van art. 15 lid Pro 1, onder c, RWN valt. [9] Kennelijk heeft de rechtbank die omstandigheid echter niet zwaarwegend genoeg gevonden om het beroep op het evenredigheidsbeginsel te laten slagen. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de Marokkaanse nationaliteit van verzoeker hem bij zijn vertrek uit Nederland (de rechtbank gaat ervan uit dat verzoeker naar Marokko is gevlucht [10] ) juist goed uitkwam. Daartegen is geen klacht gericht. Onbegrijpelijk of onjuist is dit oordeel niet, zodat de klacht faalt.
derde onderdeel(onder 4 van de procesinleiding) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank op p. 7 van de bestreden beschikking onder het kopje ‘Familiebezoek en vrij verkeer’. De klacht betoogt dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat de rechtbank voorbijgaat aan het feit dat verzoeker de mogelijkheid kwijt raakt om op weg naar familie door andere EU-lidstaten te reizen, dat het zeer de vraag is of verzoeker ooit een visum zal krijgen om bij zijn familie in Nederland te zijn en dat zijn familieleden in Nederland de enigen zijn die zich om hem bekommeren en hem proberen te helpen. Volgens de klacht is dus wel degelijk sprake van ‘additional elements of dependence’.