ECLI:NL:PHR:2021:1237

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
24 december 2021
Zaaknummer
20/03893
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 432.1.c SvArt. 285b SrArt. 285 SrArt. 142 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding en medische omstandigheden

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter wegens belaging, bedreiging, misbruik alarmnummer en eenvoudige belediging. Het hof oordeelde dat het hoger beroep te laat was ingesteld, waardoor niet-ontvankelijkheid volgde.

De verdachte voerde aan dat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de zitting en dat zij door medische omstandigheden niet in staat was tijdig te reageren. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde aanvankelijk tot niet-ontvankelijkheid, maar na nadere informatie over de medische situatie van verdachte werd geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Tevens is overwogen dat het hof ten onrechte oordeelde dat verdachte geen bezwaren had geuit tegen het vonnis, terwijl uit het dossier blijkt dat verdachte wel degelijk grieven en verzoeken tot aanhouding had ingediend.

De zaak bevat uitgebreide processtukken, waaronder verklaringen van verdachte over het moeizame vinden van rechtsbijstand, de wens tot aanhouding van de zaak en het verzamelen van bewijs. Het arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van ontvankelijkheid en de rechten van verdachte, zeker bij bijzondere omstandigheden zoals ziekte.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03893
Zitting16 november 2021

AANVULLENDE CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 3 november 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 februari 2018. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1. ‘belaging’, 3. ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt’, 4. ‘opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd’ en 5. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
De conclusie die ik op 21 september jongstleden nam, strekte tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep. [1] Uw Raad heeft mij medegedeeld dat het cassatieberoep ontvankelijk wordt geacht en mij verzocht aanvullend te concluderen. Graag voldoe ik aan dat verzoek.
4. Het middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd onbegrijpelijk is.
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2019 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [plaats], [a-straat];
en merkt hierbij op dat zij niet haar volledige adres wil zeggen omdat aangeefster ook in de rechtszaal aanwezig is.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik wil u vragen om de zaak aan te houden. Vorig jaar juli heb ik advocaat Knoester ingeschakeld. Hij heeft de zaak destijds aangenomen. In maart hebben wij afgesproken dat hij uw hof zou inlichten over de terrorisatie door aangeefster. Op 16 september jl. hebben Knoester en ik woorden gehad. Hij legde zijn taken naar aanleiding hiervan neer en heeft uw hof hiervan op de hoogte gesteld. Op 16 september wist ik pas dat ik vandaag moest voorkomen. Ik heb contact opgenomen met [betrokkene 1] van het Openbaar Ministerie. Knoester is blijkbaar al op 26 mei geïnformeerd over de zitting. Dit wist ik niet. Ik heb geen dagvaarding ontvangen. Pas op 9 oktober heb ik de dagvaarding ontvangen. Nadat Knoester zich heeft teruggetrokken moest ik op zoek naar een andere raadsman. Dat valt op zo’n korte termijn niet mee. Harlequin kon niet, Anker en Anker konden niet. Op 26 september jl. heb ik de heer Kornet uit Zwolle benaderd. Hij doet gemengde zaken, maar ik moest toch wat. Op 29 september heeft hij Knoester bericht dat hij de zaak over zou nemen. Wij zouden snel afspreken, maar ik hoorde vervolgens niks. Ik heb de week erop met de secretaresse gebeld. Hierop kreeg ik een mail, maar toen hoorde ik weer niks. Op 14 oktober heb ik weer gebeld met het kantoor. Ik kon alleen op de valreep een afspraak maken en dan had hij maar één uur de tijd. De 14e oktober heeft hij zijn taken neergelegd. Hij heeft dit ook doorgegeven aan uw hof. Ik heb een verzoek tot aanhouding gedaan, maar dit is afgewezen.
Ik ben niet in staat om mijzelf te verdedigen. De tenlastelegging gaat over een lange periode, maar wat daarvoor en daarna is gebeurd is ook van belang. Het is verschrikkelijk. Zij achtervolgt mij.
U houdt mij voor dat het nu al een paar keer niet gelukt is met het vinden van een advocaat. Ik had alle vertrouwen in Knoester. Afgelopen zaterdag heb ik De Leon nog gesproken. Hij adviseerde mij om vandaag om aanhouding te vragen. Het valt nog te bezien of hij mij kan bijstaan. Niemand zit te wachten op zaken op basis van een toevoeging. Hij zei mij dat ik Sander Dekker een brief moet schrijven. Er moet ook een aangifte tegen aangeefster komen. Ik heb een goed gesprek met De Leon gehad. Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik ben vorig jaar zomer al begonnen. Knoester heeft ook netjes zijn excuses aangeboden. Ik heb ook bewijzen en die moeten in het dossier gevoegd worden. Ik wist dus pas op 16 september van de zitting. Het advies wat ik van meerdere advocaten heb gekregen is om niet mijzelf te verdedigen. Er moet een nieuwe advocaat komen. Ik zag toevallig net nog de heer Anker op de gang lopen. Er moet een nieuwe toevoeging komen. Ik moet ook opnieuw betalen. Het heeft ook allemaal lang geduurd. Mr. Kornet was heel traag. Ik zou graag drie maanden de tijd krijgen.
U houdt mij voor dat ik zeg dat ik ook aangifte wil doen tegen aangeefster, maar dat dat niet van belang is voor mijn zaak. U zegt mij dat de verdediging toegespitst moet worden op deze zaak. Ik zeg u dat het allemaal al zo lang speelt. Ik voel mij als het ware geblockt. Wat u in het dossier leest is slechts het topje van de ijsberg. Ik moet bewijzen verzamelen, het is allemaal plus, plus, plus. Ik heb de hulp van een raadsman nodig. U houdt mij voor dat ik al had kunnen beginnen met het voorbereiden van de zaak. Ik zeg u dat ik in mei 2017 gehoord ben. Pas in november kwam er een dagvaarding. Ik heb het dossier nooit gehad. Het is geen onwil. Het is zwaar pech hebben met advocaten. Ik moet nu ook twee toevoegingen betalen.
(…)
De verdachte voert het woord, zakelijk weergeven:
U vraagt mij of ik nog naast aangeefster woon. Ik zeg u dat ik nog steeds mijn recreatiewoning daar heb en ik ben daar wel af en toe. Er staat een groot hek omheen. Ik zie aangeefster niet.
(…)
De voorzitter deelt als beslissing mede dat het hof de zaak aan zal houden en dat getracht wordt om deze weer voortvarend te plannen. Verdachte, de raadsman en de benadeelde partij zullen hiertoe een nieuwe oproeping ontvangen. Als verdachte de volgende keer om dezelfde reden een aanhoudingsverzoek doet kan het zijn dat andere belangen dan de belangen van verdachte op dat moment zullen prevaleren. De afweging zou derhalve op dat moment anders uit kunnen vallen.’
6. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020, waar het hof in andere samenstelling zat, houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [plaats], [a-straat 1],
is niet verschenen. Ook de raadsvrouw van verdachte, mr. M.J.R. Roethof, advocate te Arnhem, is niet verschenen.
De raadsvrouw van verdachte heeft schriftelijk verzocht de zaak aan te houden. Voorafgaand aan de zitting heeft het hof de raadsvrouw bericht dat het verzoek ter zitting zou worden toegewezen. Naar aanleiding van het verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsvrouw van verdachte, alsmede met kennisgeving van dat tijdstip aan de benadeelde partij.’
7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2020, waar het hof weer in andere samenstelling zat, houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [plaats], [b-straat 1],
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig de benadeelde partij [betrokkene 2] met haar dochter en bijgestaan door [betrokkene 3] van Slachtofferhulp Nederland.
De voorzitter stelt vast dat verdachte voor de zitting van heden op juiste wijze is opgeroepen. De voorzitter deelt mede dat uit een op de akte van uitreiking van de oproeping voor de zitting van heden met de hand geschreven mededeling van een verbalisant van 22 oktober 2020, die zich bij betekeningsstukken bevindt, blijkt dat verdachte op het moment van betekenen in het ziekenhuis lag, dat de verbalisant haar telefonisch heeft gesproken en dat zij in dat telefoongesprek aangaf niet naar de zitting te zullen komen.
De benadeelde partij merkt op dat zij verdachte gisteren nog heeft gezien.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en merkt daarbij op dat verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2.
De voorzitter deelt mede dat de zaak eerder op 21 oktober 2019, in aanwezigheid van verdachte, en op 6 juli 2020 buiten haar tegenwoordigheid, op zitting heeft gestaan. In beide gevallen is het niet tot een inhoudelijke behandeling van de zaak gekomen maar is de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om verdachte in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken. Uit een brief van mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, blijkt dat zij zich op 15 september 2020 als raadsvrouw heeft teruggetrokken.
De oudste raadsheer maakt melding van de brief van 29 oktober 2020 van mr. J.N.A. Dijkman, advocaat te Amsterdam.
De voorzitter deelt mede dat sprake is van een procedure op tegenspraak en dat er geen grieven tegen het vonnis zijn ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord voor requisitoir -zakelijk weergegeven-:
Er is geen appelschriftuur ingediend. Evenmin heeft verdachte ter zitting haar bezwaren tegen het vonnis kenbaar gemaakt. Ik denk dat de rechter in eerste aanleg een goed vonnis heeft gewezen. Ik zie geen reden en onvoldoende belang om over te gaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak. Voor de benadeelde partij staat de weg naar de civiele rechter nog open. Ik verzoek toepassing te geven aan artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Lites finiri oportet: het moet een keer afgelopen zijn.
De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek. Zij deelt mede dat niet duidelijk is gemaakt wat de bezwaren tegen het vonnis zijn terwijl de zaak reeds tweemaal eerder op zitting heeft gestaan.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.’
8. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 oktober 2019, 6 juli 2020 en 3 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van.de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
9. Met de stellers van het middel kan worden vastgesteld dat aan de formulering van grieven en bezwaren in de zin van art. 416, tweede lid, Sv geen hoge eisen worden gesteld. Zo zal de rechter in een geval waarin in het geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een of meer getuigen of deskundigen zijn opgegeven, op grond daarvan ‘mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat’. [2] Het aankruisen op een ‘grievenformulier’ van de zin ‘Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van de) opgelegde straf’ geldt als het indienen van een schriftuur houdende grieven. [3] In een arrest uit 2019 was sprake van een handgeschreven brief van de verdachte, onder meer inhoudend: ‘Ik ben veroordeeld over 3 parketn bij de politierechter. Ik ben van mening dat dit niet klopt, met deze parketnummers en dat het hof niet de juiste toetsing gebruikt dat komt neer op niet ontvankelijk’. ’s Hofs oordeel dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven had ingediend was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk. [4] In een geval waarin de verdachte geen schriftuur houdende grieven had ingediend maar het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhield ‘dat de gemachtigde raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd’ was ’s hofs vaststelling ‘dat de verdachte niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk’. [5]
10. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 21 oktober 2019 volgt dat de verdachte heeft verzocht om aanhouding, nu zij zich niet in staat achtte zichzelf te verdedigen. Daarbij merkt zij op: ‘De tenlastelegging gaat over een lange periode, maar wat daarvoor en daarna is gebeurd is ook van belang. Het is verschrikkelijk. Zij achtervolgt mij.’ Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de verdachte heeft verklaard aangifte te willen doen tegen aangeefster, en dat de voorzitter daarop heeft gezegd dat dat niet van belang is voor haar zaak en dat de verdediging ‘toegespitst moet worden op deze zaak’. De verdachte geeft daarop aan ‘dat het allemaal al zo lang speelt’, dat de inhoud van het dossier ‘slechts het topje van de ijsberg’ is en dat zij ‘bewijzen (moet) verzamelen’. Daarmee kan uit de verklaring van de verdachte worden afgeleid dat zij een breder beeld van de feiten wil schetsen dan uit de tenlastelegging naar voren komt. En dat zij het beeld dat zij de belager is en de benadeelde partij het slachtoffer wil bijstellen. Mede in aanmerking genomen dat het opgeven van onderzoekswensen in de schriftuur, die er – dikwijls – ook toe strekken het beeld van de feiten bij te stellen, reeds als het opgeven van grieven kan worden aangemerkt, meen ik dat de geciteerde passages meebrengen dat ’s hofs oordeel dat geen bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis niet zonder meer begrijpelijk is. Ik wijs er daarbij nog op dat bijstelling van het beeld van de feiten ook voor de strafoplegging van belang kan zijn.
11. Na de zitting van 21 oktober 2019 is de samenstelling van het hof op de volgende zittingen gewijzigd. Uit het bestreden arrest kan evenwel worden afgeleid dat het ook naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 oktober 2019 gewezen is. Ten overvloede merk ik op dat ook als dat anders zou zijn geweest, en het onderzoek op de zitting van 6 juli 2020 en/of 3 november 2020 opnieuw zou zijn aangevangen (vgl. art. 322, derde lid, Sv, in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv) toepassing van art. 416, tweede lid, Sv naar het mij voorkomt niet mogelijk was geweest. Ik neem daarbij in aanmerking dat ook voor de zitting ingediende grieven aan toepassing in de weg staan.
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Nadien is schriftelijk commentaar binnengekomen van de stellers van het middel waarin nadere informatie wordt verschaft over de diagnose en behandeling van de verdachte en waarin wordt betoogd dat de termijnoverschrijding in dat licht verontschuldigbaar is.
2.HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702,
3.HR 2 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4306. Zie ook HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415,
4.HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1636. Vgl. ook HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17,
5.HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7668,