Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
[betrokkene 1]) zijn (mondeling) overeengekomen dat [betrokkene 1] het registergoed, in de akte van levering omschreven als kantoorpand met verdere aanhorigheden, gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1 en 2] (hierna: het
pand), ook wel bekend als [het gebouw], aan [eiser] verkoopt.
[a-straat 1 en 2](…)”
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Wbr), zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:290. [eiser] stelt dat de schade bestaat uit het verschil tussen beide tarieven (6% en 2%), zijnde € 46.000,--.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen).
eerste onderdeelbestrijdt het oordeel dat [verweerder] niet gehouden was om nader onderzoek in te stellen naar de toestand van het pand met het oog op de overdrachtsbelasting.
Subonderdeel 1abevat geen klacht. De
subonderdelen 1b en 1clenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
subonderdeel 1bdat een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris ingevolge art. 17 lid 1 van Pro de Wet op het notarisambt een zelfstandige en onafhankelijke positie dient in te nemen en verplicht is om een cliënt te behoeden voor misstappen en handelingen die zijn eigen belangen schaden. Die verplichting zou temeer gelden bij een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed. De notaris moet dan namelijk een zodanig onderzoek instellen dat over de rechtstoestand van het registergoed zo min mogelijk onzekerheid bestaat en bovendien toezien op een juiste financiële afwikkeling (art. 11 leden Pro 1 en 3 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011). Volgens het subonderdeel blijkt uit deze bepalingen, waarop [eiser] in hoger beroep (grief I) een beroep heeft gedaan, dat de juiste vermelding van de verschuldigde overdrachtsbelasting een eigen verantwoordelijkheid is van de notaris.
Subonderdeel 1cvoegt daaraan toe dat het hof een te strenge maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat de notaris alleen in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld als hij aanwijzingen had dat de instructie van de cliënt mogelijk onjuist was (rov. 6.10). Een notaris dient volgens het subonderdeel immers altijd de juistheid van de instructie te controleren.
“zwaarwegende zorgplicht”ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in de akte opgenomen rechtshandelingen. In dat kader moet hij controleren of de akte overeenstemt met de wil van partijen en voldoen aan zijn onderzoeksplicht aangaande (i) hun identiteit, [9] (ii) de vermelde feiten, (iii) de toepasselijke rechtsregels en, zoals blijkt uit art. 11 Verordening Pro beroeps- en gedragsregels 2011, (iv) de rechtstoestand van registergoederen. [10] Ook moet de notaris de zakelijke inhoud van de akte mededelen en daarop een toelichting geven (art. 43 lid 1 Wet Pro op het notarisambt). [11] Deze verplichtingen vloeien voort uit de rechtszekerheid-bevorderende taak van de notaris. [12]
bijzondere waarschuwingsplichtgeldt wanneer misbruik dreigt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. [16] De reikwijdte van de zorgplicht in het kader van de rechtsbeschermende taak van de notaris is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, zoals de verstrekte opdracht, de aard van de transactie en de ervaring, deskundigheid en juridische bijstand van de betrokken partijen. [17] Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de zorgplicht haar grens kan vinden waar de notaris goede grond heeft om erop te vertrouwen dat de partij zichzelf al op de hoogte had gesteld. [18]
Subonderdeel 1ewijst erop dat het hof er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de maatstaf uit het HR-arrest van 24 februari 2017 ten tijde van de levering al uit de lagere rechtspraak kenbaar was voor [verweerder] . Verder refereert het subonderdeel aan de vaststelling van het hof dat [verweerder] wist dat het pand oorspronkelijk was gebouwd als woning.
subonderdeel 1egenoemde omstandigheden had het hof moeten oordelen dat [verweerder] gehouden was te onderzoeken of het pand als woning in de zin van art. 14 lid 2 Wbr Pro kon worden aangemerkt. Het hof is tot een ander oordeel gekomen, omdat [verweerder] wist dat het pand al ruim 60 jaar als kantoor-/onderwijspand werd gebruikt. Het subonderdeel acht dit onbegrijpelijk. Dat een gebouw (geruime tijd) in gebruik is als kantoor-/onderwijspand zou niets zeggen over de bouwkundige toestand. Ook wordt erop gewezen dat [verweerder] wist dat het een rijksmonument betrof. Algemeen bekend zou zijn dat rijksmonumenten niet willekeurig mogen worden aangepast.
:
tweede onderdeel, dat bestaat uit de subonderdelen 2a tot en met 2d, betoogt dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op een subsidiaire grondslag, die inhoudt dat [verweerder] nadere informatie met betrekking tot de overdrachtsbelasting had moeten geven.
subonderdeel 2bheeft het hof in strijd met art. 23 en Pro 24 Rv geen beslissing gegeven op deze subsidiaire grondslag. Die beslissing zou ook niet in het arrest besloten liggen, aangezien het oordeel dat de notaris geen onderzoek naar de overdrachtsbelasting hoefde te doen niet impliceert dat hij op dat punt geen informatieplicht had.
Subonderdeel 2cbrengt naar voren dat belang bestaat bij de geformuleerde klachten, kort gezegd omdat de subsidiaire grondslag kan leiden tot toewijzing van de vordering. In
subonderdeel 2dwordt erop gewezen dat [eiser] bij de transportakte niet door [betrokkene 1] werd vertegenwoordigd (rov. 6.8, slot), zodat hem geen kennis van een ander kan worden toegerekend.