Conclusie
“fair to the Shareholders from a financial point of view”is.
merger protocolovereengekomen dat Fortbet een tweede openbaar bod zal uitbrengen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van Fortuna tegen een biedprijs in contanten van minimaal CZK 182,50 / PLN 29,80. In een persbericht van dezelfde datum heeft Fortuna dit tweede openbaar bod aangekondigd.
tender offerdocument voor de Poolse markt en een
voluntary buy-out offer documentvoor de Tsjechische markt) van 3 januari 2018 een openbaar bod uitgebracht op alle uitstaande aandelen in Fortuna.
‘Regulatory Announcementonder meer het volgende bekend gemaakt:
2.Procesverloop
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1-3zien op de ontvankelijkheid van [verweerders] in hun verzet.
Onderdeel 4betoogt dat de OK onterecht heeft geoordeeld dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat Fortbet de overige aandeelhouders moet oproepen.
Onderdeel 5bestrijdt rov. 3.5, voor zover de OK daarin heeft geoordeeld dat met het niet gunnen van een redelijke termijn aan de uit te kopen aandeelhouders, de consignatie ongeldig is geweest en daarmee geen overgang van de aandelen heeft plaatsgevonden.
onderdeel 4te bespreken. Indien namelijk sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding faalt niet alleen onderdeel 4, maar ontstaat mogelijk een complicatie in deze cassatieprocedure. Dan rijst immers de vraag of de in de verzetprocedure nog niet verschenen aandeelhouders zouden moeten worden opgeroepen om hen in de gelegenheid te stellen te verschijnen in deze cassatieprocedure. Ik meen dat in dit geval wel sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, maar dat de bedoelde complicatie in dit cassatieberoep niet speelt (zie hierna in 4.75 e.v.). Voorts ontbreekt belang bij de vraag of sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding indien uit de bespreking van de onderdelen 1-3 zou volgen dat [verweerders] niet-ontvankelijk zijn in hun verzet. Ik bespreek daarom eerst de
onderdelen 1-3en daarop aansluitend
onderdeel 5, en bewaar
onderdeel 4tot het laatst.
onderdelen 1, 2 en 3bestrijden achtereenvolgens de rov. 3.5, 3.6 en 3.7. Indien één van deze onderdelen faalt, houdt het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van [verweerders] stand.
subonderdelen 1.1 en 1.2betogen, samengevat, dat rechtens geen vereiste geldt voor de aanvang van de verzettermijn ex art. 143 lid 3 Rv Pro dat aan de uit te kopen aandeelhouders een redelijke termijn wordt gegund om vrijwillig te voldoen aan de veroordeling tot levering van de aandelen. Een dergelijk eis volgt ook niet uit art. 430 lid 3 Rv Pro. Art. 2:92a BW stelt ook niet de eis dat de overnemer (in de regel) een redelijke termijn voor vrijwillige nakoming gunt alvorens over te gaan tot consignatie. Art. 2:92a lid 8 BW bepaalt juist dat de overnemer zich altijd door consignatie van de koopprijs mag bevrijden van zijn verplichtingen op grond van lid 6 en 7, waaronder dus ook de verplichting om de dag en plaats van betaalbaarstelling schriftelijk mee te delen respectievelijk aan de tot kondigen in een landelijk verspreid dagblad. Daarom bestaat er geen wettelijke grondslag voor inachtneming van een redelijke termijn in het geval van consignatie en evenmin voor een daarmee corresponderende uitleg van het dictum van het verstekarrest.
subonderdeel 2.1blijkt uit de tekst van art. 143 lid 2 Rv Pro dat de termijn van acht weken vereist dat de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is. Dit strookt met het feit dat de verdubbeling van de verzettermijn in art. 143 lid 2 Rv Pro is ingegeven doordat ingevolge art. 55 lid 2 Rv Pro in gevallen waarin het Haagse Betekeningsverdrag van toepassing is, een betekening in het buitenland onder omstandigheden in Nederland kan worden aangemerkt als betekening in persoon. Van betekening in het buitenland is geen sprake indien de veroordeling luidt tegen een niet bij name bekende aandeelhouder, in welk geval de betekening van het arrest plaatsvindt op de voet van art. 54 lid 4 Rv Pro.
subonderdeel 2.3klemt het voorgaande temeer indien juist zou zijn het oordeel in rov. 5.10 dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Indien een minderheidsaandeelhouder tijding verzet instelt, zouden de andere aandeelhouders na oproeping alsnog de mogelijkheid krijgen om verweer te voeren.
subonderdeel 3.1.2, samengevat, rechtvaardigen de (reconciliatie)verplichtingen van een C
entral Securities Depository(CSD) op grond van art. 37en 38 CSD-Verordening 909/2014 en art. 59 lid 1 Gedelegeerde Pro Verordening 2017/392 en van deelnemers aan een giraal effectenafwikkelingssysteem op grond van art. 16 lid 8 MIFID Pro II (Richtlijn 2014/65/EU) en art. 2 Uitvoeringsrichtlijn Pro MiFID II (Richtlijn 2017/593), [8] het bewijsvermoeden dat andere aandeelhouders - zoals in casu [verweerders] - zeer spoedig na het moment van consignatie kennis krijgen van de consignatie en de daaraan verbonden overgang van hun aandelen, althans had het hof hierop ambtshalve acht moeten slaan en zijn arrest in het licht hiervan nader moeten motiveren.
subonderdeel 3.3miskent het hof dat BetVOII niet van toepassing is.
De uitkoopregeling van art. 2:92a BW
Central Securities Depository, CDS) beheerde girodepot als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer kan een eenvoudigere consignatiekasprocedure worden gevolgd. De consignatiekas kan de gelden dan uitkeren aan Euroclear, waarna deze, kort gezegd, kunnen worden doorgeleid naar de rekeningen van de aandeelhouders bij hun bank. [29] De schriftelijke toelichting namens Fortbet vermeldt dat de consignatiekas zeer terughoudend is om uit te keren aan andere centrale effectenenbewaarinstellingen dan Euroclear Nederland en dat dit in dit geval geen uitkering is gedaan aan de
Central Securities Depository Prague(CSDP), de centrale effectenbewaarinstelling voor de gegiraliseerde aandelen in Fortuna. [30]
Griep/Boerlage) over lid 8 (van het met art. 2:92a overeenstemmende art. 2:201a BW), dat:
Corporate Expressheeft de OK echter overwogen dat de overnemer aan de betrokken aandeelhouder in de regel een redelijke termijn dient te gunnen om vrijwillig aan de veroordeling te voldoen (hierna ook: een redelijke aanbiedingstermijn). In deze zaak verzochten minderheidsaandeelhouders (Omni c.s.) de OK om aan de veroordeling tot overdracht de voorwaarde te verbinden dat de overnemer (Staples) hen in de gelegenheid zou stellen de veroordeling tot overdracht vrijwillig na te komen alvorens tot consignatie over te gaan. De OK overwoog ten aanzien van het met art. 2:92a lid 8 overeenstemmende art. 2;359c lid 9 BW: [33]
v) Heeft consignatie zonder inachtneming van een redelijke aanbiedingstermijn gevolgen voor de verzettermijn?
onderdeel 5een hiermee verwante vraag opwerpt: leidt consignatie tot overdracht van de aandelen op de voet van art. 2:92a lid 8 BW ook indien de bedoelde redelijke termijn niet in acht is genomen?
Morning Star International/Republiek Gabon) overwoog daarover: [64]
alleandere gevallen dan die welke zijn genoemd in de tweede volzin. Die redenering is naar mijn mening niet overtuigend voor een geval als het onderhavige.
eindigdemet voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dat resultaat diende soms te worden gecorrigeerd om een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro te waarborgen. Daartoe kan de rechter een aanvullende termijn voor het verzet bieden. De Hoge Raad overwoog: [74]
Morning Star International/Republiek Gabon) is over de toepassing van deze bepalingen overwogen:
subonderdelen 1.1 en 1.2slagen voor zover zij betogen dat rechtens voor de aanvang van de verzettermijn uit hoofde van art. 143 lid 3 Rv Pro geen vereiste geldt dat aan de uit te kopen aandeelhouders een redelijke termijn wordt gegund om vrijwillig te voldoen aan de veroordeling tot levering van de aandelen. Weliswaar kan worden uitgegaan van een op art. 2:8 BW Pro gebaseerde regel dat de overnemer in beginsel een redelijke aanbiedingstermijn moet gunnen alvorens tot consignatie over te gaan (zie hiervoor onder (iii)), maar deze redelijke aanbiedingstermijn is niet van invloed op de vraag of de verzettermijn is gaan lopen (zie hiervoor onder (v)).
subonderdelen 2.1-2.3dat de verzettermijn in een geval als het onderhavige op grond van art. 143 lid 3 in Pro verbinding met art. 143 lid 2 Rv Pro vier weken bedraagt en niet zoals het hof oordeelde, acht weken. Onderdeel 2 faalt naar mijn mening, omdat het oordeel van het hof juist is (zie hiervoor onder (vi)). Anders dan
subonderdeel 2.3veronderstelt, staat dit verder los van de vraag of al dan niet sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
onderdeel 3berusten op de gedachte dat uit de toepasselijke regels van het toezichtsrecht volgt dat aangenomen kan worden dat de minderheidsaandeelhouders in Fortuna na de consignatie van de koopprijs en de daardoor veroorzaakte overdracht van de aandelen op de hoogte waren van het verstekarrest van de OK. [76] Gezien het voorgaande meen ik dat deze klachten onbesproken kunnen blijven.
Morning Star International/Republiek Gabon). [77]
onderdeel 5. Dit richt zich tegen de eerste volzin van rov. 3.5 en de daarop voortbouwende overwegingen, voor zover de OK daarin heeft geoordeeld dat de consignatie ongeldig is geweest en dus geen overgang van de aandelen heeft plaatsgevonden op de voet van art. 2:92a lid 8. Volgens Fortbet heeft de OK dit niet bedoeld gelet op rov. 3.4, rov. 3.5 (met name slotzin), rov. 3.6 (met name slotzin) en rov. 3.7 onder (b). Voor zover het hof dit wel heeft bedoeld richt Fortbet hiertegen klachten in de subonderdelen 5.1-5.3.
onderdeel 5berusten daarom, zoals het middel ook zelf tot uitgangspunt neemt, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en dienen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag te falen.
subonderdeel 4.1miskent het oordeel in rov. 5.10 dat de rechtsverhouding tussen een uitkopende meerderheidsaandeelhouder en (ieder van) de minderheidsaandeelhouders geen rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen, zodat van een processueel ondeelbare rechtsverhouding geen sprake is.
subonderdeel 4.2dat enige ondeelbaarheid van de rechtsverhouding tussen Fortbet en de minderheidsaandeelhouders uitsluitend de voorwaarden voor de toewijsbaarheid van de uitkoopvordering in art. 2:92a lid 1 en lid 4 BW (zoals het verschaffen van 95% van het kapitaal en het dagvaarden alle aandeelhouders) betreft, maar niet ziet op de vaststelling van de prijs.
exceptio plurium litis consortium. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 dient de rechter het bestaan van een processueel ondeelbare rechtsverhouding zo nodig ambtshalve vast te stellen.
(sub)onderdelen 4.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.2af.
subonderdeel 4,3, is wie de overige aandeelhouders in het geding bij de OK dient op te roepen. De tweede kwestie is of ook in cassatie oproeping dient plaats te vinden.
subonderdeel 4.3de oproeping van de overige aandeelhouders niet door Fortbet (zoals de OK overwoog) maar door [verweerders] te geschieden. Indien een partij een rechtsmiddel aanwendt tegen een uitspraak met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ligt het rechtens op haar weg om daarbij ook de overige aandeelhouders te dagvaarden. Daarmee komen de kosten van de dagvaarding voor haar rekening, alsook het risico van een niet-ontvankelijkheid van het rechtsmiddel als niet of niet binnen de gestelde termijn de gezamenlijke andere aandeelhouders worden gedagvaard te verschijnen in de verzetprocedure. De OK heeft dit miskend, aldus de klacht.
onderdeel 4van het cassatiemiddel), en voorts (iii) over de vraag of [verweerders] terecht door het hof ontvankelijk zijn verklaard in hun verzet (
onderdelen 1-3van het cassatiemiddel). Deze klachten stellen geen aspecten aan de orde die samenhangen met de beoordeling van de inhoud van de processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen Fortbet als uitkopende meerderheidsaandeelhouder en de minderheidsaandeelhouders, dat wil zeggen [verweerders] en de overige minderheidsaandeelhouders. De OK heeft in zijn in cassatie bestreden tussenarrest van 14 januari 2020 ook geen oordelen gegeven over de inhoud van deze rechtsverhouding. De OK heeft aanleiding gezien om een deskundige te vragen nader te kijken naar de koopprijs voor de aandelen. Over die koopprijs heeft het hof nog geen beslissing gegeven. Over de geldigheid van de overdracht, heeft het hof evenmin een beslissing gegeven, merk ik op in verband met
onderdeel 5van het cassatiemiddel.
subonderdeel 4.3slaagt, dient het bestreden arrest in zoverre te worden vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing te worden terugverwezen naar de OK, waarbij de Hoge Raad de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie kan reserveren tot de einduitspraak. [verweerders] hebben de desbetreffende beslissing van de OK niet uitgelokt of verdedigd en zich ter zake van subonderdeel 4.3 in hun schriftelijke toelichting alsnog gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, terwijl Fortbet geen processueel nadeel heeft ondervonden van deze handelwijze (zo is subonderdeel 4.3 door haar niet afzonderlijk toegelicht). [111]