Conclusie
1.Feiten
Collectieve Arbeidsovereenkomst betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden voor het personeel werkzaam in de waterbouw” (hierna: de CAO). Op het moment van het aanhangig maken van de onderhavige zaak gold de CAO voor de periode 1 april 2015 tot en met 31 maart 2018. Deze CAO is algemeen verbindend verklaard geweest, eerst voor een periode van twee jaar (per 26 augustus 2015) [2] en later verlengd tot en met 31 maart 2018. [3] De CAO is geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers van [eiseressen].
Uitzendvoorwaarden tewerkstelling buiten Nederland voor cao-medewerkers Waterbouw werkzaam bij Boskalis en [eiseressen]” (hierna: de Buitenlandregeling). [5]
leegloopsituatie”. Dat is volgens haar het geval wanneer er aan een werknemer structureel geen werk kan worden aangeboden. Na afloop van de uitzendperiode schrijft [eiseressen] eerst af op de verlofsaldi van de werknemer, voordat de Wachtgeldregeling wordt toegepast. Daarbij wordt er eerst afgeschreven op het tijdens de (a) laatste uitzending en (b) eerdere uitzendingen opgebouwde (maar niet genoten) buitenlandverlof, en daarna (c) op het Nederlandse vierploegenverlof en (d) cursusverlof. Indien de werknemer een cursusdag volgt tijdens het buitenlandverlof dan wordt deze dag vergoed volgens de CAO en niet volgens de Buitenlandregeling.
2.Procesverloop
directde Wachtgeldregeling toepast wanneer zij geen werk kan aanbieden, maar eerst eenzijdig het in een eerdere buitenlandperiode opgebouwd tegoed aan verlof, Nederlands vierploegenverlof en cursusverlof afschrijft (vgl. onder 1.10). Verder heeft FNV aangevoerd dat [eiseressen] de Wachtgeldregeling ten onrechte alleen toepast indien er structureel geen werk kan worden aangeboden. De Wachtgeldregeling geldt voor alle gevallen waarin [eiseressen] geen werk kan aanbieden, zo stelt FNV. [7]
roostertechnische mismatches”, aldus [eiseressen]. [9]
indien de werkgever de werknemer aansluitend aan de buitenlandperiode geen werk kan bieden”. In de CAO of de Buitenlandregeling is niet te lezen dat aan de gevolgen van het vervullen van deze voorwaarde – en dus het ingangsmoment – kan worden voorbijgegaan, bijvoorbeeld door het eenzijdig door [eiseressen] afboeken van verlofdagen. Dit geldt ook als het daarbij gaat om afboekingen die onder het regime van de CAO in beginsel toelaatbaar zouden zijn (rov. 6);
opgebouwde verlofrechten” uit art. 1.1 van de Buitenlandregeling is bedoeld: de in de laatste periode van uitzending opgebouwde verlofrechten, en niet ook nog de nog resterende verlofrechten uit voorgaande buitenlandperiodes (rov. 7);
3.Bespreking van het cassatiemiddel
FNV/Aelbersheeft de Hoge Raad zijn rechtspraak als volgt samengevat. De CAO-norm houdt in dat aan een bepaling van een CAO een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de CAO tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de CAO worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. [22]
FNV/Condorvolgt dat de CAO-norm een dubbele ratio kent. In de eerste plaats strekt de norm ertoe te voorkomen dat een niet kenbare partijbedoeling wordt tegengeworpen aan derden die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. In de tweede plaats heeft de CAO-norm tot doel te verzekeren dat een CAO voor alle onder de werkingssfeer daarvan vallende partijen op dezelfde wijze wordt uitgelegd. [23]
FNV/Condor, [24] die noopt tot afwijking van de CAO-norm, in deze zaak geen sprake is. [25]
FNV/Condor) zich hier niet voordoet en geen (officiële) toelichting op de regelingen voorhanden is die aan de uitleg kan bijdragen. Het hof heeft in dat geval miskend dat ook in een dergelijk geval de objectief kenbare betekenis van de CAO mede kan worden afgeleid uit andere (objectief) kenbare omstandigheden, zoals die volgen uit (de verplichtstelling van) eerdere versies van de CAO of de Buitenlandregeling of andere relevante CAO’s. [27] Daarnaast zou het hof in dat geval hebben miskend dat de vraag hoe een begrip in een bepaalde branche wordt geïnterpreteerd of toegepast relevant kan zijn voor de beantwoording van de vraag naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijk tekstinterpretaties van de CAO zouden leiden.
in zoverrein deze zaak uitsluitend om de tekst van beide regelingen gaat. Dat de overwegingen van het hof in rov. 4 in deze zin zijn te begrijpen, volgt ook uit de daarop volgende overwegingen, waarin het hof de CAO-norm toepast. Het hof betrekt bij zijn uitleg niet alleen de tekst van de CAO en de Buitenlandregeling, maar ook de systematiek van beide regelingen (rov. 6 en 7), en de – volgens het hof in deze zaak geen betekenis toekomende, want niet objectief kenbare – bedoeling van partijen bij de CAO en de Buitenlandregeling, en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen (ten aanzien waarvan het hof overweegt dat de subjectieve (en onverenigbare) vertrekpunten van partijen bij de onderhandelingen geen aanknoping geven voor een oordeel ter zake) (rov. 9). Het subonderdeel gaat derhalve uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het uitgangspunt waarop de klachten berusten mist daarmee feitelijke grondslag. Hierop stuiten de klachten af.
subonderdeel 1.2over rov. 9. Het hof overweegt daarin het volgende:
9. Partijen doen over en weer een beroep op wat zij voor ogen hadden bij het van toepassing verklaren van de Wachtgeldregeling in de Buitenlandregeling. Wat daar ook van zij, gesteld noch gebleken is [dat] deze bedoeling(en) voor de werknemers objectief kenbaar waren. Dat de werknemers pas na jaren zijn gaan klagen over het staande beleid van [eiseressen] maakt dit niet anders. Het geschil is juist ontstaan nadat de Wachtgeldregeling in 2013 van toepassing is verklaard. Bij deze stand van zaken gaat het hof voorbij aan de subjectieve (en onverenigbare) vertrekpunten van partijen bij de onderhandelingen. Deze geven geen aanknoping voor een oordeel over de aannemelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen.”
als zodanigals voor de uitleg relevante omstandigheid is, anders dan het subonderdeel voorstaat, geen sprake.
ongewijzigdzijn gebleven. Het subonderdeel licht dit ook niet toe.
de door FNV verdedigde uitleg niet valt te rijmen met– kort gezegd – de ongewijzigd gebleven tekst van de CAO en de Buitenlandregeling en het staande beleid van [eiseressen], omdat een wijziging van de tekst in de rede had gelegen indien FNV deze staande praktijk had willen veranderen. [37] In zoverre mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag.
bedoelingwas om met de invoering van de Wachtgeldregeling verandering te brengen in het staande beleid van [eiseressen] om eerst op alle verlofsaldi af te schrijven, in de door FNV verdedigde zin dat [eiseressen] niet langer verlofdagen zou mogen aanwijzen maar direct de Wachtgeldregeling zou moeten toepassen. De stellingen van [eiseressen] (met betrekking tot alle drie de genoemde omstandigheden) dienden aldus als ‘opmaat’ naar het verweer van [eiseressen] tegen de gestelde bedoeling van FNV, om met de invoering van de Wachtgeldregeling de handelswijze van [eiseressen] met betrekking tot het afschrijven van verlofdagen te veranderen. [38]
het geschil […] juist [is] ontstaan nadat de Wachtgeldregeling in 2013 van toepassing is verklaard.”
onder (i)genoemde stelling verwijst het subonderdeel in de eerste plaats naar punt 40 (onder het opschrift “
Feiten”) en punt 88 (onder het opschrift “
Grief 5 – Toepasselijkheid Wachtgeldregeling”) van de memorie van grieven. [eiseressen] heeft daar het volgende gesteld:
40. (…). Consequentie van deze lezing van de Wachtgeldregeling is dat de werkgevers ook in situaties waar de Wachtgeldregeling niet voor bedoeld is (zoals het om rooster technische redenen niet naadloos aansluiten van de uitzendingen), deze toch moeten toepassen en uitbetalen, en er tegelijkertijd stuwmeren van verlofdagen worden opgebouwd door deze werknemers die niet worden gebruikt en op enig moment door de werkgever moeten worden uitgekeerd. Hoewel de Wachtgeldregeling was bedoeld voor de uitzonderingssituatie van leegloop, wil de FNV nu dat [eiseressen] dit altijd toepast, hetgeen betekent dat [eiseressen] dus, in al die situaties dubbel salaris moet betalen: eerst salaris op grond van de Wachtgeldregeling en vervolgens uitbetaling van openstaande verlofdagen.
het gewicht/de betekenis van de financiële gevolgen niet zijn uitgewerkt en inzichtelijk gemaakt”aan het slagen van de klacht in de weg. Dit oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden door subonderdeel 5.2 (zie onder 3.72-3.75).
onder (ii)genoemde stelling geldt dat deze door [eiseressen] in haar pleitaantekeningen in hoger beroep (onder 42) is ingenomen ter betwisting van de in de memorie van antwoord van FNV (onder 38, 56, 75) geponeerde stelling dat, zakelijk weergegeven, de door [eiseressen] voorgestane uitleg de Wachtgeldregeling tot een lege huls maakt. [41] Deze stelling van FNV is door het hof onbesproken gelaten. Bij die stand van zaken was er voor het hof geen aanleiding om in te gaan op de ter betwisting aangevoerde stelling van [eiseressen]. De motiveringsklacht faalt derhalve ook voor zover de klacht betrekking heeft op de onder (ii) genoemde stelling.
(…) een systeem van arbeidsvoorwaarden met twee afzonderlijke regimes [het regime van de Buitenlandregeling en het regime van de CAO; A-G], die elkaar steeds opvolgen (‘op en af’).”
klacht 1). Daarmee is evenzeer onbegrijpelijk, zo vervolgt het subonderdeel, de overweging van het hof aan het slot van rov. 7, dat de omstandigheid dat de tekst van de Buitenlandregeling niet door een eenvoudige aanpassing in lijn is gebracht met de door [eiseressen] verdedigde uitleg, een aanwijzing is dat deze uitleg niet voor juist kan worden gehouden. Volgens het subonderdeel geldt dat juist voor de door FNV voorgestane uitleg, nu de door [eiseressen] voorgestane uitleg in overeenstemming is met de tekst van de Buitenlandregeling (
klacht 2).
opgebouwde verlofrechten” uit art. 1.1 van de Buitenlandregeling zien: alleen op de verlofrechten die zijn opgebouwd in de betreffende periode van tewerkstelling in het buitenland, zoals FNV heeft gesteld, of op alle verlofrechten die zijn opgebouwd onder de Buitenlandregeling, dus óók op nog resterende verlofrechten uit eerdere buitenlandperiodes, zoals [eiseressen] heeft betoogd. [42] Het belang van deze kwestie is erin gelegen dat ingevolge dit art. 1.1 “
na het verstrijken van de duur van de tewerkstelling in het buitenland en de opgebouwde verlofrechten” de toepassing van de Buitenlandregeling vervalt (vgl. ook art. 25.9 van de Buitenlandregeling). De werknemer komt dan weer te vallen onder het regime van de CAO, waarin de Wachtgeldregeling is opgenomen.
klacht 1geldt het volgende. Waar de klacht zelfstandig – los van de stellingen van [eiseressen] – refereert aan de tekst van de Buitenlandregeling en stelt dat het door het hof gemaakte onderscheid daarin niet (zonder meer) valt te lezen, lijkt de klacht eraan voorbij te zien dat het in rov. 7 gaat om de uitleg van een bepaling van de Buitenlandregeling. Deze regeling vormt, als gezegd (zie onder 3.7), geen recht in de zin van art. 79 RO Pro. Voor een beoordeling of het bedoelde onderscheid in de tekst van de Buitenlandregeling valt te lezen, waar de klacht op dit punt in wezen om vraagt, is in cassatie derhalve geen plaats.
stelling (i)geldt dat deze stelling als zodanig niet is terug te lezen op de vindplaatsen in de processtukken waarnaar het onderdeel verwijst. [43] Het hof kan dan ook niet het verwijt worden gemaakt dat het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van deze stelling.
stelling (ii)kan de klacht niet slagen. In het oordeel dat het hof zich in rov. 7 heeft gevormd over de uitleg van de Buitenlandregeling, ligt besloten dat de toepassing van de Buitenlandregeling door de branche en [eiseressen] niet strookt met de betekenis die de woorden ‘opgebouwde verlofrechten’ uit art. 1.1. van de Buitenlandregeling volgens het hof, naar objectieve maatstaven, hebben. Het uitlegoordeel van het hof is op zichzelf niet onvoldoende gemotiveerd te noemen. Daarmee volgt uit de motivering van dit oordeel dan ook genoegzaam waarom het, ondanks dat de Buitenlandregeling door de branche, en ook door [eiseressen], jarenlang anders zou zijn toegepast, voor de hand ligt om het bedoelde onderscheid te maken.
onder (iii)genoemde stellingen geldt het volgende. Het onderdeel verwijst voor deze stellingen naar punten 52-53 van de memorie van grieven en punt 8 van de pleitaantekeningen in hoger beroep van [eiseressen]. [eiseressen] heeft daar het volgende betoogd (onderstrepingen overgenomen):
eenbovenmatigtegoed aan verlofdagen” (mijn onderstreping), en niet (slechts) over ‘verlofdagen’ (memorie van grieven) of ‘opgebouwde verlofrechten/verlofdagen’ (pleitaantekeningen in hoger beroep) waarop de hier aan de orde zijnde stelling betrekking heeft. Het is dan ook niet goed in te zien hoe art. 25.8 van de Buitenlandregeling steun kan bieden aan deze stelling. Tegen deze achtergrond was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren met het oog op het door [eiseressen] bij wijze van voorbeeld genoemde art. 25.8 van de Buitenlandregeling en evenmin in het licht van de overigens blote stelling dat de formulering ‘verlofdagen’
“elders” in de Buitenlandregeling juist wordt gebruikt om, kort gezegd, al het opgebouwde buitenlandverlof te omvatten.
dusziet op alle verlofdagen, ongeacht in welke uitzendperiode deze zijn opgebouwd, juist is.
daarmee”, voort op de eerste klacht. De tweede klacht deelt derhalve het lot daarvan.
geen werk kan bieden” uit art. 25.9 van de Buitenlandregeling, waarin de ingangsvoorwaarde voor toepassing van de Wachtgeldregeling is opgenomen (“
indien de werkgever de werknemer aansluitend aan de buitenlandperiode geen werk kan bieden”). De Buitenlandregeling is geen recht in de zin van art. 79 RO Pro, zodat ’s hofs uitleg van deze regeling (slechts) op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
eersteklacht stelt voorop dat het hof in rov. 8 tot uitgangspunt heeft genomen dat ‘mismatches’ (vooral een planningskwestie) niet ten laste van een werknemer moeten komen omdat het uitgangspunt van de Wachtgeldregeling is dat “
een oorzaak die redelijkerwijs voor rekening van de werkgever komt” voor rekening van de werkgever moet worden gelaten. Volgens de klacht heeft het hof daarmee miskend dat ‘mismatches’ niet steeds voortvloeien uit oorzaken die redelijkerwijs voor rekening van de werkgever komen. [eiseressen] heeft niet alleen gesteld dat ook een eigen verzoek van een werknemer om verlof te genieten kan meebrengen dat mismatches ontstaan, maar ook dat zij buiten leegloopsituaties wel werk kan bieden tegen het CAO-loon, maar dat dit voor werknemers zeer onaantrekkelijk is omdat zij dan een lager loon ontvangen dan wanneer zij verlofdagen zouden opnemen. [45] Het zou dan ook niet zijn in te zien waarom in dergelijke situaties zonder meer sprake is van geen werk kunnen aanbieden vanwege oorzaken die voor rekening van de werkgever komen.
vooral een planningskwestie”. In deze kwalificatie, die in cassatie niet wordt bestreden, ligt besloten dat deze ‘mismatches’ weliswaar ook het gevolg kunnen zijn van andere omstandigheden dan de planning van [eiseressen], maar dat dit onvoldoende is om, in de woorden van het hof, “
het bedrijfsrisico van deze ‘mismatches’” niet voor rekening van [eiseressen] te laten komen (maar voor rekening van de werknemer te brengen). Dat het hof de gevolgen van roostertechnische ‘mismatches’ aldus voor rekening van de werkgever laat, is niet onbegrijpelijk. De planning van de in het buitenland te verrichten werkzaamheden en het opstellen van de werkroosters liggen immers uiteindelijk in de handen van [eiseressen] als werkgever en zijn daarmee haar verantwoordelijkheid. De omstandigheid dat vanwege roostertechnische problemen (tijdelijk) geen werk kan worden aangeboden, is dan ook als normaal bedrijfsrisico te beschouwen, [46] die daarmee voor rekening van [eiseressen] moet komen, ook als de roostertechnische problemen het gevolg zouden zijn van een eigen verzoek van een werknemer om verlof te genieten, zoals [eiseressen] heeft aangevoerd. [47]
tweedeklacht stelt dat in aansluiting op het betoog van de eerste klacht niet, althans niet zonder meer, valt in te zien dat zelfs indien uit de Wachtgeldregeling zou voortvloeien dat een “
oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt”, voor rekening van de werkgever moet worden gelaten, dit zonder meer meebrengt dat ‘mismatches’ niet ten laste van een werknemer zouden mogen komen, nu die ‘mismatches’ ook oorzaken kunnen hebben die niet, althans niet zonder meer, voor rekening van de werkgever komen. Dit brengt mee dat ook niet, althans niet zonder meer, uit de Wachtgeldregeling voortvloeit dat de Buitenlandregeling aldus moet worden uitgelegd dat deze ziet op alle situaties waarin [eiseressen] geen werk kan bieden, ongeacht de oorzaak daarvan, aldus steeds de klacht.
dit brengt mee dat ook niet, althans niet zonder meer” voort op (de argumenten van) het eerste deel van de klacht en deelt dan ook het lot daarvan.
derdeklacht bestempelt als onbegrijpelijk ’s hofs oordeel aan het slot van rov. 8, dat de beperking tot leegloopsituaties door een kleine, eenvoudige en voor de hand liggende aanpassing van de tekst gerealiseerd had kunnen worden. Hiertoe voert de klacht aan dat ook de door FNV voorgestane uitleg, waarvan volgens het hof moet worden uitgegaan, niet volgt uit de tekst van de Buitenlandregeling. De beslissing dat – in de woorden van de klacht – de door FNV voorgestane uitleg uit de tekst van de Buitenlandregeling volgt en [eiseressen] daarom had moeten zorgdragen voor een kleine, eenvoudige en voor de hand liggende aanpassing indien zij haar uitleg ingang had willen doen vinden, zou dan ook onbegrijpelijk zijn. Nu de door FNV voorgestane uitleg evenmin uit de tekst van de Buitenlandregeling volgt, geldt dat immers evenzeer voor de door FNV voorgestane uitleg, zo besluit de klacht.
de woorden “geen werk kan bieden” […] in beginsel een ruim bereik [hebben]” en dat “
in de CAO of de Buitenlandregeling [...] niet [is] te lezen dat daarmee uitsluitend werd gedoeld op (niet gedefinieerde) ‘leegloopsituaties’ waarin door [eiseressen] structureel geen werk kan worden aangeboden, zodat roostertechnische ‘mismatches’ (…) daar niet onder zouden vallen”
,volgt dat de door FNV voorgestane uitleg naar het oordeel van het hof wel degelijk steun vindt in de tekst van de Buitenlandregeling. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof aan het slot van rov. 8 in zijn oordeel betrekt dat de beperking tot leegloopsituaties door een kleine, eenvoudige en voor de hand liggende aanpassing van de tekst gerealiseerd had kunnen worden, te meer niet nu de woorden “
geen werk kan bieden” uit art. 25.9 van de Buitenlandregeling volgens het hof in beginsel een
ruimbereik hebben en [eiseressen] een
beperkingtot leegloopsituaties verdedigt. Ook de derde klacht van onderdeel 3 slaagt derhalve niet.
subonderdeel 5.2onbegrijpelijk, zelfs als de door het hof in rov. 13 genoemde terughoudendheid in acht moet worden genomen. Deze motiveringsklacht valt uiteen in drie deelklachten.
eersteplaats aan dat het hof heeft miskend dat de roostertechnische ‘mismatches’ die de problemen bij het bemannen van schepen veroorzaken niet steeds voortvloeien uit oorzaken die redelijkerwijs voor rekening van [eiseressen] komen. [eiseressen] heeft immers gesteld dat ook een eigen verzoek van de werknemer om verlof tot ‘mismatches’ kan leiden. Het subonderdeel vervolgt dat [eiseressen] bovendien heeft gesteld dat zij buiten leegloopsituaties wel werk kan bieden tegen het CAO-loon, maar dat dit voor werknemers zeer onaantrekkelijk is omdat zij dan een lager loon ontvangen dan wanneer zij verlofdagen zouden opnemen. [50] Onbegrijpelijk is dan ook waarom deze problemen (steeds) typisch een bedrijfsrisico van [eiseressen] zijn, aldus het subonderdeel.
hun verlofdagen zullen gaan opsparen en in één keer zullen gaan opnemen. In de woorden van [eiseressen] (memorie van grieven, onder 88; mijn onderstreping): [51]
tweedeplaats wordt geklaagd dat niet, althans niet zonder meer, valt in te zien waarom [eiseressen] het gewicht/de betekenis van de financiële gevolgen niet heeft uitgewerkt en inzichtelijk heeft gemaakt. Het subonderdeel wijst er in dat verband op (i) dat [eiseressen] aan haar beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro mede ten grondslag heeft gelegd dat de door FNV voorgestane uitleg van de Wachtgeldregeling – in de woorden van de klacht – “
tot het (onaannemelijke) rechtsgevolg leidt” dat zij dubbel moet betalen, en (ii) dat [eiseressen] zich voorts erop heeft beroepen dat de financiële gevolgen voor haar niet zijn te overzien als iedere keer als er roostertechnisch wat dagen overbrugd moeten worden eerst wachtgeld en later ook nog verlofdagen moeten worden uitbetaald.
financiële problemen, namelijk dat [eiseressen] bij die uitleg in feite dubbel moet gaan betalen, en – daarop aansluitend – dat als [eiseressen] de Wachtgeldregeling dan ook nog zou moeten gaan toepassen buiten ‘echte’ leegloopsituaties,
de financiële gevolgenvoor [eiseressen]
niet te overzienzijn. Over de aard, de omvang en de impact van de financiële problemen/gevolgen heeft [eiseressen], anders dan in algemene termen, niets (concreets) gesteld. Dit had wel op haar weg gelegen, te meer nu zij ook heeft gesteld dat er op het moment dat er vanwege roostertechnische redenen enkele dagen niet kan worden gewerkt tussen twee uitzendingen naar het buitenland “
meestal wel werk [is] in Nederland dat [eiseressen] zou kunnen aanbieden” (tegen het basis CAO-loon). [53] Zoals het hof terecht opmerkt aan het slot van rov. 14, waar het hof aan deze stelling lijkt te refereren, treedt de Wachtgeldregeling immers niet in als [eiseressen] haar werknemers na afloop van een uitzending naar het buitenland werk in Nederland aanbiedt. Aangenomen dat na afloop van een uitzending “
meestal wel”werk in Nederland voorhanden is, zoals [eiseressen] stelt, valt niet zonder meer in te zien in hoeverre de door FNV voorgestane uitleg van de Wachtgeldregeling tot (niet te overziene) financiële problemen voor [eiseressen] leidt, in de door [eiseressen] gestelde zin dat zij bij die uitleg dubbel moet betalen, doordat eerst het wachtgeld moet worden betaald en later ook nog de (opgespaarde) verlofdagen moeten worden uitbetaald. Daaraan doet niet af dat, zoals [eiseressen] eveneens heeft gesteld, dit werk tegen het basis CAO-loon wordt verricht en het vanwege de inkomensdaling als gevolg daarvan erg nadelig zou zijn voor de werknemers om dit werk te verrichten (reden waarom [eiseressen] dit werk niet aanbiedt, maar verlof laat opnemen zodat de werknemers een hoger salaris blijven ontvangen). [54] Ik verwijs kortheidshalve naar wat ik heb opgemerkt onder 3.56.
het gewicht/de betekenisvan de financiële gevolgen niet zijn
uitgewerkt en inzichtelijk gemaakt. Onvoldoende gemotiveerd is dit oordeel evenmin. Ook de tweede klacht van subonderdeel 5.2 treft derhalve geen doel.
derdeplaats tegen ’s hofs overweging aan het slot van rov. 14. Deze overweging luidt als volgt:
klacht A). Daar komt bij, zo vervolgt het subonderdeel, dat het CAO-loon volgens de stellingen van partijen veel lager is dan het buitenland-loon of het loon onder de Wachtgeldregeling en dat, naar [eiseressen] heeft gesteld, werken onder het CAO-loon voor werknemers onaantrekkelijk is. Het gevolg daarvan is volgens het subonderdeel dat werknemers bij het aanbieden van (tijdelijk) werk in Nederland voor zover mogelijk alsnog andere verlofdagen gaan opnemen dan wel werk onder het CAO-loon gaan verrichten en daarmee de Wachtgeldregeling niet van toepassing wordt. Daarom valt niet in te zien waarom de omstandigheid dat (tijdelijk) werk in Nederland kan worden aangeboden, “
zonder meer” meebrengt dat het beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro niet opgaat. Het (tijdelijk) aanbieden van werk in Nederland leidt immers per saldo tot de uitkomst die [eiseressen] met dat beroep nastreeft, aldus het subonderdeel (
klacht B).
de door [eiseressen] gestelde onaanvaardbare (financiële) gevolgen van de door FNV met terugwerkende kracht gevorderde correctie”, vindt de klacht dan ook geen grondslag in de stukken van het geding in feitelijke instanties voor zover het daarin gaat over het hier aan de orde zijnde beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [57] De klacht mist bovendien feitelijke grondslag, nu het hof in rov. 14 niet heeft beslist dat
de door FNV met terugwerkende kracht gevorderde correctieniet naar maatstaven en redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals de klacht vermeldt. [58]
zonder meermeebrengt dat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet opgaat. Het hof legt aan dit oordeel in rov. 14 immers ook ten grondslag dat de gestelde problemen bij het bemannen van schepen typisch een bedrijfsrisico van [eiseressen] zijn en dat het gewicht/de betekenis van de financiële gevolgen niet zijn uitgewerkt en inzichtelijk gemaakt.
subonderdeel 5.1en de voortbouwklacht van
subonderdeel 5.3derhalve onbesproken blijven.