Conclusie
1.Het cassatieberoep
NJ2019/276 – het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan klager van het op 4 juni 2017 onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van € 9.000,-, niet-ontvankelijk verklaard.
2.De feiten van de zaak
plv. AG: bedoeld zal zijn ‘de’] persoon, naar later bleek [betrokkene 1] , die de tassen overhandigde. De ontvanger van de tassen, naar later bleek klager, wordt vervolgens door de politie gecontroleerd. De politie ziet in de bigshopper tassen (…) computerapparatuur zitten. Klager verklaart deze zojuist te hebben gekocht voor een bedrag van € 9.000,-.
3.Het procesverloop
(plv-AG: bedoeld zal zijn beschikking)d.d. 25 juni 2019 heeft de Hoge Raad de zaak terugverwezen naar de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem en daarbij het volgende overwogen.
4.Het middel strikt genomen
5.Het middel welwillend beschouwd
stapeltje geldbiljettenter waarde van € 9.000,- nu het een nietige overeenkomst betrof. Dit betekent dat om die reden, omdat hij dus eigenaar is gebleven van dat goed, die stapel aan biljetten weer aan hem moeten worden geretourneerd nu hij redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt van die stapel biljetten.
(plv-AG: bedoeld zal zijn inbeslaggenomen), het is niet één pakketje zoals de raadsman doet voorkomen.” [4]
Het beklag
(plv-AG: bedoeld zal zijn de opgelegde schadevergoedingsmaatregel; zie voetnoot 1)te voldoen. Daarbij is niet van belang dat de in beslag te nemen gelden of goederen op enigerlei wijze verbonden zijn of verkregen zijn uit enig strafbaar feit. Conservatoir beslag kan ook gelegd worden op legaal verkregen goederen of gelden aangezien het in deze casus dient ter zekerheidsstelling van het nakomen van een op te leggen verplichting zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
(plv-AG: lees bevoordeeld)boven de andere schuldeiser, klager, gaat naar het oordeel van de raadkamer niet op.
(plv-AG: betaalde)geldbedrag op hem te verhalen.
belanghebbendeis. Alleen als die vraag positief wordt beantwoord, ligt de weg naar een inhoudelijk oordeel van de beklagrechter open. In de onderhavige zaak heeft de beklagrechter zich inhoudelijk gebogen over de vraag wie als
rechthebbendeheeft te gelden op het conservatoir beslag. Zijn conclusie is dat de klager niet de rechthebbende is en daarom merkt hij hem ook niet als belanghebbende aan. Dat is onjuist. Naar mijn oordeel heeft klager te gelden als belanghebbende enkel en alleen omdat hij het eigenaarschap van het inbeslaggenomen geld pretendeert. Daarmee slaagt dit onderdeel van het middel.
6.Enkele aanvullende opmerkingen
(i)n een procedure als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (…) de raadkamer slechts bevoegd (is) marginaal [8] te toetsen of het beslag rechtmatig is geweest alsmede of er voldoende aanwijzingen zijn het gelegd beslag te handhaven. Het is immers de zittingsrechter die bevoegd is om bij de behandeling van de strafzaak een volledig inhoudelijke beslissing te nemen over dit beslag [9] ”, maar hij laat die terughoudendheid in de aansluitende volgende alinea onmiddellijk varen. De beklagrechter geeft daarin aan dat naar zijn oordeel in de onderhavige zaak niet met een slechts “marginale” toetsing kan worden volstaan. Daarvoor worden drie argumenten genoemd: 1. de ouderdom van het tegen [betrokkene 1] gewezen (onherroepelijke) vonnis, 2. de omstandigheid dat alleen in het kader van het klaagschrift nog een rechterlijke beslissing over het beslag zal kunnen worden genomen en 3. de omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat er geen sprake meer is van beslag. Ik acht die argumenten op zichzelf noch in onderling verband voldoende reden om af te wijken van het gebruikelijke summiere beoordelingskader zoals door de Hoge Raad in zijn terugwijzingsbeschikking geformuleerd. Wat betreft het tijdsverloop merk ik op dat de beklagkamer het beklag reeds 2,5 maand na de terugwijzing door de Hoge Raad heeft afgedaan. Zonder nadere toelichting zie ik niet in dat dit geringe tijdsverloop het beoordelingskader totaal zou moeten wijzigen. Natuurlijk, tijdsverloop kan een rol spelen in beslagzaken doordat het beslag steeds bezwaarlijker kan worden voor de belanghebbende, maar dat proportionaliteitsargument wordt hier niet genoemd. [10] Het tweede argument gaat naar mijn oordeel voorbij aan de essentie van het conservatoir beslag, namelijk zekerheidsstelling (in dit geval voor de aan [betrokkene 1] opgelegde (onherroepelijke) schadevergoedingsmaatregel). Die verhaalsmogelijkheid staat voorop en daar lijkt hier geen enkel oog voor te zijn. Dat laatste blijkt ook uit het derde argument, hoewel ik daarbij voorop moet stellen dat ik dat argument eigenlijk niet (goed) begrijp, waar de beklagrechter overweegt:
waaronder(cursivering van mij; plv-AG) dus een bedrag van € 9.000,- waarvan klager stelt eigenaar te zijn”.