Conclusie
(Feit 1 [a-straat 3] )
Witwassen [a-straat 3]
" [betrokkene 72] "- vals te zijn. [betrokkene 75] is nooit in loondienst geweest van Café [J] en [betrokkene 78] heeft dit pand eveneens bewust te hoog getaxeerd.
Ik heb wel vaker zaken gedaan met [betrokkene 49] , bijvoorbeeld de [r-straat 2] via een A-B-C transactie. Ik heb daar ongeveer 2000 a 3000 euro contant voor gekregen van [betrokkene 49] .
1. Algemeen, vermoeden van witwassen
2. [a-straat 3]
3. De opbrengst van [r-straat 2]
5. Bankrekening [003]
eerstemiddel valt uiteen in een aantal deelklachten. De
eerstedeelklacht houdt in dat het gerechtshof ten onrechte het verzoek tot het (doen) opvragen en voegen in het dossier van ‘geconcretiseerde documenten die betrekking hebben op de onder 1 ten laste gelegde bankrekening (effectenrekening) heeft afgewezen’ althans dat het hof zijn beslissing op dit verzoek onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De
tweededeelklacht betreft ’s hofs oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden op deze bankrekening niet voldoet aan de eis dat deze concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en dat daarom geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tegoeden op deze bankrekening uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit oordeel zou onjuist althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd zijn. De
derdedeelklacht ziet op de bewijsoverweging voor zover deze inhoudt dat uit het dossier blijkt dat met regelmaat (heel) grote bedragen op de betreffende bankrekening werden gestort die vervolgens werden aangewend om effecten aan te kopen. Deze overweging zou geen steun vinden in de gebruikte bewijsmiddelen en/of onjuist althans onbegrijpelijk zijn. Ik bespreek de deelklachten in omgekeerde volgorde.
NJ2011/44 m.nt. Keijzer heeft geformuleerd.
- i) de situatie waarin het vermogen "gedeeltelijk" van misdrijf van afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is "besmet" doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
- ii) de situatie waarin het vermogen "middellijk" van misdrijf van afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
- Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen.
- Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen - en nadien elke betaling daaruit - wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.
- Bij de keuze van de in dit verband in acht te nemen omstandigheden kan van belang zijn of sprake is van de hiervoor onder 3.6.1 sub (i) en (ii) onderscheiden situaties. Gelet op de vele varianten waarin het witwassen in de praktijk kan plaatsvinden, die zich bovendien niet op voorhand laten overzien, is de hiervoor gegeven opsomming van mogelijk in de beoordeling te betrekken omstandigheden niet limitatief.’
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de koopsom voor het pand [a-straat 3] en daarmee het pand uit enig misdrijf afkomstig was, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsmotivering niet worden afgeleid dat de verdachte enige wetenschap had van de vermogensstroom die heeft geleid tot de aanschaf van dat pand. En daaruit zou evenmin kunnen worden afgeleid dat de verdachte in abstracto wist dat medeverdachte [betrokkene 49] panden kocht met (deels) van misdrijf afkomstig vermogen. Zonder nadere motivering zou voorts onbegrijpelijk zijn dat het gerechtshof het voorwaardelijk opzet van de verdachte (mede) heeft gebaseerd op de verdenking en veroordeling van de verdachte in het AMFI-onderzoek, dat op een andersoortig feitencomplex en een andersoortig verwijt betrekking heeft. De overweging dat de verdachte ten tijde van de levering van het pand goed was ingevoerd in de (deels criminele) onroerend goed handel en activiteiten van zijn oom en diens sturende rol daarbij zou evenmin op de bewijsmiddelen kunnen worden gebaseerd. De overweging van het hof over de ABC-constructie die bij verkoop in particulier verband ongebruikelijk is, zou ten slotte niets zeggen over de kennis die daadwerkelijk bij de verdachte aanwezig moet zijn geweest over de aanmerkelijke kans dat (de koopsom voor) het pand [a-straat 3] van misdrijf afkomstig is.
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verkoopopbrengst van het pand [r-straat 2] uit enig misdrijf afkomstig was, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Meer in het bijzonder zou ’s hofs overweging voor zover inhoudend dat de verdachte in plaats van kritiekloos aan de transactie mee te werken zich ervan had moeten vergewissen dat de transactie door de beugel kon als onderbouwing van voorwaardelijk opzet onbegrijpelijk zijn nu deze tot uitdrukking brengt dat de verdachte geen navraag heeft gedaan waar hij dat volgens het gerechtshof wel had moeten doen. Voorts zouden de bezwaren die bij het tweede middel tegen de verwijzing naar de betrokkenheid van de verdachte bij het AMFI-onderzoek zijn geformuleerd ook hier gelden. En die bezwaren zouden nog klemmender zijn omdat het hof heeft overwogen dat de verdachte ‘daardoor’ wist van de activiteiten die zijn oom ontplooide. Die overweging zou onbegrijpelijk zijn omdat het AMFI-onderzoek niet betrekking had op de aankoop van panden door middel van hypotheekfraude. Uit de bewijsmiddelen zou voorts op geen enkele wijze blijken dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de koper van het pand [r-straat 2] hypotheekfraude heeft gepleegd door de bank een valse werkgeversverklaring en loonstrook voor te schotelen. De steller van het middel wijst in dat verband op de als bewijsmiddel 1 gebruikte verklaring van de verdachte voor zover inhoudend dat hij niet weet waarom zijn oom wilde dat dit pand op zijn naam kwam en dat hij dat ook nooit heeft gevraagd.
vierdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tegoeden op de effectenrekening uit enig misdrijf afkomstig waren, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat, zoals het hof heeft overwogen, ‘op de rekening grote bedragen gestort werden’. En daaruit zou evenmin kunnen worden afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tegoeden op de bankrekening van enig misdrijf afkomstig waren. Zeker in familieverhoudingen zou niet te gemakkelijk mogen worden uitgegaan van redeneringen die uitgaan van de gedachte: ‘eens een dief, altijd een dief’. Daarbij zou ook in deze context gelden dat het AMFI-onderzoek betrekking had op een geheel andersoortig feitencomplex en verwijt. De overweging dat de verdachte er niet meer op mocht vertrouwen dat het wel goed zou zitten zou bovendien ‘veeleer op culpa’ duiden.
vijfdemiddel klaagt dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn, meer in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, is geschonden.