Conclusie
5.Het derde middel
- het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [A] , staande en gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats 2] , en
(…)
3.3.2. Beoordelingskader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. In de rechtspraak gelden dan ook twee hoofdlijnen:
Voetnoot 143 De wetgever heeft strafbaar gesteld ‘terwijl hij weet/redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. De wetgever stelt dienaangaande: ‘Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. (...) Om ook handelingen aan het eind van het traject effectief te kunnen aanpakken, dient een desbetreffende strafbepaling niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf strafbaar te stellen, maar ook het witwassen van een voorwerp dat indirect, middellijk afkomstig is uit enig misdrijf.’ Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 16-17
(…)
6.Het tweede middel
(…)
Zoals hiervoor is overwogen, is wat betreft de financiering van de [d-straat 1a] en daarmee de [c-straat 1] sprake van een criminele herkomst van de gelden. [betrokkene 2] heeft in 1995 het bouwperceel aan de [d-straat 1a] gekocht en daar een woning op laten bouwen. [verdachte] heeft vervolgens het pand aan de [c-straat 1] gekocht met geld dat afkomstig was van de [d-straat 1a] , dat met geld met een criminele herkomst was aangekocht. Zowel [betrokkene 2] als [verdachte] hadden voor bedoelde aankopen geen financiële middelen, zoals hiervoor reeds is overwogen. Ten aanzien van [verdachte] is naar het oordeel van het hof sprake van opzet: [verdachte] verklaart
(…)
Op het moment dat het perceel [a-straat 1] werd aangekocht, werden gelden die verkregen zijn als uitvloeisel van eerder geïnvesteerde criminele gelden geïnvesteerd. Op de datum van aankoop van de [a-straat 1] worden deze gelden omgezet en witgewassen. De vraag op welk moment de oorspronkelijke criminele gelden zijn verkregen is daarbij niet van belang. Ten aanzien van [verdachte] is naar het oordeel van het hof sprake van opzet: [verdachte] verklaart immers dat hij alle overeenkomsten voor zijn kinderen zelf heeft geregeld. Hij moet, nu de gestelde herkomst als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven, op de hoogte zijn geweest van de criminele herkomst, dit gezien ook de door hem ondertekende, hierna als valselijk opgemaakt aan te merken overeenkomsten d.d. 6 november 2008 en 14 mei 2010 betreffende de [a-straat 1] . (…)
Gelet op de verklaring van [verdachte] dat hij de aankoop van de [b-straat 1] in 2005 en 2009 regelde en de hiervoor vermelde conclusie dat dit met geld van criminele herkomst is gefinancierd, is daarmee ook het opzet gegeven.”
7.Het eerste middel
(…)
Wat betekent ’’gewoonte maken van witwassen’’? Dit is een vaste terminologie in het Wetboek van Strafrecht. Het betekent een herhaling van feiten, waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt om dit feit steeds weer te begaan. Denk bijvoorbeeld aan de houder van een wisselkantoor, die regelmatig witwast.” [7]
8.Het vierde middel
• indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [E] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben verstrekt.
(…)
3.5.2.6 Met betrekking tot feit 2: valsheid in geschrift (tenlastegelegd bij [betrokkene 27] , [betrokkene 31] , [verdachte] en [betrokkene 17] )
(…)
3.5.3.4 Met betrekking tot feit 2: valsheid in geschrift (tenlastegelegd bij [betrokkene 27] , [betrokkene 31] , [verdachte] , [betrokkene 1] (alleen de overeenkomst d.d. 14 mei 2010) en [betrokkene 17] )
3.5.5.5 Met betrekking tot feit 2: valsheid in geschrift (tenlastegelegd bij [betrokkene 27] , [betrokkene 31] , [verdachte] , [betrokkene 17] , [betrokkene 3] (met betrekking tot de overeenkomst/verklaring van 14 april 2009) en [betrokkene 2] (met betrekking tot de overeenkomst van 3 oktober 2005 en de verklaring van 1 juni 2007))
andereovereenkomsten sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking met een of meer andere verdachten dat van medeplegen kan worden gesproken.
9.Het vijfde middel
aanvullende middelheeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het bevat de klacht dat één of meer van de betrokken raadsheren die het bestreden arrest hebben gewezen niet op rechtsgeldige wijze zijn beëdigd, zodat zij niet bevoegd waren om over de onderhavige zaak te oordelen, waardoor het bestreden arrest niet in stand kan blijven.