In deze zaak heeft de kinderrechter het gezag van de moeder over haar drie kinderen beëindigd vanwege een onveilige opvoedsituatie waarin de kinderen slachtoffer waren van fysiek, verbaal en emotioneel geweld. De kinderen vertonen signalen van traumatisering en ontwikkelingsproblemen en zijn sinds november 2017 met een machtiging uit huis geplaatst, verblijvend in een gezinshuis.
Het hof heeft het oordeel van de kinderrechter bekrachtigd, waarbij het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie werd benadrukt. De moeder accepteert de uithuisplaatsing en werkt goed samen met de gezinshuisouders, maar is niet in staat binnen een aanvaardbare termijn de verzorging van de kinderen op zich te nemen.
De moeder stelde in hoger beroep dat het hof essentiële stellingen over haar acceptatie van de situatie en de proportionaliteit van de gezagsbeëindiging had miskend, en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met jurisprudentie van het EHRM en de afwezigheid van de vader, die de onveilige situatie veroorzaakte. De Hoge Raad concludeert echter dat het hof deze punten wel degelijk heeft meegewogen en dat de gezagsbeëindiging noodzakelijk en proportioneel is, waarbij het belang van de kinderen prevaleert.