Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De feiten
3.Het middel
4.De beschikking
5.De beoordeling van het middel
NJ2010/654, m.nt. van P. Mevis heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt en dat dit summiere karakter tot uitdrukking komt in enkele van de toe te passen toetsingsmaatstaven. Voor de zojuist opgesomde vier vragen luiden die maatstaven als volgt.
pretendeertte hebben. [1]
had kunnenvermoeden’ gaat immers meer in de richting van (enkel) onoplettend, onachtzaam en/of onvoorzichtig gedrag, dan in de richting van de voor culpa vereiste
aanmerkelijkeonoplettendheid, onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid. In delictsomschrijvingen wordt de culpa in de regel omschreven in termen als ‘redelijkerwijs
had moetenvermoeden’ of ‘redelijkerwijs
moetvermoeden’. Die terminologie heeft een normatieve lading en duidt op ‘behoren te vermoeden’. [15] Gelet op de wijze waarop de wetgever van begin af aan de verbeurdverklaring van voorwerpen van derden heeft willen beperken (namelijk door expliciet opzet of schuld van die derde te eisen; zie hiervoor onder randnummer 5.1.5.) plus het gegeven dat de wetgever zich ter gelegenheid van de wetswijziging in 1983 niet heeft uitgelaten over zijn vanaf dan gehanteerde andere woordkeuze [16] , moet er naar mijn oordeel vanuit worden gegaan dat het in art. 33a lid 2 Sr ook vandaag de dag nog altijd gaat om opzet dan wel culpa aan de zijde van de derde. [17] Alleen dan kunnen voorwerpen die aan die derde toebehoren worden verbeurd verklaard. De bepaling ziet niet op de derde die ‘enkel’ even niet goed heeft opgelet; die derde heeft te gelden als een bonafide derde.
NJ2004/323 (doodslag in Sint-Michielsgestel). In die zaak gaat het om een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door een dronken bestuurder in een geleasde terreinwagen. De Hoge Raad overweegt over de door de feitenrechter bevolen verbeurdverklaring van de
aan de leasemaatschappij in eigendom toebehorendeterreinwagen dat “het enkele bestaan van een lease-overeenkomst er niet aan in de weg behoeft te staan om aan te nemen dat de desbetreffende auto
aan de verdachte toebehoort in de zin van art. 33a Sr” (cursivering van mij, plv-AG). [22] In deze benadering doet het opzet of de culpa van de leasemaatschappij niet ter zake. Hier wordt immers vastgesteld dat het voorwerp (ook) toebehoort aan de verdachte en dan wordt het terrein van art. 33a lid 2 Sr niet betreden. Een aanknopingspunt voor deze benadering is te vinden in de memorie van toelichting op de ontnemingswetgeving (welke wet heeft geleid tot de huidige tekst van art. 33a Sr):
“Voorwerpen die niet aan een verdachte toebehoren, kunnen slechts verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met het gebruik in verband met het strafbare feit of dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden”.
aanmerkelijkonachtzaam/onvoorzichtig/nalatig is geweest door toe te laten dat [betrokkene 1]
als bijrijderin de bestelauto plaatsnam en dat de klager op die manier een ongeoorloofd risico heeft genomen. [24] Anders gezegd: kennelijk vindt de beklagrechter dat de klager op 3 november 2019 redelijkerwijs had moeten voorzien dat [betrokkene 1] de kans zou grijpen om opnieuw met de bestelauto te gaan rijden en dat de klager ten onrechte heeft vertrouwd op de goede afloop.
de gelegenheid heeft gegevende sleutel van het voertuig te pakken. Wanneer de feitelijke gang van zaken is geweest zoals de klager daarover in raadkamer heeft verklaard (zie hiervoor onder randnummer 4), dan wordt de stap naar ‘het gelegenheid geven’ hier wel erg makkelijk genomen. Uit de door de beklagrechter aangehaalde verklaring van de klager volgt immers dat hij ervan uitging dat [betrokkene 1] slechts de bijrijder zou zijn. Mogelijk heeft de beklagrechter twijfels gehad bij de geloofwaardigheid van de lezing van de klager, maar daarover wordt in de beschikking niets gezegd.