Conclusie
Nummer19/01690
Het cassatieberoep
valsheid in geschrift”, in de zaak met parketnummer 16-652768-14 wegens 2.
“opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”en 3. “
oplichting”en in de zaak met parketnummer 16-659620-16 wegens primair “
verduistering”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden. Tot slot heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
in de periodevan 2 april 2013 tot en met 4 juni 2013 een brief en een verklaring, afkomstig van [A] B.V. en gedateerd op 2 mei 2013 valselijk heeft opgemaakt door valselijk een handtekening te plaatsen op/onder deze brief en verklaring. Zoals de steller van het middel in de schriftuur ook uiteenzet, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de brief met de bijgevoegde verklaring op 2 april 2013 door het deurwaarderskantoor aan [A] B.V. is verzonden terwijl de brief en verklaring door de deurwaarder op 3 mei 2013 ingevuld en ondertekend retour zijn ontvangen. Derhalve kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de brief en de verklaring in de ten laste gelegde periode valselijk zijn opgemaakt.
door misdrijfonder zich heeft gekregen, hetgeen aan een veroordeling wegens verduistering in de weg staat. Als ik de steller van het middel goed begrijp, betoogt hij daartoe dat uit de vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte de betalingsopdrachten met een onjuiste vermelding van werkzaamheden en bedrijfsnamen in combinatie met een onjuist rekeningnummer, namelijk zijn eigen rekeningnummer dan wel het rekeningnummer van zijn echtgenote, heeft klaargezet. Daarmee heeft de verdachte de geldbedragen door misdrijf, namelijk door oplichting of bedrog, onder zich gekregen.
onder zich heeft. Voor ‘onder zich hebben’ is een enkele feitelijke machtsverhouding niet steeds voldoende. Meestal zal sprake zijn van een toevertrouwd zijn, of van een rechtsverhouding waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de verdachte de goederen onder zich had. [6] Ook de omstandigheid dat de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking – en dus anders dan door misdrijf – in staat is met betrekking tot het betreffende goed beschikkingshandelingen te verrichten, zal in de regel de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van ‘onder zich hebben’. [7]
anders dan door misdrijfonder zich heeft’ uit artikel 321 Sr Pro moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door de verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen. [8] De omstandigheid dat de verdachte de geldbedragen door misdrijf, eventueel door oplichting, heeft verkregen, impliceert derhalve dat niet bewezen kan worden dat de verdachte deze geldbedragen heeft verduisterd.
bewogentot de in artikel 326 lid 1 Sr Pro bedoelde handeling.
NJ2012/265, waarin de Hoge Raad zelfs tot het oordeel kwam dat het in die zaak voorliggende feitencomplex zowel (medeplegen van) verduistering als (medeplegen van) oplichting oplevert.
anders dan door misdrijf– het geld van [A] B.V.
onder zich had, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.