Conclusie
1.Feiten en procesverloop
ingang van 5 april 2019 op een bedrag van € 89,- per maand voor beide kinderen. Ondanks bezwaar daartegen van de vrouw, heeft het hof kennelijk deze wijziging gehonoreerd.
uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van € 2.294,- per maand;
inkomen als over de voorgaande periode;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ten minsteis voldaan aan de wettelijke maatstaven. Daarmee is een beding dat inhoudt of ertoe strekt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een
hogerekinderalimentatie, nietig op grond van art. 3:59 BW Pro in verbinding met art. 3:40 lid 1 BW Pro. Voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een afname van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een
lagerekinderalimentatie, is dit beding in beginsel níet in strijd met de regel dat kinderalimentatie ten minste aan de wettelijke maatstaven moet voldoen, en kan aan dit beding rechtsgevolg toekomen.
Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto besteedbare inkomen (NBI) wordt in de regel gevormd door de middelen die de ouder(s) gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van de samenleving of – in geval van stijging van het inkomen na het verbreken van de samenleving – nadien ter beschikking staan, dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het NBI kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.Wel dient rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget waar recht op bestond ten tijde van de samenleving. Dit dient bij de ouder die deze bijdrage ontving te worden opgeteld bij diens inkomen. (…).”
nahet uiteengaan. Dit bedrag aan kindgebonden budget moet dus niet in mindering worden gebracht op de (tabel)behoefte, maar moet worden opgeteld bij de draagkracht van de ouder die daarop aanspraak maakt.
klacht Ibetoogt de man dat het hof in rov. 5.10 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de behoefte van de minderjarigen in 2016 te verhogen met het kindgebonden budget. De man verwijst daarbij naar HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011.
nahet uiteen gaan van partijen. In rov. 5.6 heeft het hof echter het NBI tijdens de samenleving van partijen bepaald om aan de hand daarvan de tabelbehoefte van de kinderen vast te stellen. Dit is in overeenstemming met de werkwijze volgens het Rapport Alimentatienormen (zie onder 2.7). Het hof is dan ook niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
klacht IIwordt betoogd dat het hof bij de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend. In de beschikking van de rechtbank was de kinderalimentatie vastgesteld op € 200,- per maand per kind. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de behoefte van de kinderen tezamen moet worden vastgesteld op € 400,-per maand in 2016. Daartegenover heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2016 € 460,- per maand bedraagt. Hiermee kon het hof de behoefte van de kinderen slechts vaststellen op een bedrag gelegen tussen de € 400,- en € 460,- per maand in 2016. Het door het hof vastgestelde bedrag van € 504,- aan behoefte van de kinderen in 2016 ligt hier boven. Deze onjuiste vaststelling werkt ook door in de vaststelling van de behoefte van de kinderen in de daarop volgende jaren.
ten minsteaan de wettelijke maatstaven voldoet. Dat volgt uit de hiervoor onder 2.3 genoemde beslissing van de Hoge Raad van 1 november 2019, dat de rechter niet gebonden is aan een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie dat inhoudt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een
hogerekinderalimentatie. [28] Hieruit is af te leiden dat de rechter niet gebonden is aan een door partijen gestelde behoefte van de kinderen, als die behoefte
lageris dan volgens de wettelijke maatstaven heeft te gelden.
lagervastgesteld dan de rechtbank, terwijl geen incidenteel appel was ingesteld. Dat dat de appelrechter niet is toegestaan, is in lijn met het in de uitspraak van de Hoge Raad van 1 november 2019 gegeven oordeel, dat een niet-wijzigingsbeding (in beginsel)
nietnietig is, voor zover dat inhoudt dat een afname van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een
lagerekinderalimentatie. [30] Hieruit volgt immers dat het partijen (in beginsel) vrijstaat om afspraken te maken over kinderalimentatie op een hoger bedrag dan volgens de wettelijke normen. Daarbij past dat het niet aan de rechter is om ambtshalve in te grijpen op de grond dat de kinderalimentatie te hoog zou zijn vastgesteld, als de betrokken ouder daartegen in hoger beroep niet opkomt.