Conclusie
1.Inleiding
2.Het bestreden arrest
3.Eerste middel
ik begrijp: dienstmotorvoertuig, DP]. Deze remde en gleed door op de vluchtauto. De twee inzittende van de vluchtauto gingen er te voet vandoor. [verbalisant 1] wist de bestuurder te overmeesteren. [verbalisant 1] zag dat de verdachte een trappende beweging maakte in zijn richting en riep hem toe dat hij was aangehouden en dat hij zijn verzet moest staken. Toen de man dit bevel niet onmiddellijk opvolgde heeft [verbalisant 1] hem met gebalde vuist een klap in het gelaat en nog een tegen zijn schouder gegeven. Hierop staakte de man zijn poging zich te verzetten en te vluchten. [verbalisant 1] heeft hem toen naar de grond gebracht en liet hem op zijn buik liggen. Terwijl de verdachte op de grond lag heeft [verbalisant 1] hem in bedwang gehouden door zijn knie bij de verdachte in de nek te duwen. Hierna heeft hij de verdachte de transport boeien omgedaan.
4.Tweede middel
Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten
NJ2014/190. [7] In die zaak werd onder meer geklaagd dat het hof had verzuimd om te beslissen op een verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn strafvervolging van de verdachte, aangezien het door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal van het (na het vonnis van de rechtbank en voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden hebbend) verhoor van een getuige niet een correcte zakelijke weergave bevatte en deels in strijd met de waarheid was, nu het proces-verbaal ‘een sturende vraag [bevat] en het geverbaliseerde antwoord (...) het [doet] voorkomen alsof de getuige antwoordt met een eigen waarneming’. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 18 maart 2014, voor zover hier van belang, het volgende: