Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
[verweerder] heeft niet vrijwillig aan de daarbij uitgesproken veroordeling voldaan.
In het incidentele beroep heeft het hof het bestreden vonnis in conventie vernietigd voor zover het meer of anders door [verweerder] gevorderde is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende [eiser] veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [verweerder] terug te betalen al hetgeen hij zonder toepassing van de beslagvrije voet van [verweerder] heeft geïnd of heeft doen innen.
Het hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep in conventie en reconventie bekrachtigd en het door [verweerder] meer of anders gevorderde afgewezen behoudens voor zover dat bij het vonnis is toegewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 2.1-Iaen
2.1-IIaklagen – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof heeft miskend dat de kortgedingrechter weliswaar een grotere mate van vrijheid heeft dan de bodemrechter omdat hij niet is gebonden aan het bewijsrecht, maar zich ook heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst in de bodemzaak, en in die bodemzaak wel is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast zoals bedoeld in art. 149 en Pro 150 e.v. Rv. Een prognose omtrent de uitkomst in de hoofdzaak kan niet worden gedaan zonder te beoordelen (i) wie van welk rechtsgevolg de stelplicht heeft en (ii) of in dat kader de partij die in de bodemzaak de stelplicht en bewijslast heeft in de onderhavige zaak zijn ingeroepen rechtsgevolg voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In het onderhavige geval is het door [verweerder] ingeroepen rechtsgevolg dat de beslaglegging van aanvang onrechtmatig is wegens strijd met de beslagvrije voet van art. 475c in verbinding met 475d Rv [10] , zodat in de bodemprocedure in beginsel de stelplicht en bewijslast op [verweerder] rusten.
Het hof heeft in rov. 3.6 – onbestreden – overwogen dat de vorderingen over en weer zijn ingesteld in een kort geding als bedoeld in art. 438 lid 2 Rv Pro (executiegeschil). Het betreft de tenuitvoerlegging van een tussen partijen gewezen vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan. Maatstaf is of bij de uitoefening van de bevoegdheid om een dergelijke rechterlijke uitspraak te executeren misbruik wordt gemaakt. [11]
Volgens de tweede klacht van het subonderdeel heeft het hof bij dit oordeel ten onrechte niet het restitutierisico in acht genomen.
[eiser] heeft in eerste aanleg niets aangevoerd over een restitutierisico en in hoger beroep evenmin. Hij stelt ook niet, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, dat hij dat heeft gedaan. Bij gebreke van enig processueel debat over het restitutierisico bestond er voor het hof derhalve geen noodzaak om daarop in te gaan. [23] De klacht stuit reeds daarop af.
subonderdeel 2.1-III, bevat zes klachten.
Het subonderdeel klaagt dat het hof in rov. 3.3, 3.6, 3.7 en 3.10 heeft miskend dat bij de beoordeling in het kader van art. 475e Rv, te weten dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft, de kortgedingrechter alle omstandigheden dient te betrekken die te zijner kennis in het geding komt. In dat verband vermeldt [eiser] zeventien stellingen (a tot en met q) die hij in hoger beroep heeft aangevoerd, en waaraan het hof deels ten onrechte is voorbijgegaan.
Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden, waardoor onder meer art. 475e Rv en – het hierna bij de behandeling van onderdeel 2.2 aan de orde komende – art. 475g Rv zijn gewijzigd. Nu in cassatie slechts een beoordeling
ex tuncvan het bestreden arrest plaatsvindt [24] en het bestreden arrest op 14 april 2020 is gewezen, is in deze zaak nog de oude wetgeving van toepassing.
Voor de vraag of een schuldenaar niet in Nederland woont als bedoeld in art. 475e Rv (oud), kan aansluiting worden gezocht bij art. 1:10 BW Pro. [25] Het eerste lid van art. 1:10 BW Pro schrijft voor dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede bevindt, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Uit het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat de door [eiser] gestelde banden van [verweerder] met Turkije geen blijk van gedragingen geven als bedoeld in art. 1:11 BW Pro, dat handelt over verlies en verplaatsing van de woonstede, volgt dat het hof aansluiting heeft gezocht bij art. 1:10 BW Pro.
W4475) overwoog de Hoge Raad dat onder hoofdverblijf dient te worden verstaan: de plaats waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, zodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalde tijd en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keren. [26]
De klachten onder
2.1-III-1en
2.1-III-2betogen in de kern dat de inschrijving in de BRP slechts een
aanwijzingoplevert dat een partij daar ook daadwerkelijk woont (stelling k). Verder klaagt [eiser] in subonderdeel 2.1-III-2 dat het hof heeft miskend dat het een feit van algemene bekendheid is dat – zeker in Amsterdam – lang niet altijd huurders ook daadwerkelijk wonen in de huurwoning waarvoor zij een huurcontract met een woningbouwvereniging hebben afgesloten, waarbij [eiser] tevens verwijst naar zijn stelling onder k.
De stelling dat het van algemene bekendheid is dat lang niet altijd huurders ook daadwerkelijk wonen in de huurwoning waarvoor zij een huurovereenkomst hebben gesloten, is te algemeen om als essentiële stelling te kunnen dienen met betrekking tot het huurcontract van [verweerder] .
Het oordeel dat op grond van de in rov. 3.6 genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien, ervan moet worden uitgegaan dat de woonplaats van [verweerder] zich in Nederland bevindt, is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Subonderdeel 2.1-III-3 faalt dus.
subonderdelen 2.1-III-4tot en met
2.1-III-6zijn gericht tegen rov. 3.7, waarin het hof met betrekking tot de door [eiser] gestelde banden van [verweerder] met Turkije het volgende heeft geoordeeld:
Beide
subonderdelen 2.1-III-6 (1)en
2.1-III-6 (2)klagen dat het hof essentiële stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten. Het betreft de volgende stellingen van [eiser] :
subonderdeel I-III-6 (2)wordt verder nog betoogd dat indien de niet-besproken essentiële stellingen wel (kenbaar) waren meegenomen, het hof niet tot een ander oordeel had kunnen komen dan dat aannemelijk moet worden geacht dat [verweerder] in Turkije woont en voorts dat voldoende aannemelijk is dat [verweerder] op de voet van art. 1:11 BW Pro zijn woonplaats in Amsterdam sinds 2015, toen daar immers ook zijn zoon met zijn echtgenote stond ingeschreven, heeft prijsgegeven.
Onderdeel 2.1 faalt derhalve in zijn geheel.
‘de omvang, samenstelling en allocatie van [diens] volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen’, is in hoger beroep evenmin als in eerste aanleg toewijsbaar. De vordering is kennelijk gegrond op het bepaalde in artikel 475g, eerste lid, Rv. [verweerder] heeft in ieder geval tijdens het geding in eerste aanleg opgave gedaan van zijn bronnen van inkomsten in Nederland, te weten de AOW-uitkering alsmede een aanvullend pensioen van het Pensioenfonds Horeca en Catering ten belope van € 72,82 bruto (€ 55,29 netto) per maand. [eiser] heeft de juistheid van deze opgaven niet betwist en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] daarnaast over andere bronnen van inkomsten in Nederland beschikt, zoals op zijn weg had gelegen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat [verweerder] heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv om zijn bronnen van inkomsten op te geven, zodat voor toewijzing van de vordering geen grond bestaat. Anders dan [eiser] aanneemt, verplicht artikel 475g, eerste lid, Rv een schuldenaar tegen wie beslag wordt gelegd, niet om tevens opgave te doen van zijn
‘buitenlandse inkomen en vermogen’, waarmee [eiser] blijkens zijn stellingen het oog heeft op vermeend inkomen en vermogen van [verweerder] in Turkije, waarop hij zijn geldvordering op laatstgenoemde wil verhalen en die hij daartoe in kaart wil brengen. Op de eerste plaats bepaalt artikel 430, eerste lid, Rv, voor zover thans van belang, dat de grossen van in Nederland gewezen vonnissen in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. De ingestelde vordering om opgave te doen van buitenlands inkomen en vermogen heeft, gelet op het verhaalsoogmerk dat de vordering dient, alleen betekenis voor de tenuitvoerlegging buiten Nederland van het tussen partijen gewezen vonnis van 22 april 2015. Artikel 430, eerste lid, Rv voorziet echter niet in tenuitvoerlegging buiten Nederland, zodat dezelfde begrenzing moet worden aangenomen voor de inlichtingenplicht van een schuldenaar op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv. Op de tweede plaats hebben de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende executoriaal derdenbeslag, zoals in dit geding aan de orde, uitsluitend betrekking op beslag dat kan worden gelegd door een Nederlandse deurwaarder. Diens bevoegdheid is beperkt tot het grondgebied van Nederland. Ook hierom is de inlichtingenplicht van een schuldenaar op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv beperkt tot bronnen van inkomsten die vatbaar zijn voor beslag in Nederland, zodat deze plicht zich niet uitstrekt tot inkomen en vermogen in het buitenland.”
Tripels/Masson-arrest [40] en voorts dat die regel van art. 475g [41] lid 1 Rv algemeen is geformuleerd, zodat lezing dan wel toepassing van die regel in een zin waardoor buitenlandse bronnen daar niet onder zouden vallen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Aldus is ook het oordeel rechtens onjuist in rov. 3.9 dat [verweerder] aan zijn verplichting op grond van art. 475g lid 1 Rv zou hebben voldaan door alleen zijn Nederlandse inkomen en vermogen op te geven. [42] Volgens
subonderdeel 2.2-IIis het oordeel dat art. 475g lid 1 Rv niet ziet op buitenlands inkomen en vermogen, rechtens onjuist en onbegrijpelijk is.
alsmede voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens te verstrekken voor zover deze gegevens niet door de deurwaarder kunnen worden verkregen op grond van de artikelen 475ga en 475gb.”
Tripels/Masson-arrest volgt dat de informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv zich uitstrekt tot informatie over bronnen van inkomsten, de vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen.
Tripels/Masson-arrest ruimer is en dat de schuldenaar informatie aan de beslagleggende deurwaarder dient te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn voor verhaal vatbare goederen. [46]
Tripels/Masson-arrest naar art. 475g Rv af dat de Hoge Raad in elk geval voor wat betreft het toepassingsbereik voorziet dat elke informatieplicht zich uitstrekt tot informatie over bronnen van inkomsten, de vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen. Nu de wettekst in art. 475g lid 1 Rv echter enkel verwijst naar bronnen van inkomsten, en niet tevens naar informatie over de vermogenspositie van de schuldenaar en voor verhaal vatbare goederen, dient dit artikel blijkens de door de Hoge Raad gegeven uitleg ruim te worden uitgelegd, aldus Putter. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak waarin deze ruime interpretatie van art. 475g lid 1 Rv is toegepast. [47]
Tripels/Masson-arrest en dat de opgaveplicht van art. 475g lid 1 Rv is beperkt tot inkomstenbronnen/periodieke betalingen. [52] Ook Steneker [53] meent dat art. 475g Rv heel beperkt is geformuleerd: de schuldenaar is verplicht zijn ‘bronnen van inkomsten’ op te geven (lid 1), op straffe van halvering of verlaging van de beslagvrije voet (lid 2). Volgens Steneker kan de schuldenaar buiten de grenzen van art. 475g Rv om hoogstens worden verplicht om bijvoorbeeld desgevraagd te bevestigen of door de deurwaarder aangewezen vermogensbestanddelen inderdaad van hem zijn of aanwezig zijn en om daar eventueel bewijzen van te verschaffen. Een verdergaande informatieplicht zou z.i. in strijd komen met het
nemo tenetur-beginsel en met het recht op privacy (art. 10 Gw Pro en art. 8 EVRM Pro). De schuldenaar is daarnaast verplicht om de deurwaarder de gegevens te verstrekken die benodigd zijn voor de berekening van de beslagvrije voet en die niet kenbaar zijn uit de BRP en de polisadministratie van het UWV (art. 475g lid 1 Rv in verbinding met art. 475ga en 475gb Rv).
Tripels/Masson-arrest volgt dat er een algemene informatieplicht bestaat voor de schuldenaar op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW Pro en art. 6:248 BW Pro), maar dat art. 475g lid 1 Rv slechts een concretisering voor een speciaal geval vormt van die algemene informatieplicht. De informatieplicht van art. 475g lid 1 Rv is beperkt tot bronnen van inkomsten, hetgeen ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Steun voor die opvatting kan worden ontleend aan de memorie van toelichting bij het nieuwe art. 475aa Rv. Daaruit blijkt dat de wetgever een uitbreiding nodig achtte om te bewerkstelligen dat de informatieplicht van de schuldenaar verder reikt dan het opgeven van bronnen van inkomsten: [54]
Onderdeel V (artikel 475aa (nieuw))
Het onderhavige arrest wijkt echter af van het in 2011 door het gerechtshof Amsterdam gewezen arrest [56] , waarin werd geoordeeld dat de omstandigheid dat art. 475g Rv, dat betrekking heeft op executie door een Nederlandse deurwaarder, in het toen berechte geval, niet dwingt tot een beperking tot de binnenlandse bronnen van inkomsten, aangezien het een schuldeiser vrijstaat om met inachtneming van de daaraan verbonden formaliteiten een te zijner gunste gewezen uitspraak van een Nederlandse rechter in het buitenland ten uitvoer te laten leggen. [57]
Voor niet in de polis opgenomen bronnen van inkomsten blijft – gelijk het huidige stelsel – gelden dat de schuldenaar hier de beslaglegger over dient te informerenof dat de beslaglegger bij de vermoedelijke verstrekker op basis van artikel 475g, tweede en derde lid, kan informeren naar de aanwezigheid en de hoogte van de verstrekking. Benadrukt zij hier dat de bovenbeschreven hoofdregel (de deurwaarder stelt de beslagvrije voet op basis van polisinformatie vast) de in artikel 475d, vierde lid, opgenomen bevoegdheid ongemoeid laat om feiten of omstandigheden waarvan de deurwaarder kennis heeft en die van invloed zijn op de beslagvrije voet in een gelijktijdig met de vaststelling op basis van polisinformatie uit te voeren herberekening, te betrekken.
Op die manier kan de deurwaarder die kennis heeft van bijvoorbeeld een niet in de polisadministratie opgenomen buitenlands pensioen van de schuldenaar, de periodieke inkomsten uit dit buitenlands pensioen bij de berekening van de beslagvrije voet betrekken.” [onderstrepingen, A-G]
Overigens is de schuldenaar volgens de wetgever er ook bij gebaat om zijn inkomsten te melden opdat niet wordt uitgegaan van een lagere beslagvrije voet dan waarop de schuldenaar recht heeft. [65]
De overige klachten, waaronder ook onderdeel 2.3, behoeven m.i. geen verdere behandeling. Wel ga ik nog kort in op (de strekking van)
subonderdeel 2.2-IIIa.Daarin wordt betoogd dat een schuldenaar die weigert opgave te doen van zijn binnenlandse en/of buitenlandse inkomen en vermogen en hij aldus de controle op juiste uitvoering van de beslagvrije voet onmogelijk maakt, in redelijkheid geen beroep toekomt op die beslagvrije voet. Dit volgt volgens het subonderdeel uit art. 6:2 lid 2 BW Pro, art. 6:248 lid 2 BW Pro en art. 475g lid 2 Rv, hetgeen het hof, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden (art. 25 Rv Pro) op basis van hetgeen is aangevoerd in de toelichting op grief II, onder 25 tot en met 30 van de memorie van grieven, had behoren te onderkennen. Bij geen openheid van zaken geven omtrent substantiële aantoonbare vermogensbestanddelen, dient de beslagvrije voet geheel te vervallen.