Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
condicio sine qua non-verband staan en gezien het processuele debat ook niet van zodanig gewicht zijn dat het hof hierop had moeten ingaan.
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
hindsight bias). Uitgegaan moet worden van de wetenschap ten tijde van het aangaan van de renteswapovereenkomsten (vergelijk: hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1309, rov. 3.13). Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat het bij het aangaan van de renteswapovereenkomsten voor [eisers] maar ook voor ABN Amro niet voorzienbaar was dat de rente na 2008 structureel sterk zou gaan dalen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
onderdelen) en wordt toegelicht in randnummers 5 tot en met 10.
renteswapworden rentevoorwaarden uitgewisseld. Bij een
rentecapwordt – tegen betaling van een eenmalige premie – afgesproken dat de rente niet boven een bepaald niveau komt.
renteswapbetaalt de bank aan de cliënt een variabele rente, en krijgt de bank daarvoor van de cliënt een vaste rente (met een opslag) terug. Als de cliënt een lening met dezelfde variabele rente heeft en de swap voor wat betreft de hoofdsom en looptijd is afgestemd op deze lening, betaalt hij per saldo de vaste rente en de opslag. [8]
“Alle verklaringen blijven steken in de algemene verklaring dat de betrokken appellant een rentecap zou hebben gekozen en bereid en in staat zou zijn geweest de premie daarvoor te betalen. Dat is onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat zij in hun individuele geval in de hypothetische situatie een andere keuze zouden hebben gemaakt dan zij in werkelijkheid hebben gemaakt.”Deze overweging is volgens mij aldus te verstaan dat het hof ook de stelling dat [eisers] bereid en in staat zouden zijn geweest om de premie voor een rentecapovereenkomst te betalen onvoldoende onderbouwd heeft geacht.
eerste onderdeelen
randnummers 5-6van de procesinleiding zijn gericht tegen de overweging in rov. 4.15 dat het beroep op de omkeringsregel moet worden verworpen omdat Swapschade niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de gevallen van [eisers] het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Volgens Swapschade geeft deze overweging van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
tweede onderdeelvoert aan dat de verwerping van het beroep op de omkeringsregel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel berust deze beslissing op de in rov. 4.10-4.14 bereikte slotsom dat Swapschade onvoldoende heeft gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat [eisers] zonder de normschending rentecapovereenkomsten in plaats van renteswapovereenkomsten waren aangegaan. Het hof zou daarmee miskennen dat de omkeringsregel impliceert dat de stelplicht ter zake van het oorzakelijk verband tussen de normschending van ABN Amro en de verwezenlijking van het specifieke gevaar waartegen deze norm bescherming beoogt te bieden, niet op Swapschade maar op ABN Amro rust.
randnummer 7van de procesinleiding wordt de motiveringsklacht tegen het oordeel over de omkeringsregel uitgewerkt. Deze uitwerking houdt samengevat het volgende in. Het beroep op de omkeringsregel is pas onderzocht nadat het hof eerst heeft overwogen dat [eisers] niet aannemelijk hebben gemaakt dat causaal verband bestaat tussen de normschending van ABN Amro en de omstandigheid dat [eisers] geen rentecapovereenkomsten zijn aangegaan. In deze zaak moet echter worden uitgegaan van enerzijds de normschending en anderzijds de omstandigheid dat [eisers] renteswapovereenkomsten hebben gesloten. Het hof had daarom moeten onderzoeken of ABN Amro voldoende heeft gesteld dat het uitgangspunt ontzenuwt dat [eisers] voor rentecapovereenkomsten hadden gekozen als ABN Amro hen voldoende had voorgelicht. Het hof heeft dit niet gedaan. Dat maakt de beslissing over het beroep op de omkeringsregel (voor zover deze al niet rechtens onjuist is) onbegrijpelijk.
condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken, bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de schade ook zonder die gedraging of tekortkoming was ontstaan.
financiële dienstverlenertot het verschaffen van informatie over de kenmerken en risico’s van een financieel product zal er veelal toe strekken dat de cliënt goed geïnformeerd kan beslissen of hij het product wil afnemen. Bij schending van zo’n verplichting is de omkeringsregel niet van toepassing, zo wordt in de literatuur aangenomen. [14] Daaraan wordt in de literatuur toegevoegd dat de bewijslast van de cliënt met betrekking tot het causaal verband tussen de schending van een informatieverplichting en de gestelde schade wel
ad hockan worden verlicht. [15] In dat kader wordt gewezen op de effectenleasezaken, [16] het arrest
World Online [17] over een misleidende prospectus en het arrest
Van Lanschot/[…] [18] over een zorgplichtschending van een beleggingsdienstverlener jegens een particulier.
onderdelen 1 en 2(met de toelichting in
randnummers 5-7) ongegrond.
derde onderdeelen
randnummers 8-9van de procesinleiding betogen in de kern dat het hof bij zijn beslissing over het causaal verband voorbij is gegaan aan een aantal essentiële stellingen van Swapschade over de nadelen van renteswapovereenkomsten.
condicio sine qua non-verband. Daarom moet worden bezien (1) of de stellingen in deze context zijn aangevoerd en (2) of de stellingen in dat kader wezenlijk gewicht in de schaal leggen.
condicio sine qua non-verband. In de alinea’s, waarnaar het cassatieberoep verwijst, wordt geen vergelijking gemaakt tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie zonder normschending. Daarentegen wordt in deze alinea’s wel diverse malen vermeld dat ABN Amro [eisers] beter had moeten informeren en/of waarschuwen. [32] De stellingen lijken dus veeleer in het kader van de zorgplicht(schending) te zijn betrokken dan in de context van het
condicio sine qua non-verband.
Eisers zouden niet hebben gekozen voor een rentecap
condicio sine qua non-verband waar het in de bestreden beslissing over gaat (zie onder 4.38 hiervoor). Verder lijken deze stellingen mij gezien het verdere processuele debat niet van een zodanig gewicht dat het hof hier in het kader van het
condicio sine qua non-verband op in had moeten gaan (zie onder 4.39 hiervoor). Daarom ben ik van mening dat hier niet kan worden gesproken van essentiële stellingen die het hof bij zijn beslissing over het causaal verband had moeten betrekken.
randnummers 8-9) treft mijns inziens dus ook geen doel.