Conclusie
Inleiding
Het procesverloop in cassatie
Het middel
NJ2013/241, m.nt. Bleichrodt heeft de Hoge Raad immers het volgende overwogen:
NJ2020/361 naast het middel dat klaagde over de inzendtermijn aanvankelijk een ander middel voorgesteld dat later is ingetrokken. In die zaak werd in eerste instantie geklaagd dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof in strijd met art. 327 Sv Pro, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, niet was ondertekend door de griffier, terwijl de griffier evenmin tot ondertekening buiten staat was verklaard. Mijn ambtgenoot Bleichrodt overwoog in zijn conclusie dat die klacht “bepaald niet kansloos” was en aan toepassing van art. 80a RO in de weg stond. Meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep was aan dit middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen doordat van de griffier van het hof nieuwe informatie was ontvangen. In een geval als dit, waarin een (aanvankelijk) kansrijk middel was voorgesteld, voerde het volgens Bleichrodt te ver om deze situatie gelijk te stellen aan die waarin van begin af aan slechts over de overschrijding van de inzendtermijn wordt geklaagd. De Hoge Raad volgde de advocaat-generaal in dat standpunt en overwoog: