Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De beschikking
In het klaagschrift wordt verzocht om opheffing van een deel van het beslag. Klager is van mening is dat de waarde van het beslag het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ruimschoots overstijgt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het thans voorhanden zijnde dossier geschat op € 80.000. Nu het beslagdossier nog (lang) niet gereed is, heeft de raadsman van klager zelf een overzicht van de waarde van het beslag opgesteld. De waarde van het beslag op banktegoeden en panden van klager wordt door de raadsman geschat op € 485.095,06 en in een overzicht dat door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte] is ingebracht wordt de gezamenlijke waarde van het beslag van medeverdachte [medeverdachte] en klager geschat op € 3.529.634,86. Bovendien loopt de waarde van het beslag op doordat beslag is gelegd op huuropbrengsten van in beslag genomen panden. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat klager over onvoldoende financiële middelen kan beschikken om op een normale wijze in zijn onderhoud en dat van zijn kinderen te voorzien.
Standpunt openbaar ministerie
De officier van justitie heeft er op gewezen dat klager ten aanzien van een deel van de beslagen, die onder medeverdachte [medeverdachte] en anderen zijn gelegd niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat klager geen belanghebbende is. De voorlopige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, die ook is opgenomen in de aanvraag van een Strafvorderlijk Financieel Onderzoek (SFO) kwam uit op € 80.000. Bij het verweerschrift heeft de officier van justitie een proces-verbaal van bevindingen gevoegd waaruit blijkt dat de voorlopige inschatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie minimaal € 2.200.000 beloopt. Daarbij is er onder meer op gewezen dat de huuropbrengsten, verdiend via de witwaspanden, als vervolgprofijt aangemerkt kunnen worden. Het financieel onderzoek loopt nog en de rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de individuele verdachten moeten nog worden geschreven. De officier van justitie heeft middels een aan het verweerschrift toegevoegde bijlage de door de verdediging gestelde waardebepaling van de panden bestreden en gesteld dat deze waarde (veel) lager moet zijn.”
Er is een uitvoerig overzicht verstrekt van het in beslag genomene met de bijbehorende waarde daarvan. Ik verneem dat de rechtbank en de verdediging niet in het bezit is van dit overzicht. Ik zal daarop het overzicht direct aan partijen mailen.
Het stuk betreft geen discussiestuk.
De oudste rechter stelt dat het eindproces-verbaal in mei gereed zou zijn, maar dit wordt
De verdenking in deze zaak betreft onder meer het in crimineel verband plegen van Opiumwetdelicten die mede gelieerd zijn aan een (illegale) coffeeshop en het witwassen van geldbedragen.
De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de zitting aangeleverde procestukken (dit betreft de processen verbaal van voorgeleiding en voortgang van de eerder gehouden pro forma zitting in de hoofdzaak) slechts summiere en fragmentarische informatie bevatten over objecten die in beslag zijn genomen. Weliswaar is door de officier van justitie tijdens de zitting per e-mailbericht een Excel-bestand met een overzicht van het beslag en de waarde daarvan verstuurd, maar gelet op deze late verstrekking en het daardoor ontbreken van een mogelijkheid bij de verdediging om daarover een standpunt in te nemen zal de rechtbank geen acht slaan op dit bestand.
De rechtbank heeft hierdoor onvoldoende gedetailleerde informatie over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Om die reden zal de rechtbank klager ontvankelijk achten. Daar komt bij dat de officier van justitie heeft gesteld dat er tussen (de bezittingen van) klager en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de verdenkingen en het wederechtelijk verkregen voordeel een grote mate van verwevenheid bestaat. Ook om die reden zal de rechtbank klager ontvankelijk achten en zal zij voorts komen tot een integrale beoordeling van de vraag naar de gegrondheid van het beklag.