Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor de gezamenlijke betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag dat hem hoofdelijk aansprakelijk stelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel gericht op vernietiging onvoldoende was omdat het niet voldeed aan de vereisten van een middel van cassatie. Daarnaast werd gewezen op de wettelijke bepalingen die bepalen dat een uitspraak op een vordering tot ontneming pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan, en dat een dergelijke uitspraak vervalt indien de veroordeling achterwege blijft.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid oordeelde de Hoge Raad dat het middel gegrond was op basis van de conclusies van de Advocaat-Generaal. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.