Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep van BinckBank
Onderdeel 1klaagt over het oordeel dat BinckBank de portefeuille niet mocht liquideren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.
Onderdeel 2betreft de verwerping door het hof van de verweren van BinckBank in verband met haar stellingen dat Fibonacci in verschillende opzichten illegaal handelde door haar overtredingen van de financiële toezichtwetgeving, misleiding van het publiek en de Ponzi-zwendel.
Onderdeel 3betreft de verwijzing naar de schadestaatprocedure.
subonderdelen 1.1.1-1.1.3) klaagt dat het hof niet kenbaar heeft overwogen op welke rechtsgrond en met toepassing van welke maatstaf het hof tot dit oordeel is gekomen.
Subonderdeel 1.2(met de
subonderdelen 1.2.1-1.2.2) klaagt dat het hof heeft nagelaten verschillende door BinckBank gestelde feiten in de beoordeling te betrekken.
Subonderdeel 1.3(met de
subonderdelen 1.3.1-1.3.6) richt rechtsklachten en motiveringsklachten tegen verschillende oordelen van het hof die dragend zijn voor de conclusies dat BinckBank niet gerechtigd was de optieposities te sluiten en dat BinckBank in strijd met haar verplichtingen de belangen van Fibonacci heeft veronachtzaamd.
Subonderdeel 1.4klaagt over de uitleg van het hof inzake de werking van de short strangle strategie in rov. 2.7 en
subonderdeel 1.5bevat een louter voortbouwende klacht.
Voor zover sprake is van de uitleg van de artikelen 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverleningen het hof een uitleg heeft gegeven aan de overeenkomst tussen partijen had het hof die uitleg moeten motiveren in het licht van wat BinckBank hierover heeft gesteld (
subonderdeel 1.1.1). Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat artikel 6:248 lid 1 en Pro/of 2 BW of artikel 3:13 BW Pro in de weg staat aan een geslaagd beroep op artikel 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverlening en op de overige ingeroepen bepalingen, geldt een hoge drempel die het hof in zijn motivering niet kenbaar tot uitdrukking heeft gebracht en daarmee een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans een onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven (
subonderdeel 1.1.2). Indien het hof een door BinckBank geschonden zorgplicht voor ogen heeft gehad, heeft het hof geen kenbare betekenis gegeven aan alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de dienstverlening en de inhoud van de door BinckBank ingeroepen bepalingen en haar belangen, en daarmee een onjuiste maatstaf aangelegd, althans zijn oordeel onvoldoende kenbaar gemotiveerd (
subonderdeel 1.1.3).
Het oordeel van het hof veronderstelt dat BinckBank de belangen van Fibonacci niet mag veronachtzamen (zie rov. 3.7, slot). Dit refereert aan de in rov. 3.5 vermelde stelling van BinckBank dat zij redelijk en proportioneel heeft gehandeld. Dergelijk handelen impliceert dat een bank in de omstandigheden van het geval voldoende rekening houdt met de belangen van haar cliënt indien zij een bevoegdheid uitoefent die zij stelt te ontlenen aan wet of contract. [9] Dit is een algemene (zorgvuldigheids)norm in de relatie tussen bank en cliënt, die onder meer kan worden gebaseerd op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de contractuele relatie tussen partijen mede beheersen. [10] Het hof heeft het oog op de hiervoor genoemde algemene norm waar het in rov. 3.7 verwijst naar de verplichtingen van BinckBank. Tot een nadere duiding van de grondslag hiervan of de toe te passen maatstaf was het hof m.i. niet gehouden.
subonderdeel 1.1veronderstelt, berust het oordeel in rov. 3.7 niet op een uitleg van art. 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverlening die inhoudt dat deze bepalingen volgens het hof geen recht tot liquidatie gaven. Het hof heeft de vraag of deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij BinckBank wel respectievelijk niet een bevoegdheid tot liquidatie van de portefeuille geven, kennelijk in het midden gelaten (zie hierover ook de bespreking van het voorwaardelijk ingestelde incidentele middel). Het hof kon dat doen, omdat het heeft geoordeeld dat BinckBank in ieder geval niet de portefeuille kon liquideren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.
subonderdeel 1.1.1aanvoert, behoefde de verwerping van deze stelling geen nadere motivering.
subonderdelen 1.1.2 en 1.1.3af.
Subonderdeel 1.2.1voegt hieraan toe dat het hof niet kon volstaan met, kort gezegd, de in rov. 3.7 gegeven motivering.
Voorts klaagt
subonderdeel 1.2.2dat het hof geen kenbare betekenis heeft toegekend aan de positie waarin BinckBank op 26 januari 2015 verkeerde toen zij moest beslissen over de liquidatie. BinckBank werd geconfronteerd met conflicterende belangen van het bestuur van Fibonacci, de leden van Fibonacci en haarzelf; haar was contact met de leden van Fibonacci ontzegd; er waren onzekerheden over de consequenties van verschillende keuzes en dat BinckBank moest op korte termijn een keuze maken zonder dat de AFM hierover uitsluitsel zou kunnen geven. Aan BinckBank had dan ook een ruime beoordelingsmarge gelaten behoren te worden. Het hof heeft dit miskend en een onjuiste maatstaf aangelegd, althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
(i) Anders dan de klacht veronderstelt, behoefde het hof niet nader in te gaan op de door BinckBank bepleite uitleg van art. 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverlening, in welke uitleg BinckBank de relatie en ook transacties terstond mocht beëindigen in de onderhavige omstandigheden. In rov. 3.6-3.8 ligt immers besloten dat ook indien deze uitleg van de voorwaarden juist is, dit niet aan in de weg staat aan het oordeel dat BinckBank de belangen van Fibonacci heeft veronachtzaamd door de portefeuille te liquideren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. Ik verwijs hiervoor naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
(ii) en (iii) Anders dan de klacht veronderstelt, heeft het hof de door BinckBank gestelde aard, ernst en potentiële schadeveroorzakende gevolgen van de overtreding en misstanden bij Fibonacci waarmee BinckBank werd geconfronteerd, verdisconteerd in zijn oordeel. Het hof vermeldt een en ander bij zijn weergave van de stellingen van BinckBank in rov. 3.5 en besteedt in rov. 3.8 afzonderlijk aandacht aan het aansprakelijkheidsrisico van BinckBank jegens de leden van Fibonacci.
(iv), (v) en (vi) Anders dan de klacht veronderstelt, heeft het hof de door BinckBank gestelde grote risico’s verbonden aan de optieposities van Fibonacci, verdisconteerd in zijn beoordeling. Dit volgt uit de verwijzing naar het risico voor de leden van Fibonacci in rov. 3.8, slot. De stelling dat hoewel marginverplichtingen toenamen, “doorrollen” niet mogelijk was vanwege de blokkade van de effectenrekening ziet eveneens op dit risico. Dit geldt ook voor de gestelde relatief beperkte omvang van de kosten die Fibonacci zou moeten maken om de optieposities opnieuw in te nemen, [15] zeker in verhouding tot potentieel verlies bij voortduren van die posities. Ik teken hierbij nog de stellingen van BinckBank over het risico dat de leden van Fibonacci liepen inhaakt op het debat over de vraag of Fibonacci schade heeft geleden door het handelen van BinckBank, waarover het hof in verband met zijn beslissing om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen opmerkt (in rov. 3.23) dat belangrijke aspecten door partijen nog slechts zijn aangestipt.
Hieruit volgt dat de
subonderdelen 1.2 en 1.2.1niet slagen.
subonderdeel 1.2.2aangesneden punt speelt in deze zaak uiteindelijk niet (zie hiervoor in 3.4.1-3.4.5), zodat dit subonderdeel faalt.
subonderdelen 1.3.1-1.3.6klachten tegen delen van rov. 3.7 en 3.8.
subonderdeel 1.3.1 onder (I)miskent het hof met het oordeel (in rov. 3.8) dat de AFM jegens BinckBank geen indicatie had gegeven dat zij het risico liep van sancties, dat BinckBank op 26 januari 2015 gehouden was een eigen afweging te maken met betrekking tot het afsluiten van de optieposities en dat zij daarbij er niet op kon verlaten dat de AFM geen indicatie had gegeven. Het hof is verder voorbij gegaan aan de in de procesinleiding onder 23 vermelde stellingen dat het te lang zou duren voordat de AFM haar onderzoek had afgerond en enige indicatie zou hebben gegeven. Deze stellingen zien ook op sancties van DNB. Het in stand houden van de optieposities BinckBank kon wel in strijd zijn met de artikelen 3:10 en 3:17 Wft, op de naleving waarvan DNB toeziet (onder 1.3.1).
Het hof is kennelijk alleen ingegaan op de positie van AFM, omdat BinckBank op 22 januari 2015 een melding over Fibonacci bij de AFM had gedaan. BinckBank heeft wel verwezen naar de art. 3:10 en Pro 3:17 Wft, [16] maar blijkens de door de klacht bedoelde vindplaatsen in de processtukken geen indicatie gegeven dat sprake zou zijn van een optreden van DNB dat haar noopte tot de door haar gekozen wijze van liquidatie. Het hof behoefde daarom nier afzonderlijk op deze stelling te reageren.
subonderdeel 1.3.1 onder (II)miskent de overweging dat de AFM uiteindelijk ook geen maatregelen heeft getroffen tegen Fibonacci, dat de maatstaf was of BinckBank op dat moment redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat het risico van sancties van toezichthouders reëel was. Het hof heeft voorts miskend dat ook een waarschuwing, zoals de AFM heeft gegeven aan Fibonacci, een door een toezichthouder getroffen maatregel is die bevestigt dat Fibonacci zonder vergunning of vrijstelling handelde.
Ook is het hof voorbij gegaan aan het betoog dat de latere bevindingen van de AFM slechts een deel van de door BinckBank geconstateerde risico’s betreffen en met name niet het Ponzi-risico. De latere constateringen zijn door de AFM gedaan nadat Fibonacci haar website had gewijzigd. Fibonacci heeft geen deugdelijk inzicht in haar contacten met de AFM gegeven en dus is onbekend waarom geen andere maatregelen zijn getroffen. Het oordeel van het hof is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
subonderdeel 1.3.1 onder (I) en (II)nog veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat de in het Ponzi-arrest en het Safe Haven-arrest geformuleerde bijzondere zorgplicht jegens derden ophoudt te gelden indien een toezichthouder geen indicatie geeft dat een sanctie zal worden opgelegd en/of achteraf geen andere maatregelen worden genomen. Voorts heeft het hof in rov. 3.6-3.8 gemotiveerd waarom BinckBank niet mocht handelen zoals zij heeft gehandeld in het licht van haar mogelijke aansprakelijkheid jegens de leden van Fibonacci.
subonderdeel 1.3.2 onder (A)is het oordeel in rov. 3.8, vierde volzin, dat voor Fibonacci duidelijk had moeten zijn dat zou worden overgegaan tot volledige liquidatie van de portefeuille onbegrijpelijk. Niet blijkt waarop het hof deze verplichting heeft gebaseerd. Het hof heeft niet gerespondeerd op de door BinckBank gestelde uitleg van artikel 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverlening en evenmin op de in 10 tot en met 12 en 21 van de procesinleiding vermelde stellingen dat wel voldoende duidelijk is meegedeeld dat zou worden overgaan tot sluiting van de optieposities, waarvan getuigenbewijs is aangeboden. Onbegrijpelijk is dat het hof de stellingen van BinckBank heeft beperkt tot dat “het sluiten van de optieposities ter sprake zou zijn gekomen” en dat het heeft geoordeeld dat hiervan geen mededeling zou zijn gedaan. Onder verwijzing naar de stellingen procesinleiding onder 10-12 en 21 betoogt
subonderdeel 1.3.2 onder (B)dat onbegrijpelijk is de overweging dat het gespreksverslag van 22 januari 2015 erop wijst dat BinckBank niet voornemens was spoorslags tot ingrijpende maatregelen over te gaan.
aanstondszou overgaan tot
volledigeliquidatie van de portefeuille. Het telefoongesprek van 22 januari 2015 waarnaar de procesinleiding onder 11 verwijst, betrof volgens de stellingen van BinckBank de mededeling dat de rekening met onmiddellijke ingang was geblokkeerd. [17] De bewijsaanbiedingen waarnaar de klacht verwijst, hebben evenmin specifiek betrekking op een mededeling dat aanstonds tot volledige liquidatie zou worden overgegaan.
subonderdeel 1.3.2 onder (C)is het oordeel in rov. 3.8, vijfde volzin, onvoldoende gemotiveerd omdat het hof is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat dit bericht automatisch gegenereerd was en zag op een tekort in de vrije bestedingsruimte en niet op de discussie waar BinckBank en Fibonacci in waren geraakt.
subonderdeel 1.3.2 onder (D)betreft geen zelfstandige klacht.
subonderdelen 1.2 en 1.2.1, heeft het hof de door BinckBank gestelde grote risico’s verbonden aan de optieposities van Fibonacci verdisconteerd in zijn beoordeling.
subonderdeel 1.3.4berust op de veronderstelling dat Fibonacci het tekort in de Vrije BestedingsRuimte van EUR 334.795,42 dat op 30 januari 2015 niet had kunnen aanzuiveren door geldt bij te storten. Dit betoog dient te falen, reeds omdat uit de vindplaatsen in de processtukken waarnaar wordt verwezen niet blijkt dat deze feitelijke stelling is ingenomen in de procedure bij de rechtbank of het hof. De memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel nr. 133 onder (i) vermeldt bijstorten als een mogelijkheid om het tekort aan te zuiveren.
subonderdeel 1.3.5is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door te oordelen dat Fibonacci de mogelijkheid is ontnomen om maatregelen te nemen of in kort geding een spoedvoorziening te vorderen, terwijl de rekening van Fibonacci geblokkeerd bleef en geen nieuwe posities meer kon innemen.
onder (1)aanvoert dat als BinckBank mocht overgaan tot sluiting van de optieposities zoals zij heeft gedaan, Fibonacci geen belang had bij het treffen van maatregelen of een kort geding. Deze klacht miskent dat blijkens het arrest van het hof BinckBank niet mocht overgaan tot sluiting van de optieposities zoals zij heeft gedaan.
onder (1)aanvoert dat het belang van een eventuele spoedvoorziening dient te worden afgewogen tegenover het gemotiveerd gestelde belang van BinckBank om terstond de optieposities van Fibonacci te sluiten. Deze klacht miskent dat blijkens het arrest van het hof er geen spoedeisende zwaarwichtige reden was gegeven voor het in allerijl liquideren van de portefeuille. Een gevolg daarvan was dat Fibonacci de mogelijkheid werd ontnomen om maatregelen te treffen.
onder (1)nog opmerkt heeft het hof geen ontoelaatbare onduidelijkheid laten bestaan over de maatregelen die Fibonacci had kunnen treffen. Het hof heeft kennelijk het oog op rechts- en andere maatregelen die erop gericht zouden zijn te voorkomen dat de portefeuille zou worden geliquideerd. Het hof behoefde dit niet nader te omschrijven. Voor zover de klacht nog verwijst naar de stelling dat de waarde van de optieposities bij sluiting behouden blijft en de posities weer opnieuw ingenomen kunnen worden, verwijs ik naar de bespreking van de subonderdelen 1.2 en 1.2.1 in 3.8.1 (en voetnoot 15).
onder (2)dat de verwijzing (in rov. 3.7) naar de blokkade van de rekening waardoor Fibonacci geen nieuwe posities kon innemen, geen toereikende respons is op de stellingen van BinckBank over de aan de optiepositie verbonden risico’s die mede reden waren om die posities te sluiten op 26 januari 2015.
subonderdeel 1.3.6is het oordeel (in rov. 3.7) dat er geen zwaarwichtige reden was voor het liquideren van de portefeuille onbegrijpelijk. Het onderdeel klaagt, kort gezegd, dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de in de procesinleiding onder 10-12 genoemde stellingen en in ieder geval aan de stelling dat op grond van art. 32.3 en 32.4 van de Basisvoorwaarden Effectendienstverlening de relatie op de in art. 32.3 genoemde gronden terstond mocht worden beëindigd.
subonderdeel 1.5.
en de resultaten van dergelijke activiteiten niet voor vergoeding in aanmerking behoren te komen, welk betoog volgens BinckBank ook aan te merken is als een beroep op eigen schuld, dan wel als een beroep op de omstandigheid dat haar handelen in het niet valt bij de overtredingen van Fibonacci. Voor zover dit betoog ertoe strekt dat de schade van Fibonacci niet voor vergoeding in aanmerking komt vanwege een illegaal karakter van haar activiteiten volgt het hof dit betoog niet, omdat niet blijkt van overtredingen van Fibonacci van dien aard dat haar beleggingen via BinckBank als geheel ongeoorloofd dienen te worden aangemerkt (de AFM heeft immers ook uiteindelijk jegens Fibonacci geen maatregelen getroffen anders dan een waarschuwing). Voor zover het betoog erop is gericht de omvang van de aansprakelijkheid van BinckBank te beperken neemt het hof het niet in aanmerking, omdat dit betoog behoort te worden beoordeeld in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade, hetgeen dient plaats te vinden in de schadestaatprocedure (waartoe het hof, zoals de rechtbank heeft gedaan, hierna zal beslissen). Voor zover het betoog ertoe strekt dat haar een verwijt valt te maken verwerpt het hof dit betoog omdat, zo Fibonacci de geldende regels al overtrad, niet blijkt dat dit ertoe noopte dat BinckBank de portefeuille onverwijld liquideerde zoals zij heeft gedaan.”
subonderdeel 2.1is het hof in rov. 3.9 alleen is ingegaan op het verweer van BinckBank dat geen sprake is van schade die rechtens voor vergoeding in aanmerking komt (het “geen vergoedbare schade verweer”), maar niet op het verweer dat de verplichtingen van BinckBank niet strekken tot bescherming van het belang van Fibonacci omdat Fibonacci zich aan die bescherming heeft onttrokken (het “onttrekkingsverweer”) en niet op het verweer dat het verwijt dat Fibonacci aan BinckBank maakt in het niet valt bij de normschendingen door Fibonacci en er sprake is van 100% eigen schuld (het “zwaarder verwijt verweer”). Het hof heeft uitsluitend het verweer aangaande de vergoedbare schade behandeld en alleen voor zover dat verweer erop ziet dat de gehele schade niet voor vergoeding in aanmerking komt (onder 2.1).
omdat zij zich schuldig maakte aan illegale activiteiten”) en het “geen vergoedbare schade verweer” (“
en de resultaten van dergelijke activiteiten niet voor vergoeding in aanmerking behoren te komen”) alsmede het “zwaarder verwijt verweer” (“
welk betoog volgens BinckBank ook aan te merken is (..) als een beroep op de omstandigheid dat haar handelen in het niet valt bij de overtredingen van Fibonacci”).
Het hof reageert in rov. 3.9, tweede volzin, op het “onttrekkingsverweer” en het “geen vergoedbare schade verweer”, die immers in elkaars verlengde liggen. Indien schade wegens een “illegaal karakter” niet voor vergoeding in aanmerking komt, kan dit namelijk worden gebaseerd op het ontbreken van relativiteit dan wel de aard van de schade (via art. 6:95 dan Pro wel 6:98 BW). [19] De overweging van het hof reageert in rov. 3.9, vierde volzin (“
omdat, zo Fibonacci de geldende regels al overtrad, niet blijkt dat dit ertoe noopte dat BinckBank de portefeuille onverwijld liquideerde zoals zij heeft gedaan”) is dragend voor de verwerping van alle drie door de klacht bedoelde verweren van BinckBank.
derdevolzin, [20] het “onttrekkingsverweer” behandelt.
Subonderdeel 2.5klaagt over de verwerping van het “geen vergoedbare schade verweer” in rov. 3.9, tweede volzin. De relevante schade kan bestaan enerzijds uit het verliezen op de optieposities dat definitief is geworden door de tussentijdse sluiting van de optieposities en anderzijds winst die op de optieposities is gederfd. [21] Uitgaande van de stelling van BinckBank dat Fibonacci zonder vergunning optrad als beleggingsinstelling vormt het beleggen van die gelden onderdeel van datgene dat voor Fibonacci verboden was. Uitgaande van de stelling van BinckBank dat sprake is van een Ponzi-zwendel vormen de optieposities een noodzakelijk onderdeel daarvan. In beide gevallen is de conclusie of kan de conclusie zijn dat Fibonacci geen rechtmatig belang had bij voorzetting van de optieposities en betreft zowel de gederfde winst als het verlies dat door de sluiting van de optieposities definitief is geworden schade die rechtstreeks voortvloeit uit en onlosmakelijk samenhangt met verboden handelingen van Fibonacci. Het hof is hier onvoldoende op ingegaan en dit andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Uit rov. 3.9, tweede volzin, blijkt dat het hof de overtredingen niet van dien aard vond dat de beleggingen van Fibonacci via BinckBank als geheel als ongeoorloofd dienden te worden aangemerkt. Bij dat oordeel betrekt het hof dat de toezichthouder AFM uiteindelijk Fibonacci alleen een waarschuwing heeft gegeven. Bovendien heeft het hof in rov. 3.6 geoordeeld dat de stellingen van BinckBank over misleiding, het niet beschikken over een vergunning en Ponzi-zwendel, indien juist, wel het blokkeren van de rekening rechtvaardigen, maar niet de wijze van liquideren van de portefeuille door BinckBank. Dit laatste oordeel weerklinkt in rov. 3.9, vierde volzin. Het hof heeft in zoverre dus ook rekening gehouden met de aard van de geschonden norm en de aard en de ernst van de illegale handelingen.
Het oordeel van het hof komt erop neer dat ook indien BinckBank de rekening mocht blokkeren (waardoor Fibonacci haar activiteiten niet meer kon voortzetten), [22] zij niet tot liquidatie mocht overgaan op de manier waarop zij dat heeft gedaan. Dus ook indien de stellingen BinckBank over de illegale handelingen van Fibonacci juist zijn, dient BinckBank in voldoende mate rekening te houden met het belang van Fibonacci om te kunnen opkomen tegen een aangekondigde liquidatie van de portefeuille, althans zolang er geen spoedeisende zwaarwichtige redenen zijn die het in allerijl liquideren van de portefeuille kunnen rechtvaardigen. Dit oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de in rov. 3.5 genoemde stellingen van BinckBank en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. [23] Verder merk ik in verband met
subonderdeel 2.5nog op dat het debat over de schade blijkens rov. 3.23 nog niet is uitgekristalliseerd.
tweedevolzin, het ““zwaarder verwijt verweer” behandelt. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en dient daarom te falen.
Deze overweging kan voorts niet onbegrijpelijk worden genoemd op de in het subonderdeel aangevoerde grond dat beide verweren niet erop zien dat BinckBank “geen verwijt” kan worden gemaakt. Met deze woorden heeft het hof kennelijk een formulering gekozen die beide verweren omvat: geen verwijt (tekortkoming) omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van Fibonacci respectievelijk geen verwijt omdat het aan BinckBank te maken verwijt in het niet valt bij het aan Fibonacci te maken verwijt.
subonderdeel 3.1heeft het hof door betekenis toe te kennen aan de akte van voorwaardelijke wijziging van eis zonder BinckBank de gelegenheid te bieden daarop te reageren, het beginsel van hoor en wederhoor geschonden (art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro). In het proces-verbaal van de zitting bij het hof is opgenomen dat BinckBank geen bezwaar heeft “
tegen de eiswijziging als zodanig, mitsBinckBank de gelegenheid krijgt hierop schriftelijk te reageren. Derhalve wordt onderdeel 8 van de pleitnota buiten beschouwing gelaten.” [24] Het hof heeft echter direct na het pleidooi arrest gewezen en bij zijn oordeel dat de mogelijkheid van de schade als gevolg van de sluiting doorslaggevend gewicht toegekend hetgeen in de akte van voorwaardelijke wijzing van eis is opgemerkt zonder dat BinckBank in de gelegenheid is gesteld hierop schriftelijk te reageren. Bij een schriftelijke reactie had BinckBank erop kunnen wijzen dat de schaduwportefeuille geen reëel beeld geven van de beleggingsresultaten.
Subonderdeel 3.2 bevat een op het voorgaande voortbouwende klacht.
Overigens meen ik niet dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Fibonacci vorderde schadevergoeding nader op te maken bij staat en heeft in de bedoelde akte haar eis voorwaardelijk – namelijk voor het geval het hof de schade begrootbaar zou achten – gewijzigd in een vordering tot betaling van een schadevergoeding van € 7.642.743. Het hof heeft bepaald dat schade zal worden beoordeeld in de schadestaatprocedure. In die procedure zal Fibonacci kunnen uiteen zetten welke schade zij meent te hebben geleden en zal BinckBank daarop kunnen reageren. Uit rov. 3.23 valt op te maken dat het hof hiervan ook uitgaat.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidentele beroep van Fibonacci
Onderdeel 1bestrijdt rov. 3.7. Indien daarin het oordeel besloten ligt dat de wettelijke en contractuele bepalingen waarop BinckBank zich heeft beroepen haar het recht zouden geven om Fibonacci’s effectenportefeuille te liquideren (dus los van vervolgvragen over de
wijzewaarop is geliquideerd), is dat oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk, kort gezegd, omdat de ingeroepen wettelijke bepalingen BinckBank daartoe niet het recht geven en/of onbegrijpelijk omdat de ingeroepen contractuele bepalingen zich niet anders laten lezen dan dat zij BinckBank een dergelijk recht niet geven (
subonderdeel 1.1), althans heeft het hof niet of ontoereikend gerespondeerd op het daartoe strekkende betoog van Fibonacci (
subonderdeel 1.2).
Onderdeel 2bevat een louter op onderdeel 1 voortbouwende klacht.
subonderdeel 1.1faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, [29] omdat het berust op een onjuiste lezing van de bestreden overweging. Ook
subonderdeel 1.2faalt, omdat het hof tot zijn oordeel kon komen zonder in te gaan op de door Fibonacci bepleite uitleg van de door BinckBank ingeroepen wettelijke en contractuele bepalingen. Hieruit volgt dat ook het op onderdeel 1 voortbouwende
onderdeel 2van het incidentele cassatiemiddel faalt.