Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Heertje/Hollebrand [4] over Economie-schoolboeken.
Ook de klachten die zien op de niet-ontvankelijkverklaring van GEU (art. 3:305a BW), het oordeel dat keuzes niet auteursrechtelijk beschermd worden voor zover ze louter een didactisch doel dienen of te zeer het resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze, het oordeel dat de beschermingsomvang van de Leerroutes beperkt is nu de combinatie wordt gevormd door één auteursrechtelijk beschermd element en drie onbeschermde elementen, en de klachten over het hanteren van de totaalindrukken-maatstaf voor de beoordeling van de inbreukvraag, kunnen volgens mij niet tot cassatie leiden (al is over dat laatste wel twijfel mogelijk).
Digilijn rekenende officiële doelen – kerndoelen en referentieniveaus – naar ‘leerlijnbeschrijvingen’. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van niet wettelijk vastgestelde documenten met een adviserend karakter, zoals onder meer TULE.
Auteursrecht
In het incidenteel hoger beroep
Ad 1. Het voorwerp van de door de Uitgeverijen ingeroepen auteursrechtelijke bescherming kan naar het oordeel van het hof voldoende nauwkeurig en objectief worden geïdentificeerd. De Uitgeverijen bieden met hun Educatieve Uitgaven verschillende lesmaterialen die meerdere leerjaren beslaan. Er is sprake van een reeks leer-, werk- en toetsboeken en overige materialen. Het is de combinatie van de vier in r.o. 5.4 genoemde elementen, zoals deze
concreetzijn neergelegd in de afgebakende reeks van elke specifieke Educatieve Uitgave, waar de Uitgeverijen zich op beroepen (en die zij de Leerroutes noemt). Het werk kan aldus voldoende nauwkeurig en objectief worden aangewezen. Het hof is voorts van oordeel dat de uitwerking van de door de Uitgeverijen genoemde elementen zodanig concreet is, dat niet kan worden gezegd dat de Uitgeverijen zich slechts op een abstract idee, een concept of een methode beroepen. De argumenten van Snappet c.s. ter ondersteuning van haar verweer dat abstracte concepten en methoden niet auteursrechtelijk beschermd zijn, behoeven dus geen (verdere) bespreking. Dit verweer wordt als niet relevant ter zijde gesteld. Dat abstracte concepten en methoden niet auteursrechtelijk beschermd zijn, is tussen partijen als uitgangspunt overigens ook niet in geschil.
Ad 2.Snappet c.s. betoogt voorts dat van auteursrechtelijke bescherming van de Leerroutes geen sprake kan zijn, omdat geen sprake is van een oorspronkelijk werk. Zij stelt dat de door de makers gemaakte keuzes te veel didactisch bepaald zijn of banaal en triviaal zijn. Er was, met andere woorden, geen sprake van vrije, creatieve keuzes die voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Het hof overweegt op dit punt als volgt.
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze. Met de rechtbank (r.o. 4.4 van het Vonnis) is het hof van oordeel dat het auteursrecht niet dient ter bescherming van didactische inzichten en dat het auteurs van leermiddelen vrij moet staan (dezelfde) didactische strategieën toe te passen, zodat een keuze gebaseerd op een didactische doelstelling vergelijkbaar is met een keuze ingegeven door een technische doelstelling. Het beroep van de Uitgeverijen op het Technip/ […] arrest (HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7508), kan daar niet aan af doen, wat er ook zij van de houdbaarheid van de stelling van Snappet c.s. dat dit arrest achterhaald is door het latere Football Dataco/Yahoo arrest (HvJ EU 1 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:115). Uit het arrest Technip/ […] kan immers hoe dan ook niet worden geconcludeerd dat de selectie en rangschikking van wetenschappelijke gegevens, dan wel gegevens op basis van didactische kennis en inzichten, ook auteursrechtelijk beschermd kunnen zijn als er bij die selectie of rangschikking
geenof
te zeer beperkteruimte is voor vrije en creatieve keuzes.
- didactische inzichten,
- de door de leerlingen te bereiken kerndoelen, referentieniveaus, fundamentele doelen
lesdoel zelfbetreft een didactisch doel, bijvoorbeeld: “cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen”. Zo’n didactisch doel is niet auteursrechtelijk beschermbaar (zie r.o. 5.11). Voor zover in het lesdoel een vertaalslag wordt gemaakt van de kerndoelen en referentieniveaus (bijvoorbeeld: Leerdoel Taal actief, begin groep 4: “De kinderen kunnen een beschrijving geven.”, uitgewerkt in: “Verkennen: Dit ga je leren: Je leert hoe je je kamer beschrijft. Dit moet je weten: Als je iets goed beschrijft, weet de ander hoe het eruitziet. Ook al ziet hij het zelf niet.”), is dat functioneel; de kinderen moeten weten wat ze moeten doen. Ook een dergelijke uitwerking is daarom te zeer ingegeven door het didactische doel, en daarom niet auteursrechtelijk beschermd.
selectie,
volgordevan de lesdoelen worden in hoge mate bepaald door de kerndoelen, referentieniveaus, leer(stof)lijnen, fundamentele doelen en tussendoelen (r.o. 2.18 tot en met 2.21). Dit wordt bevestigd in punt 4 van de als productie 66 van de Uitgeverijen overgelegde verklaring van auteur [betrokkene 1] .
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Inleiding
Onderdeel 1ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van GEU wegens het niet voldoen aan de eis van gelijksoortigheid uit art. 3:305a lid 1 BW.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel in rov. 5.11 dat keuzes niet auteursrechtelijk beschermd worden voor zover ze
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze.
Onderdeel 3keert zich in hoofdzaak tegen het oordeel in rov. 5.30 dat de beschermingsomvang van de Leerroutes – volgens het hof: een auteursrechtelijk beschermde combinatie van verschillende elementen – beperkt is, nu de combinatie wordt gevormd door één auteursrechtelijk beschermd element en drie onbeschermde elementen.
Onderdeel 4komt op tegen het hanteren van de totaalindrukken-maatstaf voor de vraag of het lesmateriaal van Snappet inbreuk maakt op het auteursrecht op de Leerroutes in rov. 5.31 en 5.34; de klacht is dat die maatstaf niet geschikt is voor samengestelde werken zoals de Leerroutes. Het onderdeel klaagt er verder over hoe de totaalindrukken-maatstaf in rov. 5.34 vervolgens is toegepast, voor het geval dit toch de juiste maatstaf zou zijn.
Onderdeel 5bestrijdt verscheidene oordelen in rov. 5.13 e.v. over de auteursrechtelijke bescherming van verschillende elementen van de Leerroutes.
Onderdeel 6bevat een voortbouwende klacht.
een eigen, oorspronkelijk karakter dat het persoonlijk stempel van de maker draagt(het EOK&PS-criterium in opnieuw auteursrechtelijk steno-jargon, zodat in dit vakjargon-steno geldt: EIS = EOK&PS) [22] . Er zit geen licht tussen deze criteria. Dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk [23] . De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen [24] . Het gaat hierbij evenwel om een kenmerk dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen. Daarom mag niet de eis worden gesteld dat de maker bewust een werk heeft willen scheppen en bewust creatieve keuzes heeft gemaakt, welke eis betrokkenen bovendien voor onoverkomelijke bewijsproblemen kan stellen. Om dezelfde reden kan niet worden geëist dat de maker bewust voor de vorm heeft gekozen die het werk heeft gekregen [25] . Ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen kan een (oorspronkelijk) werk zijn wanneer die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt [26] .
Brompton Bicycle [31] heeft het HvJEU zich betrekkelijk recent als volgt uitgesproken over de vraag of een voorwerp waarvan de verschijningsvorm, althans gedeeltelijk, noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken als auteursrechtelijk beschermd werk kan worden aangemerkt:
Decaux/Mediamax [40] ging over de vraag of de Billboard-reclameborden van Mediamax inbreuk maakten op het aan Decaux toekomende auteurs- en/of modelrecht op de Mupi Senior. Het hof onderzocht of, mede gelet op de op zichzelf niet door het auteursrecht beschermde mode, trend of stijl, Mediamax voldoende afstand had gehouden van het werk van Decaux. Het hof kwam aan de hand van de totaalindrukken-maatstaf tot het oordeel dat op de totaalindrukken van de producten voldoende afweken, zodat van inbreuk geen sprake was. Door uit te gaan van de totaalindrukken van de producten, had het hof volgens Uw Raad zowel auteursrechtelijk als modelrechtelijk een juiste maatstaf gehanteerd.
Una Voce Particolare [41] was aan de orde of een televisieformat inbreuk maakte op een ander, eerder televisieformat. In dit arrest werd uitgemaakt dat het bij de overeenstemmingsvraag erop aankomt of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijke beschermde trekken van het eerdere werk vertoont, dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het latere werk als een zelfstandig werk kan worden beschouwd.
Stokke-arresten ging het om de auteursrechtelijke bescherming van de bekende Tripp Trapp stoel. In
Stokke/H3is als volgt geoordeeld over de inbreukmaatstaf:
LJNZC1942,
NJ1996/546 (
Decaux/Mediamax)).” [42]
Stokke/Fikszooordeelde Uw Raad kort nadien nader als volgt:
Heertje/Hollebrand– te globaal en daarom ongeschikt zijn, omdat bij dergelijke werken het zeer goed kan voorkomen dat er in weerwil van een duidelijk verschillend totaalbeeld toch sprake is van een onmiskenbare overname van auteursrechtelijk beschermde werken. Beslissend blijft steeds of sprake is van een dergelijke overname. Vergelijking van totaalindrukken zou daarom alleen een bruikbare methode zijn bij werken waarmee overname van auteursrechtelijk beschermde trekken rechtstreeks resulteert in een duidelijke gelijkenis van de wederzijdse objecten [50] .
waarschijnlijkook het geval zal zijn. Zo kunnen zij zich wapenen tegen een eventuele toekomstige inbreuk, zoals die van Snappet [59] . GEU heeft ook aangevoerd dat alle educatieve uitgeverijen er belang bij hebben dat in rechte komt vast te staan dat hun Leerroutes niet onbeschermd zijn [60] en dat Snappet ook thema's, themawoorden, lessenstructuur, lesdoelen en invulling van lesdoelen van leerroutes van andere uitgeverijen dan de Uitgeverijen overneemt [61] . De klacht formuleert het ook anders: GEU heeft niet gesteld dat uit de beoordeling of Snappet al dan niet inbreuk maakt op een specifieke Leerroute (naar de aard der zaak) volgt dat die beoordeling voor de andere leerroutes hetzelfde zal zijn. GEU heeft daarentegen gesteld dat alle uitgeverijen (de andere leden van GEU) wel degelijk belang hebben bij de beoordeling daarvan, omdat die ook van belang
kanzijn (of beter: waarschijnlijk van belang is) voor hun rechtsverhouding tot Snappet: als immers vast staat dat leerroutes op zichzelf auteursrechtelijk beschermd (kunnen) zijn en dat Snappet in elk geval op het auteursrecht op bepaalde (zeer vergelijkbare) leerroutes inbreuk heeft gemaakt, dan verduidelijkt dit dat Snappet waarschijnlijk ook inbreuk maakt op hun auteursrechten (ook al komt de inbreuk voor die concrete, individuele gevallen met die verduidelijking nog niet vast te staan).
Het hof heeft geoordeeld dat GEU niet ontvankelijk is vanwege het niet kunnen nemen van de gelijksoortigheidsdrempel, hiervoor besproken in 3.16. Daarbij heeft het hof in rov. 5.2 uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de belangen van de leden van GEU zich moeten lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van deze leden kan worden bevorderd. De juiste maatstaf is daarmee niet miskend en daar stuit de rechtsklacht al op af. De inhoudelijke beoordeling is vervolgens hoofdzakelijk feitelijk. Naar het oordeel van het hof zijn de belangen van de GEU-leden in onze zaak onvoldoende geschikt voor bundeling en ontbreekt een voldoende efficiëntie- en effectieve rechtsbeschermingbelang voor hen. Het hof motiveert dit met zijn visie dat om te kunnen beoordelen of sprake is van inbreuk en onrechtmatig handelen van Snappet telkens een individuele vergelijking moet worden gemaakt tussen de specifieke leerroutes van de betreffende individuele GEU-leden en het betreffende aangevallen werk van Snappet dat daarop aansluit/daarvoor oefenmateriaal verschaft en dat een eventuele inbreuk op één werk nog geen inbreuk op een ander werk betekent. Daar lijkt mij veel voor te zeggen en ik acht dat in deze zaak niet onbegrijpelijk, onder meer gelet op de complexiteit van de in het geding zijnde samengestelde werken. Het gaat telkens om individuele vergelijkingen van afzonderlijke werken en beweerdelijke inbreuken daarop door Snappet, de educatieve uitgaven zijn met andere woorden niet zo maar over één kam te scheren, omdat de betreffende leerroutes en beweerdelijke inbreuken daarop niet identiek zijn. Dat valt ook al volgt op te vatten: kennelijk zou dat in de ogen van het hof teveel abstraheren van de bijzonderheden van de individuele werken van de betreffende GEU-leden, een volgens mij feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel langs de juiste rechtsmeetlat. De in de klacht aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders.
Hiervoor in 3.3 e.v. hebben we onder ogen gezien dat voor een auteursrechtelijk beschermd werk twee cumulatieve eisen gelden, waaronder het EOK&PS-criterium. De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest.
Anders dan de eerste rechtsklacht stelt, heeft het hof de juiste maatstaf niet miskend, zoals ook volgt uit de vooropstelling in rov. 5.10 aanvang onder verwijzing naar de HvJ EU-arresten
Infopaq Ien
Painer. Evenmin heeft het hof in rov. 5.11 volgens mij een strengere maatstaf gehanteerd of geïntroduceerd voor door didactische overwegingen ingegeven keuzes dan voor door andersoortige overwegingen ingegeven keuzes, zoals de tweede rechtsklacht poneert. Het hof heeft juist geoordeeld dat keuzes niet auteursrechtelijk beschermd kunnen worden voor zover ze
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze. Deze formulering sluit aan bij de in 3.5 besproken rechtspraak over technische elementen van een werk [67] . Daar trekt het hof een parallel mee in rov. 5.11. In de kennelijke redenering van het hof zijn
dergelijkekeuzes bij de uitwerking van een leerlijn geen vrije creatieve keuzes van de maker en vallen zij daarom buiten de beschermingsomvang van het auteursrecht, omdat niet is voldaan aan de eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen [68] . Dit lijkt mij niet onjuist, nu keuzes bij de uitwerking van een leerlijn die
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze volgens mij inderdaad geen eigen intellectuele schepping vormen of daaraan kunnen bijdragen. Uitsluitend het te behalen didactische doel leidt tot de betreffende keuzes, die daarom geen vrije en creatieve keuzes van de maker kunnen vormen [69] . Het ligt op dit vlak voor de hand om aansluiting te zoeken bij de auteursrechtelijke techniekexceptie, zoals rechtbank en hof hier doen. Het bestreden oordeel is vervolgens in lijn met vaste rechtspraak van het HvJEU dat wanneer voor de vervaardiging van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, dat voorwerp niet kan worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen zijn en daarom geen auteursrechtelijke bescherming genieten [70] . Het hofoordeel correspondeert in dat verband ook met hetgeen hiervoor in 3.5-3.7 aan de orde is gekomen: feiten, ideeën, stijl, mode, trend, methode, techniek en andere objectieve elementen zijn uitgezonderd van auteursrechtelijke bescherming en moeten vrij zijn. Voor zover de vorm van werken wordt bepaald door deze uitgesloten elementen, vallen zij niet onder de beschermingsomvang van het auteursrecht. Het hof beschouwt keuzes die
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze als een onbeschermd objectief element en dat lijkt mij niet onjuist. In dat verband merk ik nog op dat het middel – terecht – geen klacht richt tegen de passage uit rov. 5.11 dat het auteursrecht niet dient niet ter bescherming van didactische inzichten en dat het auteurs van leermiddelen vrij moet staan dezelfde didactische strategieën toe te passen.
kunnenzijn, (ii) een door didactische overwegingen ingegeven keuze voor een bepaalde aanpak om een doel te bereiken de maker nog niet
bij voorbaatbeperkt in het maken van vrije creatieve keuzes in de concrete uitwerking van die aanpak. Op zich is het kennelijke uitgangspunt [71] wel juist dat het gegeven dat een werk voldoet aan een te bereiken didactisch doel nog niet betekent dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden niet zodanig ruim kunnen zijn dat voldoende speelruimte bestaat voor creatieve keuzes die een auteursrechtelijk werk
kunnenopleveren [72] , dat hangt er maar net van af, maar dát heeft het hof ook niet miskend. De door het hof in rov. 5.11 bedoelde didactische keuzes die
nietonder de beschermingsomvang van het auteursrecht vallen, zijn, zoals we al hebben geconstateerd, alleen die keuzes van de maker die
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze. Anders dan de klacht lijkt te suggereren en zoals bij pleidooi expliciet is gesteld [73] , heeft het hof hier niet geoordeeld dat
allekeuzes die zijn ingegeven door didactische overwegingen buiten de beschermingsomvang van het auteursrecht vallen [74] . Of bepaalde uit didactische overwegingen gemaakte keuzes al dan niet voor bescherming in aanmerking komen, heeft het hof vervolgens voor vier elementen van de Leerroutes onderzocht in rov. 5.13 e.v. [75] .
“zodat een keuze gebaseerd op een didactische doelstelling vergelijkbaar is met een keuze ingegeven door een technische doelstelling”, volgens mij dan ook niet onjuist. Bedoelde parallel met de techniekexceptie impliceert alleen dat keuzes van de maker die
loutereen didactisch doel dienen of
te zeerhet resultaat zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze, buiten de beschermingsomvang van het auteursrecht vallen, in lijn met wat in de richtinggevende rechtspraak is geoordeeld ten aanzien van technische elementen van het werk [77] .
combinatievan onbeschermde elementen (of, zoals het hof hier heeft geoordeeld, van onbeschermde elementen met beschermde elementen) voldoet aan de werktoets, kan de beschermingsomvang vervolgens niet alsnog beïnvloed worden door de verhouding waarin binnen het auteursrechtelijk beschermde
werkbeschermde en onbeschermde
elementenkunnen worden onderscheiden.
Het hof heeft in rov. 5.10 eerst overwogen dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen, een werk kan zijn, wanneer die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt [80] . Het hof heeft vervolgens in rov. 5.13-5.29 ten aanzien van de afzonderlijke door de Uitgeverijen benoemde elementen: thema’s en themawoorden (i), lessenstructuur (ii), lesdoelen (iii) en invulling lesdoelen (iv) geoordeeld dat alleen dit laatste element een auteursrechtelijk beschermd element is. Het hof heeft ten slotte in rov. 5.30 geoordeeld dat de combinatie van het beschermde element iv met de niet beschermde elementen i tot en met iii (net) aan de werktoets voldoet en daarom auteursrechtelijk beschermd is, zodat de Leerroutes dienen te worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermde werken.
Ik begrijp de daarop volgende hier aangevallen overweging zo dat het hof daarmee alleen maar tot uitdrukking brengt dat bij de inbreukvraag dus of het lesmateriaal van Snappet inbreuk maakt op de Leerroutes (in rov. 5.31-5.34), de drie niet auteursrechtelijk beschermde elementen van de combinatie
secbij de overeenstemmingsvraag geen rol spelen [81] . En de Leerroutes
in die zineen beperkte beschermingsomvang hebben. Dit zo begrepen oordeel is volgens mij niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. In
Stokke/Fikzois bijvoorbeeld als volgt geoordeeld (onderstrepingen A-G):
voor zover de combinatie van al deze elementen in het beweerdelijk nagebootste werk aan de "werktoets" beantwoordt. Voorts geldt dat de enkele omstandigheid dat het werk of bepaalde elementen daarvan, passen binnen een bepaalde mode, stijl of trend niet betekent dat het werk of deze elementen zonder meer onbeschermd zijn. Onderzocht moet worden of de vormgeving van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig is dat aangenomen kan worden dat met het ontwerp door de maker op een voldoende eigen wijze uiting is gegeven aan de vigerende stijl, trend of mode (HR 29 december 1995, LJN ZC1942, NJ 1996/546 (Decaux/Mediamax).” [82]
in voorkomend geval: met inbegrip van onbeschermde elementen, voor zover de combinatie van al deze elementen in het beweerdelijk nagebootste werk aan de "werktoets" beantwoordt - bepalend. Daaraan doet niet af dat bij de bepaling van de totaalindruk die een gebruiksvoorwerp maakt, de niet auteursrechtelijk beschermde trekken niet kunnen worden weggedacht. Zij behoren evenwel, afgezien van het zojuist bedoelde geval van een oorspronkelijke combinatie, bij de overeenstemmingsvraag geen rol te spelen.” [83]
Stokke/Fikszoverwoordde A-G Verkade het, verder verduidelijkend, zo (ook hier mijn onderstreping, A-G):
maar vatbaar voor verduidelijking in die zin dat, zoals vaker aangegeven, een verzameling van (zelfs alle) elk voor zich auteursrechtelijk onbeschermbare elementen/trekken toch origineel kan zijn, en dat in zoverre de toets moet gelden of bij gestelde nabootsing van de originele combinatie de daarin gelegen auteursrechtelijk beschermde (originele 'verzamel-')trekken herkenbaar worden overgenomen.Ik kan daarentegen niet onderschrijven de soms (ook in de onderhavige zaak) gelezen stellingname dat bij het totaalindrukken-criterium de niet auteursrechtelijk beschermde trekken, naast de auteursrechtelijk beschermde trekken, altijd zouden moeten worden meegewogen[57].” [84]
in die combinatiegelegen (originele ‘verzamel-’)trekken herkenbaar worden overgenomen, zodat er die zin sprake is van een geringere beschermingsomvang. Of nog weer anders gezegd: in zo’n combinatie ziet het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een minder dan gemiddelde mate van oorspronkelijkheid; er zal in minder dan gemiddelde mate sprake zijn van creatieve – en dus beschermde – wijzen waarop de begrensde ontwerpruimte is benut [85] . Dat de beschermingsomvang van de Leerroutes in die zin beperkt is, lijkt mij (dan ook) niet onjuist of onbegrijpelijk [86] .
sec– naast de auteursrechtelijk beschermde trekken van element (iv) en de originele 'verzamel-'trekken van de combinatie van de vier elementen – zouden moeten worden meegewogen bij de overeenstemmingsvraag, lijkt mij dat, zoals uit het vorenbesprokene volgt, niet juist.
Subonderdeel 4.1klaagt dat de totaalindrukken-maatstaf, die door Uw Raad wel is aanvaard bij televisieformats of industriële vormgeving, niet is te hanteren bij het soort werken waar deze zaak over gaat. Bij lesmateriaal kan al sprake zijn van inbreuk als in voldoende mate auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen [87] , ook als de totaalindrukken verschillen.
Mocht dit wel de juiste maatstaf zijn, dan klaagt
subonderdeel 4.2dat het hof dan in rov. 5.34 niet werkelijk
de totaalindrukkenvan de Leerroutes en van het lesmateriaal van Snappet met elkaar heeft vergeleken. In plaats daarvan zijn de werken element voor element met elkaar vergeleken, waarbij is vastgesteld dat punten van overeenstemming betrekking hadden op volgens het hof niet beschermde elementen, terwijl de overeenstemming op het element van de beschermde concrete opgaven gering is geoordeeld, vanwege de in het oog springende verschillen, die een andere totaalindruk opleveren Dat is geen juiste toepassing van de totaalindrukken-maatstaf. Het hof had de
totaalindruk van de auteursrechtelijk beschermde combinatiemoeten vergelijken met de totaalindruk van het lesmateriaal van Snappet.
Niettemin ontberen GEU c.s. volgens mij belang bij de klachten van onderdeel 4, omdat het totaalindrukkenoordeel niet zelfstandig draagt in deze zaak. Zie ik het goed, dan ligt in rov. 5.31-5.34 het feitelijke oordeel besloten dat het lesmateriaal van Snappet onvoldoende auteursrechtelijk beschermde trekken van de Leerroutes heeft overgenomen om van een inbreuk te kunnen spreken. De door het hof geconstateerde punten van overeenstemming in rov. 5.33 zien in hoofdzaak op niet beschermde elementen en het hof werkt vervolgens een evenlange rij verschilpunten uit. In rov. 5.34 beslist het hof dat de overeenstemmingspunten betrekking hebben op niet beschermde elementen (hoofdzakelijk didactisch van aard, zou je kunnen zeggen), om dan te vervolgen met: “Wat overblijft is overeenstemming op het niveau van de concrete opgaven”, maar die overeenstemming beoordeelt het hof feitelijk als “gering”, nu er “in het oog springende verschillen” bestaan. Hierin ligt het kennelijke feitelijke oordeel besloten dat er in zo geringe mate sprake is van overneming van auteursrechtelijk beschermde trekken, dat dat per saldo onvoldoende is om inbreuk aan te kunnen nemen [88] . De totaalindrukoverweging in de voorlaatste zin van rov. 5.34 had evengoed achterwege gelaten kunnen worden (en in rov. 5.31 niet voorop behoren te worden gezet, maar ik geef toe, het is wel gebeurd). Het evenbedoelde kennelijke oordeel uit rov. 5.33-5.34 draagt het geen-inbreukoordeel zelfstandig, wat er verder zij van gehanteerde voor dit soort werken minder geschikte totaalindrukken-maatstaf. Zie ik dit goed, dan brengt dat mee dat bij geen van de subonderdelen van onderdeel 4 belang bestaat, nu het kernoordeel niet steekhoudend wordt bestreden in cassatie. Zie ik dat niet goed, dan zou subonderdeel 4.1 als gezegd doel treffen, maar zou subonderdeel 4.2 inhoudelijk in mijn ogen mogelijk evenmin slagen, omdat het (in hoge mate feitelijke) oordeel dat de totaalindrukken afwijken op zich best kan worden gedragen door het oordeel dat sprake is van “in het oog springende verschillen.” In mijn hoofdroute treft subonderdeel 4.3 geen doel, maar als ik dat niet goed zie, slaagt subonderdeel 4.3 ook, voor zover het voortbouwt op subonderdeel 4.1.
thema’s en themawoorden.
“TULE”), maar scholen en educatieve uitgeverijen zijn vrij in hun keuze om hiervan al dan niet gebruik te maken; de tussendoelen en leerlijnen zijn bovendien algemener van aard, terwijl de uiteindelijke keuze voor thema's, de lessenstructuur, de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van lesdoelen en invulling daarvan wordt bepaald door de makers van de Leerroutes [91] . Tegen de achtergrond van deze stellingen, waarvan de juistheid door het hof in rov. 2.18-2.21 is aangenomen en waarvan in elk geval de onjuistheid door het hof niet is vastgesteld, is onbegrijpelijk dat het hof bij zijn oordeel over de auteursrechtelijke beschermbaarheid van
thema's en themawoordenoverweegt dat rekening gehouden moet worden met
“hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren”. Hetzij is het hof zonder toereikende motivering voorbijgegaan aan de stellingen van GEU c.s. dat SLO niets (bindends) vaststelt over thema's en themawoorden, danwel is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk waarom de te bereiken referentieniveaus invloed zouden hebben op de keuze voor concrete thema's en themawoorden.
Het hof heeft in rov. 5.14 uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de makers van de Leerroutes in het selecteren en indelen van de thema’s onmiskenbaar keuzes kunnen maken. Naar het oordeel van het hof heeft Snappet echter afdoende onderbouwd dat de makers bij deze keuzes beperkt zijn door het feit dat de thema’s dienen aan te sluiten bij: (i) de belevingswereld van de kinderen waarvoor de Leerroutes worden gemaakt, (ii) hun reeds bestaande woordenschat, en (iii) hetgeen zij volgens SLO dienen te leren.
Anders dan het subonderdeel betoogt, is het hofoordeel in rov. 5.14, 5.15 en 5.17 dat de makers van de Leerroutes [92] bij deze keuzes rekening hebben te houden met hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren, niet onbegrijpelijk. In cassatie staat onbestreden het volgende vast [93] :
Kennelijk is het hof (met de rechtbank en Snappet) van oordeel dat deze door SLO vastgestelde referentieniveaus, ondank het globale karakter daarvan, de keuze van de Uitgeverijen ten aanzien van het selecteren en indelen van thema’s beperken [95] . Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere motivering goed te volgen, mede omdat niet in geschil is dat uitgeverijen van lesmaterialen hun methodes dienen te richten op het bereiken van deze referentieniveaus. Dit beperkt dus in zoverre de keuzevrijheid. De omstandigheid (dat door GEU c.s. is aangevoerd [96] ) dat de wijze waarop de referentieniveaus en kerndoelen moeten worden bereikt, niet (dwingend) is voorgeschreven door SLO, doet daar volgens mij onvoldoende aan af (al zou gelet op grief III van Snappet een nadere motivering hier niet hebben misstaan). Dit brengt immers niet met zich mee dat de (wél dwingend) door SLO vastgestelde referentieniveaus (en de daarmee samenhangende kerndoelen) de keuze van de Uitgeverijen ten aanzien van het selecteren en indelen van thema’s niet in meer of mindere mate (kunnen) beperken.
De rechtsklacht houdt in dat voor zover het hof heeft bedoeld dat het bepalen
“welke woorden worden aangeleerd en welke niet”een
didactischekeuze is (met de daaraan volgens het hof in rov. 5.11 verbonden rechtsgevolgen), het hof miskent dat didactiek, kort gezegd, ziet op
hoe(via welke werkwijze) iets wordt aangeleerd, en niet
wat(zoals: welke specifieke woorden) wordt aangeleerd. De klacht formuleert het ook anders: het hof zou hebben miskend dat “
welke woorden worden aangeleerd en welke niet”geen didactische keuze is die volgens de in rov. 5.11 geformuleerde maatstaf niet of verminderd voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt; in zoverre past het hof volgens de klacht zijn in rov. 5.11 vermelde maatstaf verkeerd toe.
De motiveringsklacht klaagt dat voor zover het hof onder didactische keuzes wel heeft bedoeld te verstaan
“welke woorden worden aangeleerd en welke niet”, die uitleg van het woord “
didactisch”(in elk geval zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is. Dit zou zo zijn in het licht van (i) de essentiële stelling van GEU c.s. over wat
“didactiek”is, die door het hof niet is verworpen [99] en/of (ii) de verklaring van [betrokkene 1] [100] , waaraan het hof in rov. 5.16 refereert, waarin volgens de klacht ook deze uiteenzet dat didactiek, kort gezegd, gaat over de methode (in de zin van:
werkwijze) waarmee een bepaald leerdoel wordt bereikt (en dus niet: de concrete uitwerking van die methode voor zover die resulteert in te leren/behandelen stof zoals de gekozen themawoorden).
“welke woorden worden aangeleerd en welke niet”een didactische keuze is. Het hof heeft geoordeeld dat
de keuzes voor thema's en themawoorden in de Leerroutes(primair) didactische keuzes zijn, die van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat. Daar lopen deze klachten al op stuk.
“Hetzelfde geldt voor de daaraan gekoppelde keuze voor themawoorden.”. Zij berusten op de lezing dat het hof daarmee bedoelt dat de ten aanzien van de themawoorden gemaakte keuzes in het licht van het feit dat het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen waarvoor de betreffende Educatieve Uitgave wordt gemaakt, bij hun reeds bestaande woordenschat en bij hetgeen zij volgens SLO dienen te leren, voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal zijn.
“hetzelfde”iets anders voor ogen had. Volgens de klacht is het oordeel van het hof dan onbegrijpelijk, omdat dan niet uit het arrest valt op te maken waar
“hetzelfde”naar verwijst.
uit het voortbrengsel zelfis te kennen. Het hof had om te beoordelen of de Leerroutes met betrekking tot de keuze voor de (thema's en de) themawoorden aan de werktoets voldoen, dan ook de (concrete) Leerroutes
zelfop dit punt moeten beoordelen. In elk geval ten aanzien van de thema
woordenheeft het hof dat niet gedaan. In rov. 5.14-5.17 overweegt het hof niets aan de hand van de werkelijke inhoud van de Leerroutes over de concrete, in de Leerroutes opgenomen themawoorden. Het hof verwijst slechts naar een aantal
“secundaire bronnen” [102] , waarin in algemene zin iets wordt verteld over de in de Leerroutes opgenomen themawoorden. Uit die algemene opmerkingen kan volgens de klacht echter niet worden afgeleid dat de Uitgeverijen zodanig beperkt waren bij het maken van keuzes voor het opnemen van bepaalde themawoorden in de Leerroutes dat niet van voldoende vrije en creatieve keuzes kan worden gesproken; om tot een oordeel daarover te komen, had het hof concreet moeten ingaan op de specifieke, in de Leerroutes gemaakte keuzes voor themawoorden, bijvoorbeeld aan de hand van het (door het hof in rov. 5.17 genoemde, maar inhoudelijk niet besproken) overzicht van themawoorden in prod. 74 en de daarover door GEU c.s. ingenomen stellingen [103] .
“secundaire”bronnen in rov. 5.14-5.16, aandacht besteedt aan de stelling van GEU c.s. dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema's en themawoorden geen wezenlijke beperking is, dat er een groot aantal woorden is om uit te kiezen en dat er nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes – niets overweegt over de concrete, in de Leerroutes gehanteerde thema
woorden(maar alleen over
thema's). Het hof noemt weliswaar prod. 74 (die over themawoorden gaat), maar motiveert zijn oordeel
“Dit betoog overtuigt echter niet”vervolgens met overwegingen over de gekozen thema's (niet: themawoorden). Het oordeel geeft dus onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof leidend tot het oordeel dat
“hetzelfde geldt”voor de aan de thema's gekoppelde themawoorden, aldus de klacht.
De thema’s en de daaraan gekoppelde themawoorden hangen nauw met elkaar samen en vormen gezamenlijk één element van de Leerroute (rov. 5.4). In cassatie wordt niet of tevergeefs bestreden:
a.weergegeven feit – voor zover niet al didactisch bepaald – banaal en triviaal. Kennelijk is het hof van oordeel, anders dan GEU c.s. hadden betoogd, dat er ten aanzien van deze keuzes geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen [105] . Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere toelichting volgens mij voldoende begrijpelijk. Dat het hof zijn (wel gegeven) motivering in rov. 5.17 vooral heeft toegespitst op thema’s doet het gelijkluidende oordeel ten aanzien van de (daaraan gekoppelde) themawoorden in mijn ogen nog niet onbegrijpelijk zijn, mede vanwege de nauwe samenhang daartussen. Ten overvloede wijs ik er nog op dat, anders dan de klacht lijkt te suggereren, de door het hof in rov. 5.14 genoemde en in zijn oordeel betrokken producties niet alleen zien op thema’s maar ook op themawoorden [106] . De motiveringsklacht is zodoende tevergeefs voorgesteld.
hetzelfde geldt” [107] voor de aan de thema’s gekoppelde keuze voor themawoorden (vgl. laatste zin rov. 5.17), gegeven de uiteenzetting van GEU c.s. over de bij de themawoorden gemaakte keuzes. De klacht laat zich lastig samenvatten zonder nuanceringen en grafische weergaven te verliezen, zodat ik hier deels uit citeer:
Taal actiefook in
Taal op maatworden behandeld en vice versa, de overlap laag is (9% en 13%). Tevens is in productie 74 een vergelijking gemaakt met de woorden uit de LVS-toetsen van Cito. Hieruit blijkt dat
Taal actiefslechts 6% en
Taal op maatslechts 7% van de woorden bevat die in de LVS-toetsen van Cito worden behandeld. Hieruit blijkt dat de overeenstemming niet wordt ingegeven door de woorden die Cito opneemt in haar toetsen, zo hebben de Uitgeverijen aangevoerd. [114] De Uitgeverijen hebben voorts betoogd dat themawoorden als volgt worden gekozen: [115]
“met name de enorme verschillen in gemaakte keuzes, zelfs bij een, naar het (onbegrijpelijke) oordeel van het hof, grote overlap van de gekozen thema's in de Leerroutes”, onjuist: het oordeel hanteert volgens die klacht een te hoge drempel voor auteursrechtelijke bescherming; die bescherming ontbreekt als een vorm zo banaal of triviaal is, dat daarin
geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen [116] , maar daarvan is hier volgens de klacht geen sprake.
“waarom de, per Leerroute zeer verschillende, op een weloverwogen beoordelingsproces gebaseerde (…) [117] , keuzes voor specifieke verzamelingen van themawoorden zo banaal of triviaal zouden zijn, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.”
“secundaire bronnen”die het hof in rov. 5.14-5.16 aanhaalt, veeleer zou
volgen “dat bij de totstandkoming van de Leerroutes tal van vrije en creatieve keuzes van themawoorden gemaakt zijn uit een zeer groot corpus van mogelijke bruikbare themawoorden”; in de handleiding bij
Taal op maat [118] is vermeld dat een selectie van relevante woorden is gemaakt, waarbij onder andere gebruik is gemaakt van de lijst van Schrooten en Vermeer en de WAK; uit de verantwoording bij de WAK [119] blijkt dat het corpus van de WAK [120] “een enorme keuze aan woorden en onderwerpen biedt die in de wereld van zes- tot twaalfjarige kinderen van belang zijn”. De toelichting op
Taal in beeld [121] vermeldt dat de keuze van de doelwoorden is afgestemd op de thema's van de diverse blokken in de methode en de woordenschatvaardigheden die op dat moment centraal staan en dat daarnaast rekening is gehouden met de moeilijkheidsgraad en frequentie van woorden op een bepaalde leeftijd.
Taal in beeldheeft gezocht naar variatie in woordsoorten (zoals werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijwoorden) en woordcombinaties (uitdrukkingen en gezegden). Zonder nadere maar niet gegeven motivering valt volgens het subonderdeel niet in te zien dat het maken van de keuzes uit de “
zeer grote keuzemogelijkheden die hier zijn beschreven”niet als voldoende vrije en creatieve keuzes zou kunnen gelden.
“dat Snappet maar liefst 49% van de themawoorden uit Taal Actief en 41% van de themawoorden uit Taal op maat gebruikt, dus veel meer dan de Leerroutes onderling vergeleken; [122] dit illustreert dat de Uitgeverijen zeer verschillende vrije en creatieve keuzes hebben kunnen maken ten aanzien van de themawoorden (en dat Snappet weer andere keuzes heeft gemaakt, namelijk tot het overnemen van bijna de helft van de themawoorden van elk van de respectieve Leerroutes)”.
“didactisch bepaald”(en daarmee niet auteursrechtelijk beschermd) aanmerkt, kan dit oordeel niet in stand blijven op de gronden uiteengezet in subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2, aldus de afsluitende klacht van subonderdeel 5.4.
Om met de afsluitende klacht te beginnen: het hof heeft in rov. 5.16 de keuze voor de (thema’s en) themawoorden in de Leerroutes – primair – als
“didactische”keuzes, en daarmee als niet auteursrechtelijk beschermd, aangemerkt, zie hiervoor in 3.50. De afsluitende klacht is een herhaling van zetten van subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2 en deelt het lot van die al besproken klachten. Het in mijn ogen tevergeefs bestreden oordeel in rov. 5.16 kan de conclusie van het hof in rov. 5.18, dat het element dat ziet op het gebruik van (thema’s en) themawoorden een onbeschermd element van de leerroutes is, zelfstandig dragen. Dit brengt mee dat de overige klachten van subonderdeel 5.4 volgens mij al tevergeefs zijn voorgesteld, omdat deze zijn gericht tegen een niet zelfstandig dragende grond. Daar ketsen de (overige) klachten al op af [123] .
“De Uitgeverijen betogen dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema’s en themawoorden, geen wezenlijke beperking is. Er is immers een groot aantal woorden om uit te kiezen. Aldus is er volgens hen nog steeds sprake van voldoende vrije en creatieve keuzes. Ter illustratie wijzen zij op het door hen als productie 74 overgelegde overzicht, waaruit volgens hen blijkt dat er in de verschillende Leerroutes ook daadwerkelijk veelal andere keuzes worden gemaakt. (…)”), maar gewogen en te licht bevonden. Het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag voor zover het aanvoert dat het hof geen acht heeft geslagen op deze stellingen. Het hof hoefde ook niet alle door GEU c.s. aangedragen stellingen, waaronder het genoemde voorbeeld, uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken om tot een afgewogen gemotiveerd oordeel te komen.
“secundaire bronnen”mist ook feitelijke grondslag: in de door het middel genoemde vindplaatsen [124] is een dergelijke stellingname van GEU c.s. niet te lezen. Bedoelde
“secundaire bronnen”zien overigens ook niet op het hofoordeel in rov. 5.17, maar op de niet of tevergeefs bestreden hofoordelen in rov. 5.14-5.16.
thema'sgemaakte keuzes voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal zijn nu het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, bij hun bestaande woordenschat en bij wat zij volgens SLO dienen te leren. De uitwerking van de cassatiebezwaren hiertegen volgt in een aantal nadere klachten.
“didactisch bepaald”(en daarmee niet auteursrechtelijk beschermd) aanmerkt, dit niet in stand kan blijven om de redenen aangegeven in subonderdelen 2.1-2.2 en/of 5.2.
de thema’sgeldt dat het volgens mij tevergeefs bestreden oordeel in rov. 5.16 zelfstandig de conclusie uit rov. 5.18 kan dragen. Dit betekent dat de overige klachten van subonderdeel 5.5 volgens mij al stranden, omdat deze zijn gericht tegen een niet zelfstandig dragende grond [125] . Voor zover dit anders zou zijn volgt nu een inhoudelijke bespreking van die klachten.
“banaal en triviaal”of als niet
“voldoende vrij en creatief”beschouwt, dit oordeel onbegrijpelijk of althans onjuist is. Deze algemene klacht wordt als volgt uitgewerkt.
“dit oordeel”. Het hof zou hier een cirkelredenering hanteren: het stelt voorop dat de makers bij de keuzes voor thema's beperkt zijn door het feit dat de thema's dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen (rov. 5.14-5.16). Vervolgens bespreekt het hof in rov. 5.17 het betoog van GEU c.s. dat deze beperking niet wezenlijk is en dat er nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes. Dat betoog overtuigt volgens het hof niet, omdat (in de tweede plaats) de door de Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema's duidelijk zien op de belevingswereld van kinderen. Het hof motiveert het uitgangspunt van zijn oordeel (
“keuzes beperkt door aansluiting bij belevingswereld van kinderen”) volgens de klacht dus door vast te stellen dat de gemaakte keuzes aansluiten bij de belevingswereld van kinderen. Die vaststelling zegt echter niets over of binnen de beperking dat thema's moeten aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, de gemaakte keuzes voldoende vrij en creatief zijn. De belevingswereld van kinderen is volgens de klacht een zeer breed, divers, en niet uniform of objectief bepaalbaar gegeven, waarbinnen veel verschillende keuzes kunnen worden gemaakt [126] . Dit tast volgens de klacht al het oordeel van het hof aan over de thema's in rov 5.17.
Het hof heeft in rov. 5.14-5.15 geoordeeld dat bij het selecteren en indelen van de thema’s de makers onmiskenbaar keuzes kunnen maken, maar dat – onder verwijzing naar de daar besproken producties [127] – Snappet afdoende heeft gesubstantieerd dat de makers bij die keuzes beperkt zijn doordat de thema’s dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen, bij hun al bestaande woordenschat en bij wat zij volgens SLO moeten leren.
In rov. 5.17 bespreekt het hof vervolgens het betoog van GEU c.s. dat deze beperking in de keuzevrijheid voor thema’s en themawoorden geen wezenlijke beperking oplevert, omdat er volgens hen een groot aantal woorden is om uit te kiezen en er zodoende volgens hen nog steeds sprake is van voldoende vrije en creatieve keuzes. Het hof verwerpt dit betoog met twee argumenten. Met het bestreden tweede argument
(“In de tweede plaats zien de door Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema's duidelijk op de belevingswereld van kinderen (bijvoorbeeld familie, dieren, vrije tijd, reizen), ingevuld naar de leeftijd van de kinderen (bijvoorbeeld binnen het thema “vrij” het subthema “afspraken maken” voor groep 1 en “avondje uit” voor groep 8; het subthema “winkel” voor groep 4 en “reclame” voor groep 7)”) stelt het hof vast dat – anders dan GEU c.s. hadden betoogd – (ook) uit de door de Uitgeverijen gebruikte thema's en subthema’s volgt dat deze duidelijk zien op de belevingswereld van kinderen, ingevuld naar hun leeftijd en dat mede daarom sprake is van banale en triviale keuzes, voor zover die niet al didactisch zijn bepaald. Dit is geen cirkelredenering, maar een bevestiging van het eerdere hofoordeel op grond van de stellingen van Snappet dat hiervan sprake is.
“slechts”7 van de 40 (Taal Actief) c.q. van de 66 (Taal op Maat) thema's in hetzelfde leerjaar in beide Leerroutes worden gebruikt [128] . Voor zover de andere thema's al in beide methodes worden gebruikt, is dat niet in hetzelfde leerjaar [129] . Ook uit rov. 2.7 en 2.8 blijkt niet (wat men volgens de klacht wel zou verwachten als, zoals het hof heeft aangenomen, de keuzevrijheid wezenlijk beperkt zou zijn doordat de thema's zien op de belevingswereld van de kinderen, ingevuld naar de leeftijd van de kinderen) dat in dezelfde leerjaren dezelfde (sub)thema's worden behandeld. Ook is de invulling van de subthema's en de verdeling daarvan over de leerjaren verschillend. Het enkele feit dat, als men, zoals het hof kennelijk voor ogen heeft gestaan, alle thema's uit de boeken van alle leerjaren samen beschouwt, er grote overlap is tussen de thema's, brengt nog niet mee dat er binnen de beperking dat thema's moeten aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, de concrete gemaakte keuzes, inclusief de verdeling van de gekozen thema's over en binnen de leerjaren, zoals die blijken uit de overzichten in rov. 2.7 en 2.8 en productie 127 van Snappet, niet voldoende vrij en creatief zijn. Althans hanteert het hof met zijn oordeel ten onrechte een te hoge drempel voor auteursrechtelijke bescherming door deze bescherming af te wijzen terwijl niet gezegd kan worden dat sprake is van (concrete) keuzes die zo banaal of triviaal zijn, dat daarin geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.
alleenheeft gegrond op het gegeven dat het moet gaan om woorden die moeten aan bij de kinderbelevingswereld, maar óók op de grond dat deze moeten aansluiten bij de bestaande woordenschat van die kinderen en op wat zij volgens SLO moeten leren. De klacht mist ook in zoverre dan feitelijke grondslag.
“hetzelfde geldt”voor de
themawoordenniet in stand kan blijven. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking, nu geen van deze klachten volgens mij tot cassatie kunnen leiden.
“door wat volgens de makers van de Leerroutes didactisch het beste is”, onderstreept nu juist dat er (subjectieve) vrije en creatieve keuzes gemaakt kunnen worden, ook al zijn die keuzes ingegeven door didactische overwegingen. GEU c.s. verwijzen daartoe naar subonderdeel 2.1.
Subonderdeel 5.7stelt vervolgens dat de verwijzing in rov. 5.26 naar het
Football Dataco-arrest [130] dat niet anders maakt. Daarin ging het over de situatie waarin aan het oorspronkelijkheidscriterium niet wordt voldaan wanneer voor de samenstelling van een databank technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid. In dat verband overwoog het HvJEU dat de omstandigheid dat de samenstelling van de databank, afgezien van het creëren van de gegevens die zij bevat, aanzienlijke inspanningen en deskundigheid van de maker vergt op zichzelf geen grond kan opleveren voor de auteursrechtelijke bescherming ervan overeenkomstig de Richtlijn, wanneer deze inspanningen en deskundigheid niet gepaard zijn gegaan met originaliteit bij de keuze en de rangschikking van die gegevens. Het verschil met onze zaak is nu juist dat hierin geen sprake is van technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.
De eerste rechtsklacht bouwt voort op het niet tot cassatie leidende subonderdeel 2.1 en deelt in het lot daarvan.
De eerste en tweede rechtsklacht kunnen (verder) niet tot cassatie leiden, omdat het hof in onze zaak terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat er geen sprake is van auteursrechtelijke bescherming indien bepaalde ‘didactische’ keuzes – net als technische overwegingen, regels of beperkingen – geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, zoals we hiervoor al hebben gezien (vgl. in 3.24, 3.29en 3.50). Die situatie doet zich hier volgens het hof voor bij de keuzes uit rov. 5.24. Voor de klacht uitgaat van een andere lezing mist het volgens mij feitelijke grondslag.
Verder gaat de tweede rechtsklacht uit van een verkeerde lezing van rov. 5.26. Het hof verwijst daar namelijk niet naar het
Football Dataco-arrest ter onderbouwing van zijn oordelen in rov. 5.24; de verwijzing dient alleen ter onderbouwing van het oordeel in rov. 5.26 dat voor de beoordeling of sprake is van auteursrechtelijk beschermde elementen van het werk niet relevant is dat het ontwikkelen van de thema's en lessenstructuur en het selecteren, benoemen en het bepalen van de volgorde van het herhalingspatroon van de leerdoelen expertise, inspanningen en investeringen vereist. De juistheid van dát oordeel wordt door het middel terecht niet bestreden [131] .
“cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen”) of (ii) een
louterfunctionele uitwerking daarvan niet auteursrechtelijk te beschermen is, tot uitdrukking bedoelt te brengen dat GEU c.s. dat wél hebben betoogd. Volgens de klacht heeft het hof dan een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan GEU c.s.’ stellingen, omdat zij geen bescherming hebben geclaimd van individuele lesdoelen of van louter functionele uitwerkingen daarvan. De vrije en creatieve keuzes zitten volgens GEU c.s. in
de selectie, de volgorde en het herhalingspatroonvan de lesdoelen [132] .
(“Naar het oordeel van het hof voert Snappet hier terecht tegen aan dat (…))”.
de enkele keuzeom eerst woorden met een
“ei”en
“ij”te leren en daarna woorden met
“au”en
“ou”of andersom, op zichzelf auteursrechtelijk beschermd zou zijn. GEU c.s. hebben aan de hand van uitvoerige producties betoogd dat het gaat om de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen in de hele Leerroute en dus niet om de enkele keus om het ene lesdoel eerder te behandelen dan het andere, maar om het totaal van honderden keuzes binnen één Leerroute, zoals geïllustreerd in prods. 50 en 52 [133] .
Uit rov. 5.23, waar het hof het standpunt van GEU c.s. heeft weergeven, volgt dat het hof uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat het GEU c.s. gaat om de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen en zodoende om het totaal aan keuzes binnen de hele Leerroute en niet om de enkele keus om het ene lesdoel eerder te behandelen dan het andere.
Het hof heeft in rov. 5.24 gemotiveerd geoordeeld dat, anders dan GEU c.s. hadden betoogd, het hier niet gaat om keuzes die (voldoende) vrij en creatief zijn, nu deze keuzes enerzijds didactisch zijn bepaald en anderzijds banaal en triviaal van aard zijn. Met de passage “
bijvoorbeeld de keuze om eerst woorden met een “ei” en “ij” te leren en daarna woorden met “au” en “ou” of andersom”, heeft het hof klaarblijkelijk alleen tot uitdrukking gebracht wat het verstaat onder keuzes van die laatste categorie. Anders dan de klacht aanvoert, blijk hier niet van een miskenning van het standpunt van GEU c.s.
“banaal en triviaal”zou zijn.
Uit rov. 5.24 volgt dat het hof van oordeel is dat het hier niet gaat om keuzes die (voldoende) vrij en creatief zijn. Van een te strenge maatstaf is geen sprake; de rechtsklacht licht ook niet toe waarom dit wel zo zou zijn, en voldoet dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen.
Ook de motiveringsklacht mist doel: het oordeel dat de betreffende keuzes – voor zover niet didactisch bepaald – banaal en triviaal van aard zijn, is, met het gegeven voorbeeld, ook zonder nadere toelichting voldoende begrijpelijk. In het bijzonder hoefde het hof zijn oordeel niet bij iedere keuze of alle door GEU c.s. gegeven voorbeelden nader te motiveren (vlg. ook hiervoor in 3.14).
“in hoge mate”wordt bepaald door de kerndoelen, referentieniveaus, leer(stof)lijnen, fundamentele doelen en tussendoelen onbegrijpelijk is, op dezelfde gronden als in subonderdeel 5.1 betoogd. Verder zou onbegrijpelijk zijn dat dit oordeel zou worden bevestigd in punt 4 van de als prod. 66 van GEU c.s. overgelegde verklaring van auteur [betrokkene 1] die daar volgens de klacht, kort gezegd, alleen refereert aan de gewenste beheersniveaus voor het eind van het primair onderwijs (na 8 jaar), en enkele referentiekaders die zien op groepen van 2 jaar, en die daarnaast juist de verschillen tussen methodes en de creativiteit van de auteurs benadrukt.
e)(overeenkomsten) tegen het oordeel over de (bevestigend beantwoorde) vraag of het element “invulling lesdoelen door o.a. ankerverhaal en concrete opgaven” auteursrechtelijk beschermd is. Die passages (hiervoor weergegeven in 2.31) zien in hoofdzaak op de aard van de opgaven. Ter voorkoming van terugbladeren:
e)verwijst naar de overeenstemming tussen de concrete opgaven van Snappet en die in de Leerroutes op hetzelfde moment worden aangeboden, (ii) het hof daar spreekt over opgaven die
“qua aard”veelal aansluiten bij de opgaven die op hetzelfde moment in de Leerroutes worden aangeboden, en (iii) het hof in rov. 5.29 heeft geoordeeld dat de Uitgeverijen ten aanzien van
“de aard”van de opgaven geen auteursrechtelijke bescherming toekomt. Het subonderdeel berust op de lezing dat het hof aldus heeft bedoeld dat het hier – bij de voorbeelden genoemd in prods. 22, 71, 76, 77, 97 en 98 – niet gaat om overeenkomsten in
auteursrechtelijk beschermdeonderdelen van de Leerroutes. Met dit oordeel heeft het hof volgens de klacht een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van GEU c.s., heeft het een onjuiste (want te strenge) maatstaf voor auteursrechtelijke bescherming gehanteerd of heeft het onvoldoende gemotiveerd waarom de hier bedoelde invulling van de lesdoelen (waarvan het hof in rov. 5.34 volgens de klacht heeft vastgesteld dat Snappet die heeft overgenomen) niet aan de maatstaf voldoet. GEU c.s. hebben zich volgens de klacht niet beroepen op de auteursrechtelijke bescherming van, bijvoorbeeld, het enkele gebruik in een opgave van
“een getallenlijn”of om van de leerling te vragen “
een beschrijving van iets te geven”. GEU c.s. hebben zich beroepen op de bescherming van de concrete uitwerking van de opgave, niet alleen in de vormgeving, tekst, en illustraties in de opgave
op zichzelf(wat door het hof wél als auteursrechtelijk beschermd is aangemerkt), maar vooral ook op de bescherming van de invulling van lesdoelen door middel van
voorbeeldenof door plaatsing in een bepaalde
context.Dus niet op de bescherming van
“het onderscheiden van standaard Nederlands en streektalen”, maar wel van de specifieke uitwerking daarvan in de opgave door specifiek het Limburgs te gebruiken, en binnen het Limburgs de uitspraak van
“ui”als
“oe”.Niet op de bescherming van het schrijven van een (stap-voor-stap) handleiding voor een ander, maar de uitwerking om een handleiding te schrijven voor het verzorgen van een huisdier tijdens de vakantie. Niet op de bescherming van een brief om iemand over te halen iets te gaan doen, maar specifiek op de bescherming van een brief om iemand over te halen naar een feest te komen. Niet op de bescherming van het gebruik van een sommetje om te leren delen, maar om specifiek het voorbeeld te gebruiken van een deelsom rond kaartjes voor een (achtbaan in een) pretpark [136] . Door niet ook al deze vrije, creatieve keuzes, zo niet afzonderlijk dan toch wel tezamen, in rov. 5.29 als auteursrechtelijk beschermd element aan te merken, is een te strenge werktoets gehanteerd, of – door alleen maar te verwijzen naar enkele ‘losse’ voorbeelden (waar het betoog van GEU c.s. niet op was gericht) – zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Uit rov. 5.27-5.29 volgt volgens mij dat het hof bedoelde stellingen van GEU c.s. over de bescherming van de concrete uitwerking van de opgaven in de Leerroutes uitdrukkelijk heeft gewogen, maar te licht bevonden in rov. 5.31-5.34 – en dus niet alleen besproken in rov. 5.33 onder (de eerste)
e), waar de klacht kennelijk vanuit gaat.
Het hof heeft verder expliciet onder ogen gezien dat er – naast de in rov. 5.33 genoemde overeenkomsten ter zake niet beschermde elementen, waaronder het moment waarop de opgaven worden aangeboden en de aard ervan – óók overeenstemming is op het niveau van de concrete opgaven op een of meer punten die wél voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen; ook in zoverre mist de klacht volgens mij feitelijke grondslag.
Naar het kennelijk oordeel van het hof in rov. 5.31-5.34 zijn in het lesmateriaal van Snappet wel in enige mate, maar niet in voldoende mate auteursrechtelijk beschermde trekken van de Leerroutes overgenomen om tot inbreuk te kunnen oordelen, zoals we hiervoor hebben gezien in 3.40. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het oordeel in rov. 5.34 dat de overeenstemming op het niveau van de concrete opgaven gering is, alsook gelet op de in rov. 5.33 geconstateerde en in cassatie niet bestreden in het oog springende verschillen, waaronder die ten aanzien van
de uitwerkingvan de concrete opgaven, vgl. rov. 5.33 onder (de tweede)
e).Dat en waarom dit hofoordeel in mijn ogen door de beugel kan, is hiervoor uiteengezet bij de bespreking van onderdeel 4.
Ook subonderdeel 5.9 is zodoende tevergeefs voorgesteld.
4.Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
Inleiding
Onderdeel 1bestrijdt de verwerping in rov. 5.3 van de grieven 2, 3a en 3b van Snappet wegens gebrek aan belang.
Onderdeel2 keert zich tegen het oordeel in rov. 5.6 dat het verweer van Snappet faalt dat er zoveel makers aan de Leerroutes hebben gewerkt dat totaal onduidelijk is wiens
“persoonlijke stempel”daarop rust.
Onderdeel 3komt op tegen het oordeel in rov. 5.30 dat de combinatie van het beschermde element
“invulling van de lesdoelen”(element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii een eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker niet geheel kan worden ontzegd en daarom auteursrechtelijk beschermd is en de Leerroutes dus als werken hebben te gelden.
Het onvoorwaardelijke
onderdeel 4bestrijdt de proceskostenveroordeling in rov. 5.45, te weten dat het redelijk en evenredig is om GEU c.s. te veroordelen in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep tot het maximum van € 40.000,-- volgens categorie complex (categorie II bodemzaken sub d) en uitgangspunt 9 van de Indicatietarieven in IE-zaken.
primairgelegen is in een bekrachtiging van het dictum van het eindvonnis in conventie met
verbetering van de gronden, en
subsidiairerop is gericht het hof te laten afwijken van de bestreden oordelen van de rechtbank als (één of meer) grieven van het principaal appel gegrond werden bevonden. Aldus waren de grieven van Snappet in incidenteel appel volgens de klacht niet beperkt tot de situatie dat het hof de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vorderingen van GEU c.s. zou bekrachtigen,
“maar werden deze grieven tevens aangevoerd met inachtneming van de herstel-/herkansingsfunctie van het hoger beroep, op grond waarvan het hof de (on)juistheid van de in appel bestreden oordelen kon en moest herbeoordelen om de gronden voor afwijzing van de vorderingen, in zoverre, te verbeteren (herstellen).”Subonderdeel 1bbetoogt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de door Snappet gegeven toelichting op de grieven 2, 3a en 3b [137] . Volgens de klacht laat deze toelichting geen andere uitleg toe dan dat het belang van Snappet bij haar grieven 2, 3a en 3b was om een ‘verbetering van de gronden’ voor de beslissing tot afwijzing van de vorderingen van GEU c.s. te krijgen bij een bekrachtiging van het vonnis c.q. bij hernieuwde beoordeling door het hof van de toewijsbaarheid van die vorderingen.
Subonderdeel 1cvoert tot slot aan dat het oordeel van de rechtbank, dat Snappet in de pilot door verveelvoudiging van opgaven van de uitgaven Rekenrijk en Spelling in Beeld inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten op deze opgaven, innerlijk tegenstrijdig is met de in cassatie onbestreden oordelen van het hof in rov. 5.38 (bedoeld is: rov. 5.36 [138] ) dat de door GEU c.s. aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om te concluderen dat Snappet in de pilotfase onrechtmatig jegens GEU c.s. heeft gehandeld. Volgens de klacht is deze onbegrijpelijkheid ontstaan door het niet behandelen van de grieven 2, 3a en 3b.
Art. 3:303 BW Pro bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Deze regel geldt ook voor hoger beroep (art. 3:59 BW Pro). Een partij kan hoger beroep dus alleen aanwenden als die partij daarbij voldoende belang heeft, dat wil zeggen dat het hoger beroep voor die partij enig nuttig effect teweegbrengt [139] . Ontbreekt dit belang en wordt daarop een beroep gedaan, dan leidt dit tot verwerping van het hoger beroep [140] .
waaromSnappet – ondanks de voor haar gunstige afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van GEU c.s. waarvan Snappet in hoger beroep bekrachtiging vordert – een verbetering van de gronden of een herstel/herkansing wil, en welk (rechtens te respecteren) belang Snappet daarbij zou hebben, blijft ook in cassatie onduidelijk. Snappet volstaat in cassatie met een herhaling van de stellingen uit haar incidentele grieven. Snappet bestrijdt als zodanig ook niet (voldoende kenbaar) dat, zoals het hof heeft overwogen, Snappet geen conclusies aan haar incidentele grieven heeft verbonden [141] . Ik benadruk verder dat Snappet in hoger beroep ook geen wijziging, maar bekrachtiging van het dictum van de uitspraak in conventie heeft gevorderd. Zodoende heeft het hof in mijn ogen terecht en op voldoende begrijpelijke wijze kunnen oordelen dat Snappet geen belang heeft bij haar incidentele grieven 2, 3a en 3b.
reformatio in peius) [147] . Indien in het dictum van de uitspraak in het nadeel van de geïntimeerde is beslist, kan dit alleen ten gunste van geïntimeerde veranderd worden door het instellen van incidenteel hoger beroep [148] .
erop is gericht het hof te laten afwijken van de bestreden oordelen van de rechtbank als (één of meer) grieven van het principaal appel gegrond werden bevonden”. Voor dat doel waren immers in onze zaak geen incidentele grieven vereist vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep. Snappet hoeft zelf geen incidentele grieven aan te voeren tegen voor haar ongunstige beslissingen in eerste aanleg die vallen binnen het door de grieven van GEU c.s. bestreken gebied. Ik benadruk hierbij nogmaals dat in het dictum van de uitspraak in conventie niet in het nadeel van Snappet is beslist en zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van dit dictum.
seceen auteursrechtelijk beschermd werk kan zijn [153] . Ook in zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden wegen gebrek aan belang.
2abestrijdt dit oordeel met een rechtsklacht. Volgens Snappet geldt ook in gevallen als deze – waar meerdere makers een werk tot stand hebben gebracht en sprake is van een ‘gemeenschappelijk werk’ – dat voor auteursrechtelijke bescherming voor elke betrokken maker, individueel, moet (kunnen) worden vastgesteld dat aan de in rov. 5.7 en 5.10 genoemde werktoets is voldaan. Het werk en de afzonderlijke bijdragen daarin dienen volgens de klacht een uitdrukking te vormen van de persoonlijkheid van de daarbij betrokken makers. Het hof zou ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat alleen moet worden bepaald of op het (gemeenschappelijk) werk ‘het persoonlijk stempel van de gemeenschappelijke makers’ rust.
Subonderdeel 2bbouwt hierop voort. Het klaagt in de eerste plaats dat het hof in zijn verdere beoordeling van het geschil daardoor uitging van een verkeerde, te ruime, maatstaf. Het klaagt verder dat het hof zijn arrest in het licht van het (door het hof bedoelde) verweer van Snappet [156] onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit de motivering niet zou kunnen worden opgemaakt
“dat, waarom en in hoeverre op grond van de werktoets (rov. 5.7 en 5.10) een ‘persoonlijke stempel’ van elke maker op het werk van GEU c.s. rust.”
De subonderdelen 2a en 2b nemen tot uitgangspunt dat in onze zaak sprake is van een gemeenschappelijk werk, maar dat is onjuist en daar stuiten de klachten al op af. Als in cassatie onbestreden staat namelijk vast dat de betreffende individuele uitgeverijen van GEU c.s. krachtens art. 7 Aw Pro (werkgeversauteursrecht) of door overdracht (individueel of
single) auteursrechthebbende zijn op de betreffende respectieve Leerroutes (rov. 5.5). Bij een gemeenschappelijk werk is sprake van één werk en één auteursrecht dat aan verscheidene makers gezamenlijk toekomt, dat in principe ook alleen door hen gezamenlijk kan worden geëxploiteerd, en dat in geval van inbreuk door ieder afzonderlijk kan worden gehandhaafd [157] . Van verschillende makers, zoals de klachten veronderstellen, is hier echter geen sprake (meer), omdat in cassatie vaststaat dat de betreffende uitgeverijen krachtens art. 7 Aw Pro of door overdracht (
single) auteursrechthebbende zijn geworden op de betreffende Leerroutes (ook al zijn die feitelijk in teamverband tot stand gebracht, dat staat daar juridisch los van). Vandaar ook dat het hof in de laatste zin van rov. 5.6 overweegt dat in onze zaak niet ter zake doet wie van de makers heeft bijgedragen aan welk onderdeel van het werk. Dat vloeit namelijk logisch voort uit de vaststelling een overweging eerder dat sprake is van (
single) auteursrecht bij de betreffende educatieve uitgeverijen ex art. 7 Aw Pro (werkgeversauteursrecht) of door overdracht van de betreffende voormalige auteursrechthebbenden (op deelwerken mogelijk) aan die uitgeverijen.
De werktoets met de daarvoor geldende vereisten EIS of EOK&PS in auteursrechtelijk vakjargon-steno is in 3.3 e.v. besproken.
Voor de vraag of een gemeenschappelijk werk (waarvan in onze zaak als gezegd juridisch geen sprake is) auteursrechtelijk beschermd is (de werktoets), is relevant
ofdat werk het resultaat is van creatieve keuzes. Dat moet worden beoordeeld
aan de hand van het werk zelf. Anders dan de subonderdelen 2a en 2b tot uitgangspunt nemen, is voor de werktoets niet relevant
wiein een bepaald werk bepaalde creatieve keuzes heeft gemaakt [158] . De klachten lijken de werktoets te verwarren met de vraag wie auteursrechthebbende is en gaan ten onrechte ervan uit dat het hier gemeenschappelijke werken betreft, nu dat niet (meer) zo is. Het oordeel van het hof is dan ook juist en de subonderdelen 2a en 2b zijn tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2cmiskent dat hier juridisch sprake is van
singleauteursrecht op de betreffende Leerroutes bij de respectieve educatieve uitgeverijen met de motiveringsklacht dat niet is gemotiveerd door het hof waarom hier sprake zou zijn van een gemeenschappelijk werk. Het hof bespreekt in rov. 5.6 evenwel het verweer van Snappet, dat het daar weergeeft, maar beslist dat dat geen issue is in onze zaak (lees als gezegd: gelet op rov. 5.5, omdat is overgedragen aan of sprake is van werkgeversauteursrecht van de betreffende educatieve uitgeverijen). Daar strandt die klacht al op. Voor zover hier in wezen zou worden geklaagd [159] dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de Leerroutes (onscheidbare) gemeenschappelijke werken zijn, en geen scheidbare werken, of dat het hof het verschil tussen onscheidbare en scheidbare werken heeft miskend [160] , bestaat geen belang bij die klacht, omdat die kwestie helemaal niet speelt bij overgedragen of uit hoofde van werkgeversauteursrecht ontstaan
singleauteursrecht zoals in onze zaak aan de orde, zodat dat verder onbesproken kan blijven.
“invulling van de lesdoelen”(element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii (net) de werktoetsdrempel over komen [161] . Het onderdeel richt hier in drie subonderdelen klachten tegen.
“invulling van de lesdoelen”(element iv) met de niet beschermde elementen i tot en met iii – is dat hier net voldaan is aan de werktoets (de combinatie is niet geheel een werkkarakter te ontzeggen, dus de Leerroutes zijn in combinatie nog juist als werken te beschouwen). Dit oordeel is in zoverre in lijn met het betoog van GEU c.s. [163] dat de unieke combinatie van deze vier elementen (waarvan één element auteursrechtelijk beschermd is) voor in ieder geval een beperkt deel (
niet geheel kunnen worden ontzegd) het gevolg is van creatieve keuzes van de maker en een oorspronkelijk karakter heeft. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere toelichting goed te volgen.
“Daarmee”en lijkt als ik het goed zie [164] niet meer in te houden dan dat onbegrijpelijk zou zijn dat het hof tot een ander oordeel is gekomen dan door Snappet bepleit.
“Daarmee”wordt voortgebouwd op de klacht uit het vorige subonderdeel, faalt dit ook. Een oordeel is niet al onbegrijpelijk omdat het anders is dan door een partij bepleit en is volgens mij zo volgt uit de bespreking van het vorige subonderdeel goed te volgen. Waarom welke overwegingen precies onbegrijpelijk zouden zijn tegen welke concrete stellingen van Snappet, doet de klacht niet uit de doeken, zodat dat een verdere grond tot afwijzing oplevert.
Daarnaast lijkt mij de klacht te miskennen dat een rechtsoordeel zich niet leent voor bewijslevering [166] .
Het aangeboden bewijs betreft bovendien het horen van getuigen-
deskundigen [167] , dat gelet op de bewoordingen (ook GEU c.s. heeft dat zo opgevat [168] ) kwalificeert als een deskundigenbewijsaanbod en dat hoeft niet te worden gehonoreerd door een rechter in feitelijke instanties. De wijze waarop de rechter van die bevoegdheid tot al dan niet honoreren gebruik maakt, kan in cassatie niet getoetst worden [169] .
Snappet heeft tot slot aangeboden
“(…) waar nodig en gewenst (aanvullend) schriftelijk bewijs in het geding te brengen. (…)” [170] . Het stond het hof ook vrij om dit aanbod te passeren. Indien Snappet haar stellingen nader had willen onderbouwen met (aanvullend) schriftelijk bewijs, had zij dit tijdig in de procedure moeten doen.
Deze klacht is op deze gronden tevergeefs voorgesteld.
onderdeel 4klaagt dat de proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv ten onrechte is gemaximeerd op het indicatietarief voor een complexe zaak, omdat de werkelijke proceskosten hadden moeten worden toegewezen. De klacht formuleert dat zo: het hof heeft: “(…) zijn oordelen ten onrechte en onbegrijpelijk gebaseerd op de aanvankelijke stelling van GEU c.s. de krachtens art. 1019h Rv te bepalen kosten van het principaal appel en incidenteel appel te maximeren ten belope van € 40.000,--. Bij pleidooi hebben GEU c.s. dat standpunt echter verlaten (…) [171] . Het oordeel dat het hof GEU c.s. volgde in haar stelling dat deze zaak diende te worden ingedeeld in de categorie complex (categorie II bodemzaken sub d) met als maximum € 40.000,--, is aldus onbegrijpelijk in het licht van haar latere standpunt bij pleidooi dat zij onder art. 1019h Rv aanspraak maken op de daadwerkelijk gemaakte proceskosten
in plaats van het maximale indicatietarief’.Nu tussen partijen niet (meer) in discussie was dat onder art. 1019h Rv de vergoeding van de volledige proceskosten in het principaal en in het incidenteel appel werd gevorderd, had het hof GEU c.s. daartoe behoren te veroordelen ten belope van het door Snappet gevorderde en door GEU c.s. niet betwist volledige bedrag aan proceskostenvergoeding.”
“gebaseerd”op een stelling van GEU c.s. Met de passage dat het hof GEU c.s.
volgtin hun stelling dat de onderhavige zaak dient te worden ingedeeld in de categorie complex, heeft het hof alleen tot uitdrukking gebracht dat het hof tot eenzelfde kwalificatie is gekomen [174] ; dus niet gebaseerd op, maar in lijn met.
“verlaten”dat de zaak moet worden ingedeeld in de categorie complex, mist dit ook feitelijke grondslag. GEU c.s. hebben bepleit om niet het maximum van de volgens hen toepasselijke categorie – complex – toe te passen, maar om boven dat maximum uit te komen. Zij hebben daarmee, zoals ook volgt uit de bijbehorende voetnoot [175] , een beroep gedaan op de uitzondering vermeldt in punt 7 onder (b) van de Indicatietarieven [176] . Daarmee hebben zij echter geen andere categorie bepleit [177] . Gelet op dit een en ander is, anders dan het onderdeel opwerpt, niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.45 tot uitgangspunt heeft genomen dat GEU c.s. zich op het standpunt hebben gesteld dat de zaak dient te worden ingedeeld in de categorie complex; dat is immers wat GEU c.s. hebben gesteld.
GEU c.s.in het gelijk zou worden gesteld en niet op de situatie in onze zaak dat
Snappet(grotendeels) in het gelijk wordt gesteld.
“bijzonder geval”dat een hogere vergoeding dan het maximale indicatietarief rechtvaardigt [179] . GEU c.s. menen dat de gebruikelijke Indicatietarieven behoren te gelden, waarbij zij zich refereren aan het oordeel van Uw Raad over de complexiteitscategorie. De enige motivering die Snappet bij s.t. 5.3 geeft voor haar aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten is
“Gezien de omvang van de zaak en de belangen die er op het spel staan is de zaak te kwalificeren als een complexe zaak” [180] . Dat komt te mager voor om af te wijken van de maximale Indicatietarieven. Ik zou mij daarom kunnen voorstellen dat Uw Raad een proceskostenveroordeling uitspreekt conform de maximale Indicatietarieven waarbij deze zaak in mijn ogen als
“complex”kwalificeert.