ECLI:NL:PHR:2021:767

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
20/04448
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 36g SvArt. 36n SvArt. 416 SvArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheid betekening appeldagvaarding bij wijziging BRP-adres en niet-ontvankelijkheid hoger beroep

In deze zaak werd verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994 door de kantonrechter. Verdachte stelde hoger beroep in, waarbij een adres werd opgegeven voor betekening van de appeldagvaarding. Na adreswijziging in de Basisregistratie Personen (BRP) werd de dagvaarding niet meer naar het eerder opgegeven adres verzonden. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat verdachte niet was verschenen en geen grieven had ingediend.

De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat de wijziging van het BRP-adres ertoe leidt dat eerder opgegeven adressen voor betekening komen te vervallen, conform art. 36g, derde lid, onder c, Sv. Niet-verzending van de dagvaarding naar het oude adres leidt niet automatisch tot nietigheid, maar tot schorsing tenzij de verdachte tevoren bekend was met de zittingsdatum of kennelijk afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de dagvaarding geldig is betekend en dat het niet verzenden naar het oude adres geen aanleiding gaf tot schorsing. Verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht door niet te verschijnen en geen grieven in te dienen. Het hoger beroep is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens geldige betekening en afstand van aanwezigheidsrecht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04448
Zitting31 augustus 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 31 augustus 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 29 maart 2019. In dat vonnis is de verdachte wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994” veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 240,00 euro, subsidiair vier dagen hechtenis alsmede tot hechtenis voor de duur van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte de appeldagvaarding geldig heeft verklaard en/of de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding te verzenden naar het bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres van de verdachte, zodat de appeldagvaarding niet rechtsgeldig is betekend en de verdachte ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht, waardoor de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis niet kenbaar heeft kunnen maken.
4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
(i) een akte instellen hoger beroep inhoudende dat op 21 juni 2019 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op 29 maart 2019 gewezen vonnis, waarin is vermeld dat de verdachte is “Vertrokken, onbekend waarheen”;
(ii) een aan de onder (i) genoemde akte instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep, die voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“De dagvaarding in hoger beroep kan worden verzonden naar het adres van [verdachte] , te weten [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] .”
(iii) een kopie van de appeldagvaarding d.d. 29 juni 2020 gericht aan het adres [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] ;
(iv) een aan de kopie van de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 8 juli 2020 die onder meer inhoudt dat:
- de verdachte vanaf 26 februari 2019 niet stond ingeschreven in de BRP, zowel zijn adres als het land zijn onbekend;
- de verdachte vanaf 29 augustus 2019 staat ingeschreven in de BRP op het adres [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] ;
(v) een aan de kopie van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die dagvaarding op 2 juli 2020 niet is kunnen worden uitgereikt op het adres [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] omdat de verdachte niet (meer) woont op dat adres, dat bij controle in de GBA is geconstateerd dat de verdachte op de dag van de aanbieding van de appeldagvaarding en vijf dagen daarna stond ingeschreven op het hiervoor vermelde adres, dat de appeldagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat een afschrift van de appeldagvaarding op 8 juli 2020 is verzonden naar voorgenoemd adres;
(vi) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2020 dat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende inhoudt:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
wonende te [postcode] [plaats] , [b-straat 1] ,
is -hoewel behoorlijk gedagvaard- niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert dat de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu deze geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te
zullen doen.
De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(…)
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Aangezien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling
bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof ambtshalve geen redenen ziet de zaak
zelf te onderzoeken, zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk
worden verklaard.
BESLISSING:
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
5. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
  • art. 36e Sv:
  • art. 36g Sv:
  • art. 36n Sv:
6. Ik stel voorop dat art. 36g, eerste lid, aanhef en onder c Sv bepaalt dat de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel een adres kan opgeven waar hij een afschrift van de dagvaarding of oproeping wil ontvangen. Indien geen afschrift is verzonden naar een dergelijk adres en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 36g, derde lid, dient de rechter op grond van art. 36n, derde lid, Sv het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, tenzij zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.
7. De uitdrukkelijke vermelding van het adres [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] in de aan de akte instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep als adres waaraan de dagvaarding in hoger beroep kan worden verzonden, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 36g, eerste lid, aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied.
8. Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het niet verzenden van een afschrift naar eerdergenoemd adres tot nietigheid van de appeldagvaarding moet leiden, kan ik kort zijn. Niet naleving van de verzendplicht overeenkomstig art. 36g Sv leidt namelijk niet zonder meer tot nietigheid van de dagvaarding, maar dient de rechter op grond van art. 36n, derde lid, Sv in beginsel aanleiding te geven de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevelen. Voor het overige stel ik vast dat de appeldagvaarding is uitgereikt en toegezonden op de in art. 36n Sv voorgeschreven wijze. Het oordeel van het hof dat de dagvaarding geldig is betekend, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre.
9. Wel roept de omstandigheid dat geen afschrift is verzonden naar het in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres de vraag op of de verzending van een afschrift op grond van art. 36g, derde lid, Sv achterwege kon blijven. In dat kader merk ik op dat bij de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen [1] op 1 januari 2020 art. 588a (oud) Sv niet ongewijzigd is overgenomen in art. 36g Sv. Een van de wijzigingen betreft het opnemen van een nieuwe grond voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van een dagvaarding of oproeping in art. 36g, derde lid, onder c, Sv.
10. Met betrekking tot art. 588a (oud) Sv vormde de omstandigheid dat de verdachte na zijn adresopgave bij de politie of justitie zijn inschrijving in de GBA had gewijzigd geen uitzondering op de verzendplicht. [2] Het was dan ook vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat uit de omstandigheid dat in het kader van de betekening van de appeldagvaarding bekend was geworden dat de verdachte nadien op een GBA-adres bleek te zijn ingeschreven, niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte het overeenkomstig art. 588a, eerste lid, (oud) Sv opgegeven adres niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenste te ontvangen. [3]
11. Sinds 1 januari 2020 houdt art. 36g, derde lid, aanhef en onder c, Sv in dat verzending van een afschrift achterwege kan blijven indien de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in art. 36g, eerste lid, Sv heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen houdt over deze wijziging het volgende in:
“In het derde lid wordt daarnaast onder c een extra grond opgenomen voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van een dagvaarding of oproeping; op het moment dat iemand nadat hij tijdens zijn strafzaak een adres heeft opgegeven zijn adres in de basisregistratie personen wijzigt, dient van dat officieel geregistreerde adres te kunnen worden uitgegaan.” [4]
Een wijziging van het BRP-adres heeft thans aldus tot gevolg dat adressen die voorafgaand aan die wijziging op de voet van art. 36g, eerste lid, Sv zijn opgegeven in feite komen te vervallen.
12. Een dergelijk geval doet zich in deze zaak voor. Nadat bij het instellen van het hoger beroep op 21 juni 2019 het adres [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] was opgegeven als adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, heeft de verdachte zich immers met ingang van 29 augustus 2019 in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Dat betekende dat verzending van een afschrift van de appeldagvaarding naar het adres [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] op grond van art. 36g, derde lid, aanhef en onder c, Sv kon uitblijven.
13. Het kennelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat geen afschrift is verzonden naar het in de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres geen aanleiding gaf om over te gaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
14. Verder merk ik op dat in een geval als het onderhavige, waarin de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch een raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. [5] Nu de stukken van het geding geen aanwijzingen bevatten voor het tegendeel, heeft het hof er van uit kunnen gaan dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het hof heeft aldus zonder schending van het aanwezigheidsrecht kunnen beslissen de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen en heeft, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, op de voet van art. 416, tweede lid, Sv het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
15. Het middel faalt.
Conclusie
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

3.Zie onder meer HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3623, HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1781, en HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2666.
5.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,