Conclusie
advocaat: J. van Weerden
niet verschenen in cassatie
1.Inleiding
Beperkte mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen tegen rechterlijke beslissingen in het kader van de schuldsaneringsregeling
Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen’) staat geen hogere voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet. [2]
Van surseance van betaling’). Het verbod is ingegeven door de noodzaak om in insolventieprocedures snel duidelijkheid te verkrijgen over de rechtspositie van de schuldenaar. [4] De wet voorziet echter in tamelijk ruime mate in de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen rechterlijke beslissingen die in het kader van de schuldsaneringsregeling worden genomen. [5] Op die manier kunnen schuldeisers en schuldenaren voor hun belangen opkomen. [6]
dus ookcassatieberoep openstaat. Art. 315 Fw Pro bepaalt niets over het openstaan van cassatieberoep. Ook is er geen andere specifieke wettelijke bepaling van toepassing (zoals bijvoorbeeld art. 292 lid 5 Fw Pro en art. 351 lid 5 Fw Pro). Dat betekent dat teruggevallen moet worden op het algemene rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw Pro en er dus geen cassatieberoep kan worden ingesteld tegen een uitspraak in het hoger beroep tegen een beslissing op de voet van art. 317 Fw Pro.
faillissementsboedel en beslissingen over het beheer van een
schuldsaneringsboedel. Bij faillissement staat tegen dergelijke beslissingen op grond van art. 85 Fw Pro géén hoger beroep maar wel cassatieberoep open. Bij toepassing van de schuldsaneringsregeling kan op grond van art. 317 Fw Pro wel hoger beroep worden ingesteld maar geen cassatieberoep. [9]
3.Doorbreking van het rechtsmiddelenverbod
onjuiste toepassingvan een regel is géén grond voor doorbreking. [15] Overigens kan het lastig zijn om onderscheid te maken tussen enerzijds het miskennen van het toepassingsbereik van een regel, en anderzijds het onjuist toepassen van een rechtsregel. [16] De klacht dat de rechter zijn uitspraak niet toereikend heeft gemotiveerd, kan niet dienen als een beroep op een doorbrekingsgrond: het motiveringsbeginsel is geen fundamenteel rechtsbeginsel als bedoeld in de doorbrekingsgronden. [17] Ook het enkele op ontoereikende gronden passeren van een bewijsaanbod [18] of de klacht dat de rechter ten onrechte mondeling uitspraak heeft gedaan [19] kan niet tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod leiden.
Met de hiervoor in 3.6.1-3.6.2 weergegeven klachten wordt kennelijk een beroep gedaan op een grond voor doorbreking van het in art. 282 Fw Pro neergelegde verbod op het instellen van een gewoon rechtsmiddel.”
4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Zoals [de beschermingsbewindvoerder] hierna zal toelichten, heeft de rechtbank ten onrechte, dan wel op onbegrijpelijke althans onvoldoende gemotiveerde wijze overwogen dat [de beschermingsbewindvoerder] in deze zaak niet ex artikel 317 Fw Pro bij de rechtercommissaris is opgekomen tegen een bepaalde handeling of nalaten van de wsnp-bewindvoerder, maar wel, door op te komen tegen twee eerder genomen gelijkluidende beschikkingen van de rechter-commissaris, artikel 317 Fw Pro heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het geschreven is.’’
Indien moet worden aangenomen dat de rechtbank van mening was dat de hier bedoelde verzoeken van [de beschermingsbewindvoerder] niet passen in het bestek van artikel 317 Fw Pro, is die mening rechtens onjuist (…). omdat deze wetsbepaling (…) het doen van dergelijke verzoeken wel degelijk mogelijk maakt en de verzoeken onmiskenbaar de strekking hebben de rechter-commissaris uit dien hoofde aan te zoeken.”
Het beroep is gericht tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2004. Ingevolge art. 426 lid 2 Rv Pro. in samenhang met art. 315 F. liep de cassatietermijn van deze beschikking - daargelaten de vraag of daartegen beroep in cassatie openstond - af op 14 mei 2004.”
Conservatrix-beschikking heeft vastgesteld welke termijn geldt bij een cassatieberoep na het uitspreken van een overdrachtsregeling in de zin van art. 3:159ij Wft (waarvoor de wet geen bijzondere termijn bevat). [31]