Conclusie
NJ2020/171 (
Quitantie)?
Ook ga ik in deze conclusie in op de onderliggende materiële vraag, of inkomen dat de schuldenaar heeft ontvangen vlak voordat hij tot de schuldsanering is toegelaten en dat bestemd is om in de lopende maand de vaste lasten van te betalen en als leefgeld, in de boedel valt of (deels) moet worden vrijgelaten.
1.Feiten
Beheerrekening ING […] met een saldo van € 987,00 per datum uitspraak WSNP. Daags na de uitspraak volgt regulier betaling. Ik stel mij op het standpunt dat saldo alsnog aan de boedelrekening wordt gestort.
R [r-c, A-G]: de boedelachterstand was bij het 2e verslag ongeveer € 1300.
2.Procesverloop
Zoals dat in november 2018 gebruikelijk was binnen de werkwijze van rechtbank Limburg heeft [de bewindvoerder] aan u verzocht in het eerste verslag dat het banksaldo op ingangsdatum WSNP moest worden afgedragen aan de boedel. Het beginsaldo was toen € 987,65. U heeft mij dat op 6 augustus 2019 tijdens de hoorzitting ook meegedeeld. Echter ben ik het daar nog steeds niet mee eens en ik weet dat mijn zienswijze ook juist is. Ik zal u uitleggen waarom.
De brief van de bewindvoerder (…), [7] en uw brief van 17 juli 2020 zijn voorgelegd aan de rechter-commissaris (RC) en de RC handhaaft de genomen beslissing uit 2018.”
4.2 De beschikking van 5 oktober 2020 is de derde en inhoudelijk gelijkluidende beslissing die de rechter-commissaris in deze schuldsaneringsregeling heeft genomen over de vraag of het op 20 november 2018 op de beheerrekening aanwezige saldo naar de boedelrekening moet worden overgemaakt, zoals artikel 295 lid 1 Fw Pro bepaalt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Quitantie-beschikking van de Hoge Raad (zie hierna onder 3.13), dat het de beschermingsbewindvoerder vrijstond om gebruik te maken van de mogelijkheid die art. 317 Fw Pro hem biedt. In de genoemde beschikking heeft de Hoge Raad geen beperkingen gesteld aan het gebruik van art. 317 Fw Pro.
Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen’) zijn gegeven staat geen hogere voorziening open, behalve indien dat anders is bepaald. Van die uitzondering is gebruik gemaakt in art. 315 lid 1 Fw Pro, dat bepaalt dat van alle beschikkingen van de rechter-commissaris gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank openstaat. Art. 315 lid 2 Fw Pro geeft een groot aantal uitzonderingen op deze regel. Zo kan onder meer geen hoger beroep worden ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris overeenkomstig art. 295 lid 3 Fw Pro (de verhoging van het buiten de boedel te laten bedrag als onderdeel van het vrij te laten bedrag, zie hierna onder 4.4).
door het indienen van een verzoek tegen elke handeling van de curator bij de rechter-commissaris opkomen, of van deze een bevel uitlokken, dat de curator een bepaalde handeling verrichte of een voorgenomen handeling nalate.’
Smit/Van der Sijs q.q.-beschikking [17] (die zag op het klachtrecht van art. 69 Fw Pro) oordeelde de Hoge Raad in een beschikking van 30 oktober 2009 dat de schuldenaar op basis van art. 317 Fw Pro onder meer kan klagen over de vaststelling van de hoogte van het op grond van art. 295 lid 2 Fw Pro van rechtswege buiten de boedel vallende bedrag. [18]
Quitantie-beschikking van 17 april 2020 dat belanghebbende op grond van art. 317 Fw Pro de rechter-commissaris kan verzoeken om
een nieuwe beschikkingover de ‘wooncompensatie’ te nemen, ook al had de rechter-commissaris daarover reeds eerder beschikkingen genomen. [19] In dat verzoek kunnen de bezwaren tegen de ‘wooncompensatie’, ook voor zover die al eerder door Quitantie aan de orde zijn gesteld, aan de rechter-commissaris worden voorgelegd, aldus de Hoge Raad. De rechter-commissaris zal daarop dan gemotiveerd dienen te beslissen. Tegen de door de rechter-commissaris op dat verzoek te nemen beslissing staat hoger beroep open, zo werd voorts overwogen.
Quitantie-beschikking volgt dus dat, ook als de rechter-commissaris al eerder een beschikking over een bepaald punt heeft genomen waartegen toen geen rechtsmiddel is aangewend, via de weg van art. 317 Fw Pro het onderwerp
opnieuwaan de orde kan worden gesteld. Engberts karakteriseert het verzoek ex art. 317 Fw Pro in deze situatie dan ook als een verzoek om
herziening. [20]
klacht 2wordt onder meer geklaagd (onder 2.4-2.5) dat de rechtbank heeft miskend dat de beschermingsbewindvoerder bij zijn verzoek van 17 juli 2020 de rechter-commissaris ook heeft verzocht, subsidiair, om de bewindvoerder opdracht te geven de nietigheid in te roepen van de betalingen van de vaste lasten die ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden, alsmede, meer subsidiair, om op het saldo van de beheerrekening de beslagvrije voet toe te passen en dat bedrag buiten de boedel te laten. Op die verzoeken is in het geheel niet beslist, niet in de beschikking van 5 oktober 2020 en niet in eerdere beschikkingen van de rechter-commissaris. Niet te begrijpen is dan ook dat de rechtbank overweegt dat op het verzoek al eerder is beslist in 2018 en dat de beschermingsbewindvoerder met zijn verzoek van 17 juli 2020 art. 317 Fw Pro voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bedoeld.
Inkomen dat schuldenaar vlak voor toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft ontvangen
nadatde lopende maandlasten zijn betaald, is het probleem beperkt; hooguit heeft de schuldenaar dan weinig middelen voor het leefgeld voor het resterende deel van de maand.
voordatde maandlasten zijn betaald, maar ook de periodieke inkomsten nog niet zijn ontvangen. Als lopende de schuldsanering periodieke inkomsten worden ontvangen, heeft de schuldenaar immers recht op het ‘vrij te laten bedrag’, het vtlb (art. 295 lid 1 Fw Pro). Het vtlb is de som van de beslagvrije voet (lid 2) en een nominaal bedrag waarmee de rechter-commissaris de beslagvrije voet kan verhogen (lid 3). [22] Van het vtlb kan de schuldenaar de periodieke lasten betalen.
Schulden die ten laste van die persoon ontstaan na het tijdstip waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, vallen als hoofdregel buiten de werking van de schuldsaneringsregeling. Voor verbintenissen van de schuldenaar die tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling ontstaan, is de boedel ook niet aansprakelijk dan voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat. De hoofdregel dat de boedel voor schulden als bedoeld niet aansprakelijk is, geldtniet alleen voor schulden die voortvloeien uit een na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling gesloten overeenkomst, of uit een vóór dat tijdstip gesloten overeenkomst voor zover die na het van toepassing verklaren van de regeling verder wordt uitgevoerd,maar in beginsel voor alle schulden die ontstaan tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zo zal de schuldenaar bij voorbeeld alimentatie, verschuldigd vanaf meergenoemd tijdstip zelf, dat wil zeggen buiten bezwaar van de boedel moeten voldoen. Hetzelfde geldt voor bij voorbeeld verschuldigde huurpenningen. Mede in verband daarmee wordt, zoals eerder is aangegeven, een bepaald gedeelte van het inkomen van de schuldenaar buiten de boedel gelaten. De schuldenaar kan voor de desbetreffende schulden op de gewone wijze tot betaling worden gedwongen. Verhaalsobjekten daar toe zijn de goederen van de schuldenaar die niet tot de boedel behoren.”
Anders evenwel dan in het geval van faillissement en in de surséance van betaling (art. 238), is de huurprijs die in de schuldsaneringsregeling verschuldigd is vanaf de uitspraak tot de toepassing van die regeling, géén schuld van de boedel. De schuldenaar zal die huurpenningen uit de hem gelaten, niet tot de boedel behorende middelen moeten voldoen. Voor een uitzondering op deze regeling zij verwezen naar artikel 311, derde lid, ten aanzien van de huurpenningen die zijn toe te rekenen aan de voortzetting van een beroep of bedrijf.”
Naar aanleiding daarvan merk ik op dat het systeem van de schuldsaneringsregeling, zoals op een aantal plaatsen in de memorie van toelichting is uiteengezet, als het ware een fixatie van de schulden tot stand brengt ten tijde van de rechterlijke uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit brengt met zich mee dat, kort gezegd, schulden die op dat tijdstip bestaan onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen (vergelijk o.m. artikel 299), maar dat schulden die tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling ontstaan als hoofdregel buiten de werking daarvan vallen. Deze laatste schulden zal de schuldenaar zelf uit eigen middelen moeten voldoen, d.w.z. uit hem daartoe te laten inkomsten die buiten de boedel vallen. Met het oog daarop is ook voorzien in de reeds eerder genoemde mogelijkheid dat de rechter boven het altijd vrij te laten gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar een extra nominaal bedrag kan vaststellen.De schuldenaar zal derhalve de tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling verschuldigd geworden huurpenningen, energielasten, alimentatietermijnen en dergelijke zelf moeten voldoen. Dat zijn in de schuldsaneringsregeling geen schulden van de boedel(vgl. voor alimentatie mede het op blz. 42 van de memorie van toelichting vermelde arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1991, NJ 1991, 630).”
4.7. De rechtbank stelt voorop dat in het aanvangsverslag van WSNP-bewindvoerder [naam bewindvoerder 2] is vermeld dat ‘het bovenmatig saldo op de beheerrekening’ in de boedel zou vloeien.Hieruit volgt reeds dat niet het volledige saldo op de beheerrekening in de boedel zou vloeien, en dat er dus eenmalig een bedrag zou worden vrijgelaten. De beschermingsbewindvoerder en WSNP-bewindvoerder hebben in hun e-mailberichten aangegeven dat het destijds gebruikelijk was om bij aanvang van een schuldsaneringsregeling, een maal een bedrag gelijk aan de bijstandsnorm vrij te laten. De rechter-commissaris heeft daarvan blijkens de beschikking van 11 februari 2020 kennis genomen, en heeft het bestaan van een dergelijk gebruik bij aanvang van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker sub 2] niet weersproken zodat de rechtbank daar vanuit zal gaan. Gelet op dit gebruik en de vermelding in het aanvangsverslag dat enkel het ‘bovenmatig saldo’ op de beheerrekening naar de boedel zou vloeien, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat met het aanvangsverslag is voorgesteld om eenmalig een bedrag gelijk aan de bijstandsnorm buiten de boedel te laten. De rechter-commissaris is daarmee vervolgens blijkens de e-mail van 26 juli 2018 akkoord gegaan, althans heeft zich daartegen niet uitgesproken en heeft daaraan geen voorwaarden verbonden.”
Het hof stelt het volgende voorop. De wetgever heeft aan vorderingen tot periodieke betaling van onder meer loon en uitkeringen een beslagvrije voet verbonden, teneinde te waarborgen dat de beslagene in staat blijft om tenminste nog de kosten van de primaire levensbehoeften te voldoen. Aan een vordering van een beslagene op zijn bankinstelling is geen beslagvrije voet verbonden, zodat bij een bankbeslag in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet. Onder omstandigheden kan echter sprake zijn van misbruik van recht indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft, waaruit zijn primaire levensbehoeften kunnen worden voldaan en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of moest zijn.”
Het feit dat de beslagvrije voet niet geldt bij bankbeslag, is een structureel probleem. Ik zie in mijn praktijk dat het ervoor kan zorgen dat mensen bijvoorbeeld hun huur en energierekeningen niet kunnen betalen. Zij maken nieuwe schulden en komen zo nog verder in de problemen.’ [33]