Conclusie
Nummer20/02847
De middelen
eerste middelklaagt met een beroep op het ondervragingsrecht van art. 6, derde lid onder d, EVRM en de uitspraak van EHRM 19 januari 2021, appl.no. 2205/16 (
Keskin tegen Nederland), dat het hof het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om [aangever] als getuige à charge te horen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het recht van de verdachte op een eerlijk proces heeft geschonden door de doorslaggevende verklaring van de niet effectief ondervraagde getuige voor het bewijs te bezigen, terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid niet is gecompenseerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2019082414-1 van 21 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , inclusief letselfoto’s (doorgenummerde pagina’s 3-4).
3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep luidt als volgt, zakelijk weergegeven:
Vrijspraak
Het is opvallend dat aangever wisselende verklaringen heeft afgelegd. […]
Deze verklaringen zijn niet verenigbaar en verschillen op belangrijke punten. Dat maakt dat zij onvoldoende betrouwbaar zijn om een bewezenverklaring op te baseren.
bijlage II). Gelet op deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dar aangever niet de waarheid heeft verteld bij de politie teneinde zijn kansen in de scheidingsprocedure te vergroten.
Daarnaast geldt dat het letsel, behoudens de kras in de nek, onvoldoende specifiek en onderscheidend is om een bewezenverklaring op te baseren. Het overige letsel kan ook zijn ontstaan door het naar buiten duwen van aangever, maar bevestigt niet dat er is geslagen, gestompt of gekrabd.
Bewijsoverweging
Nadat de aangever de politie opnieuw had gebeld, zag een politieambtenaar in de woning een pan op de grond liggen en een fles op tafel. De aangever huilde en de verbalisant zag dat hij in zijn nek en op zijn bovenlichaam rode vlekken/kneuzingen had, diverse striemen op zijn armen en dat zijn shirt kapot was. De aangever heeft verklaard dat dit letsel is ontstaan doordat de verdachte hem meermalen heeft geslagen, onder meer met een fles en dat zijn echtgenote hem heeft gekrabd en getracht heeft hem uit het raam te duwen.
De verklaring die de verdachte voor de letsels heeft gegeven, onder meer dat zij hem bij zijn shirt heeft gepakt om hem het huis uit te sleuren en deels is veroorzaakt door acné of een andere keer is ontstaan, past niet bij de waargenomen letsels. De diverse letsels en de aard ervan passen evenmin bij het enkel per ongeluk krabben. Het hof acht dan ook wettig én overtuigend bewezen dat de verdachte de opzet had haar man te mishandelen.
Keskin tegen Nederlandeen schending van het ondervragingsrecht. Deze uitspraak is voor de Hoge Raad aanleiding geweest tot het bijstellen van zijn eerdere rechtspraak over het oproepen en horen van getuigen en het gebruik voor het bewijs van verklaringen van getuigen die de verdediging niet behoorlijk en effectief heeft kunnen ondervragen. Over de implicaties van het Straatsburgse
Keskin-arrest voor de Nederlandse strafrechtspraak heeft de Hoge Raad in zijn (post-Keskin)arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: [1]
Implicaties van de uitspraak van het EHRM voor beslissingen op verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen2.8 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 op hoofdlijnen uiteengezet op welke wijze de op grond van het Wetboek van Strafvordering geldende regels over het oproepen dan wel horen van door de verdediging opgegeven getuigen moeten worden uitgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het […] arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 uiteengezet welke eisen gelden met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin geeft aanleiding die eisen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd.
[…]”