Conclusie
1.De feiten
hof). [1]
[verweerster 1]) heeft een camping gehad op (een gedeelte van) het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats 1] , onder de naam [A] . Het campingbedrijf werd uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma, met [verweerster 1] en haar moeder als vennoten. In de praktijk werd de camping gedreven door [verweerster 1] en haar echtgenoot, [erflater] (hierna:
[erflater]).
[eiser]) heeft op de camping enkele jaren een caravan gehad. In augustus 2015 heeft hij die weggedaan en heeft hij, met instemming van [verweerster 1] en [erflater] , op de camping een chalet geplaatst. [eiser] heeft later een aanbouw aan het chalet gebouwd en rondom het chalet bestrating aangelegd.
[verweerster]) conservatoir beslag gelegd op (de woning op) het perceel [a-straat 1] te [plaats 1] .
2.Het procesverloop
[betrokkene 1]) in vrijwaring wordt opgeroepen. [verweerster] stelt, kort gezegd, dat het chalet op last van [betrokkene 1] is weggesleept. [verweerster] vordert in de vrijwaringszaak dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld om aan [verweerster] te betalen al hetgeen waartoe [verweerster] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente, dat voor recht wordt verklaard dat [betrokkene 1] aansprakelijk zal zijn voor de schade die [verweerster] lijdt als gevolg van de executoriale verkoop c.q. uitwinning van het door [eiser] gelegde beslag, dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade aan [verweerster] op te maken bij staat en dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [verweerster] in de vrijwaringszaak. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
rechtbank) van 23 augustus 2017 wijst de rechtbank de incidentele vordering tot oproeping van [betrokkene 1] in vrijwaring toe en wordt [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het incident. [2]
Inhoudelijke beoordeling
waarschuwingsplicht
plicht tot beletten
arrest). [verweerster] is niet verschenen, tegen haar is verstek verleend. [eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Op enig moment daarna nam [betrokkene 1] contact [op] met mij via de telefoon, en hij zei dat het chalet van hem was. Hij had via via achterhaald dat het chalet op onze camping stond. Mijn man had al eerder tegen mij gezegd dat het chalet niet eerlijk was. Vervolgens deed [betrokkene 1] zijn verhaal. Toen dacht ik, als het chalet van [betrokkene 1] is, en hij heeft er bewijs voor, wat staat er dan nog in de weg dat hij hem zou meenemen? Op 20 december 2016 is [betrokkene 1] langs gekomen, mijn man was daarbij aanwezig. [betrokkene 1] heeft toen gezegd dat hij het chalet begin januari op zou halen. Mijn man heeft toen gezegd dat hij [eiser] zou inlichten. Op 28 december heb ik mijn man gevonden, op 3 januari is mijn man begraven. Een dag daarna is het chalet opgehaald. Ik heb toen niet meer gecheckt of [eiser] hier vanaf wist, omdat ik dacht dat mijn man dit aan hem zou vertellen. Bovendien was ik niet zo zakelijk en helder meer als normaal, gezien de omstandigheden. Alles was op zo’n moment teveel.”
zorgverplichting uit (camping)overeenkomst (zie 5.6.2)?”) en rov. 5.11 (“
zorgverplichting uit ongeschreven recht (zie 5.6.3)?”), sluit het hof bij de beoordeling in rov. 5.10 en rov. 5.11 uitdrukkelijk aan bij de stellingen van [eiser] zoals weergegeven in rov. 5.6.2 en rov. 5.6.3. De door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) van [verweerster] jegens hem is in die beide benaderingen (contractueel en buitencontractueel) naar de kern genomen tweeledig. Vanaf het moment van de aankondiging van [betrokkene 1] op 20 december 2016 had [verweerster] volgens [eiser] moeten waarschuwen dat [betrokkene 1] van plan was het chalet te verwijderen, [27] welke plicht geschonden zou zijn (op het moment van de vooraankondiging bestond dus kennelijk ook volgens [eiser] nog geen plicht om te waarschuwen). Op 4 januari 2017 had [verweerster] volgens [eiser] maatregelen moeten nemen om de verwijdering van het chalet te beletten, welke plicht geschonden zou zijn. [28] Het hof duidt eerstgenoemde door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) in rov. 5.11-iv kortweg aan als (schending van) “de waarschuwingsplicht” en de laatstgenoemde door [eiser] gestelde zorgplicht(schending) in rov. 5.11-v als (schending van) de “plicht tot beletten”.
Hof:begin september zei [verweerster 1] tegen u dat het chalet voor 1 oktober 2016 verwijderd moest zijn. Waarom was dat?
Hieruit volgt dat beide campingbeheerders en campingeigenaars-echtelieden [erflater] - [verweerster 1] deze beheerdersplicht hebben, schade voor gasten te voorkomen, opdat de gasten het overeengekomen en betaald gebruik, genot en eigendom van hun kampeermiddelen op de camping behouden.
(…)
Een campingovereenkomst is een soort species van het genus huur, met ook eigensoortige kenmerken: enig beheer / toezicht op / zorg voor eigendommen van de campinggast-huurder wordt in feite aan de campingbeheerder toevertrouwd, m.n. in de tijd, dat de campinggast-huurders niet op de camping zijn, zoals de koude helft van het jaar. Dit omvat naar analogie enige elementen van bewaarneming en zaakwaarneming.”
nevenverbintenis hetzij de inhoud is van één van verschillende
hoofdverbintenissen uit de overeenkomst. In het laatste geval is de overeenkomst een gemengde overeenkomst in de zin van art. 6:215 BW Pro. Dan zijn ook de bepalingen van Titel 7.9 BW op de overeenkomst van toepassing, tenzij de bepalingen voor elk van de soorten van toepasselijke overeenkomsten niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. (…). Meestal komt het aan op uitleg van de rechtsverhouding aan de hand van de haviltex-maatstaf.”
aard van de gedraginglijkt aangeduid, is de
contextwaarin de gedraging plaatsvindt en die voorkomt dat normaal maatschappelijk functioneren dat een ander zeer wel kan schaden onrechtmatig genoemd wordt. Dat met ‘eenvoudige niet kostbare middelen’ het gedrag had kunnen worden voorkomen, betekent niet dat het dus onrechtmatig was. De figuurlijke prijs hiervan zou onevenredig hoog kunnen zijn: geforceerd, onmenselijk gedrag dat bijvoorbeeld het gevolg zou zijn van een aansprakelijkheid bij iedere vorm van hinder of gevaarzetting, belemmering van normale concurrentie et cetera.
Kelderluik-arrest uit 1965, noch op de algemenere variant uit het arrest van de Hoge Raad van 2006. Het subonderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken, anders dan een verwijzing naar de memorie van grieven zijdens [eiser] waarin wordt gesteld dat [eiser] het chalet in 2015 heeft gekocht voor een bedrag van € 25.000,--. [129] In zoverre wordt in cassatie ook voor het eerst een beroep gedaan op het gevaarzettingsleerstuk, hetgeen te laat is.
slachtofferen (ii) een speciale relatie van de waarnemer met de
plaats waar het gevaar zich voordoet.” [cursivering in origineel, A-G] [131] Het subonderdeel lijkt zich te beroepen op zowel een speciale relatie als bedoeld onder (i) als op een speciale relatie als bedoeld onder (ii).
als beheerders van het campingterreinjegens [eiser] hadden op grond van de campingovereenkomst tussen partijen.” [cursivering toegevoegd, A-G] Hieruit volgt m.i. reeds dat het hof de hoedanigheid van [verweerster] als “beheerders van het campingterrein” (waarop het chalet van [eiser] stond) onder ogen heeft gezien. De door [eiser] gestelde zorgplichtschending van [verweerster] jegens hem die wordt weergegeven in rov. 5.6.2 met betrekking tot art. 6:74 BW Pro, die het hof in rov. 5.10 beoordeelt, verschilt in zoverre immers niet van die in rov. 5.6.3 met betrekking tot art. 6:162 BW Pro, die het hof in rov. 5.11 beoordeelt (zie ook onder 3.1 hiervoor).