Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- de gemeente veroordeeld tot vergoeding van voornoemde schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- de gemeente veroordeeld om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis tegen voldoende bewijs van kwijting aan [eiser] een voorschot op de voornoemde schadevergoeding te betalen van € 25.000,–;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover dit de veroordelingen betreft; en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Bij de behandeling van deze onderdelen dient het volgende te worden betrokken.
Dienaangaande heeft de Hoge Raad in het arrest
X/Gemeente Nijmegen [10] zijn eerdere rechtspraak als volgt in kaart gebracht:
Wilnisen
X/Gemeente Nijmegenvolgt dat de vraag of een weg gebrekkig is, wordt beantwoord op basis van de omstandigheden van het geval. [16] Het antwoord is daarmee van feitelijke aard.
Wilnis-arrest in bepaalde gevallen zwaarder dan de plicht van de wegbeheerder om maatregelen treffen. [22]
Met betrekking tot de door hem gestelde oneffenheden in het wegdek heeft [eiser] de volgende stukken overgelegd: (i) foto’s, (ii) de bevindingen van 19 mei 2014 van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), verkeersongevallendeskundige bij MVOA, die door de ouders van [eiser] was ingeschakeld (rov. 6.4.3) en (iii) een verdere analyse/advies van [betrokkene 1] van 28 oktober 2016 met als bijlage enkele pagina’s uit het Handboek visuele inspectie 2011 van CROW [23] (rov. 6.4.5). In laatstgenoemde rechtsoverweging is tevens de visie van [betrokkene 1] uit diens tweede analyse vermeld.
in het algemeen mag worden verwacht dat de oneffenheid (vervorming of discontinuïteit) hinder oplevert voor het verkeer (voetgangers, fietsers).’ Tegenover het door [betrokkene 2] beschreven beperkte effect van de oneffenheden voor verkeer op het fietspad en het aan de foto’s te ontlenen beeld dat het hier gaat om voor een rijwielpad langs een bomenrij niet uitzonderlijke oneffenheden, heeft [eiser] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die zijn stelling, dat het fietspad niet voldeed aan de eisen die hij daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en dat het fietspad daardoor een gevaar opleverde voor weggebruikers, ondersteunen.”
In de bestreden rov. 6.5.2 beoordeelt het hof vervolgens de door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen, te weten de foto’s en analyses van [betrokkene 1] enerzijds en de analyse van [betrokkene 2] anderzijds.
De waardering daarvan betreft een feitelijk oordeel. [32] De klacht over de onjuistheid van het oordeel van het hof stuit daarop af.
Onderdeel 1 faalt dus.
Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof in de eerste plaats onbegrijpelijk omdat uit de conclusies van [betrokkene 1] , onderbouwd met een beroep op de CROW-richtlijnen, concreet volgt dat het risico is verhoogd door de classificatie van de oneffenheden, alsmede dat het risico voorkomen had kunnen worden. Dat klemt volgens het onderdeel temeer daar de CROW-richtlijnen kunnen worden beschouwd als veiligheidsnormen die ten doel hebben het creëren van omstandigheden waardoor de ernst van eventuele ongevallen beperkt blijft. Het onderdeel verwijst met betrekking tot de conclusies van [betrokkene 1] op de volgende stellingen:
De stellingen onder (iii) en (iv) zijn afkomstig van [eiser] , en zien dus niet op de waardering door het hof van de analyse van [betrokkene 1] .
daten
waaromeen stelling een essentiële stelling is. [38]
Deze stelling is door het hof beoordeeld in rov. 6.5.1 e.v. aan de hand van de vraag of het fietspad ten tijde van het ongeval aan de eisen voldeed die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en met inachtneming van de door [eiser] overgelegde foto’s en de door partijen in het geding gebrachte partijdeskundigenrapporten, waarin is ingegaan op de door [betrokkene 1] gemeten hoogteverschillen en afstanden tussen de oneffenheden in het wegdek van het fietspad die zijn veroorzaakt door gegroeide (boom)wortels.
Bij deze stand van zaken behoefde het hof niet expliciet stil te staan bij de getuigenverklaringen op dit punt.
Stelling V: dat [eiser] vrijwel nooit over het fietspad reed, waardoor hij niet op voorhand op de gebreken kon anticiperen en hij nergens werd gewaarschuwd voor de oneffenheden, hierdoor lag het voor hem niet in de rede een hogere mate van oplettendheid en voorzichtigheid dan vereist te betrachten. [46]
Nu de tegen al deze overwegingen en oordelen gerichte klachten niet tot cassatie kunnen leiden (zie hierboven), is het oordeel van het hof in de eerste volzin van rov. 6.5.5 niet onjuist of onbegrijpelijk.
Onderdeel 6 faalt daarmee in zijn geheel.
productie 1). [betrokkene 4] , ook getuige van het ongeval, heeft eveneens schriftelijk verklaard dat het fietspad in deplorabele staat verkeerde
(productie 2). Het fietspad was met andere woorden gebrekkig.”
(productie 3).”
Onderdeel 7 faalt.