Conclusie
Nummer20/01092 P
De procedure
Het middel en het bestreden arrest
21.december 2012
2.juli 2014
Arrest in de strafzaak van het gerechtshof Den Haag: het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard.
10.september 2014
De ontnemingsvordering ter hoogte van € 358.874,- wordt door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig gemaakt.
8.oktober 2014
19.januari 2016
3.november 2016
17.november 2017
De ontnemingsvordering ter hoogte van € 358.874,- wordt opnieuw door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig gemaakt.
13.december 2017
27.maart 2018
” [2]
Nadat de rechtbank Den Haag op 8 oktober 2014 vonnis in de ontnemingszaak heeft gewezen, welk vonnis inhield dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering werd verklaard, heeft de officier van justitie geen hoger beroep tegen dit vonnis ingediend. Daarbij merkt het hof nog op dat het Openbaar Ministerie op dat moment reeds kenbaar had gemaakt zich niet neer te leggen bij de beslissing van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging was verklaard, omdat de advocaat-generaal beroep in cassatie had ingesteld tegen voornoemd arrest in de strafzaak.
De tweejaarstermijn als bedoeld in artikel 511b, eerste lid, Sv eindigde in het onderhavige geval op 21 december 2014 (twee jaar na het vonnis in de strafzaak op 21 december 2012). Het Openbaar Ministerie had in de periode na de uitspraak van de rechtbank in de ontnemingszaak op 8 oktober 2014, en vóór het einde van de bovengenoemde tweejaarstermijn op 21 december 2014, een nieuwe ontnemingsvordering in kunnen dienen en zou dan binnen de tweejaarstermijn zijn gebleven.
Nadat de Hoge Raad op 19 januari 2016 het arrest van het gerechtshof Den Haag in de strafzaak heeft vernietigd en het gerechtshof Amsterdam op 3 november 2016 de veroordeelde alsnog heeft veroordeeld, heeft het Openbaar Ministerie eerst op 17 november 2017, derhalve, ruim een jaar na de uitspraak van gerechtshof Amsterdam, een nieuwe ontnemingsvordering bij de rechtbank Den Haag ingediend.
De twee deelklachten van het middel
Beschouwingen over de tweejaarstermijn van artikel 511b Sv
Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt.”
criminal charge, maar moest worden beschouwd als een onderdeel of aanhangsel (‘sequeel’) van de strafprocedure die het OM door middel van een dagvaarding aanhangig maakt (de ‘hoofdzaak’). Een noodzakelijke voorwaarde voor de oplegging van een ontnemingsmaategel is dat er in de hoofdzaak een veroordeling is uitgesproken. De ontnemingsprocedure eindigt in een afzonderlijke rechterlijke uitspraak, waarbij eventueel een maatregel wordt opgelegd die strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wil er niet van een opnieuw ingestelde vervolging sprake zijn, dan dient evenwel voorafgaand aan de veroordeling te blijken, dat de vervolging daarmee niet volledig ten einde komt, doch dat die ten behoeve van de bevoegdheid tot vordering van de ontnemingsmaatregel nog zal worden voortgezet.” [4] Teneinde aan dit denkbeeld tegemoet te komen bepaalt artikel 311 lid 1 Sv Pro dat het voornemen van het OM tot het aanhangig maken van een vordering tot ontneming tijdig wordt aangekondigd, namelijk uiterlijk bij het requisitoir in eerste aanleg in de hoofdzaak. [5]
criminal charge.
welen (vooral)
nietvoorschrijft.
de uitspraak in eerste aanleg” bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt. Aan de wetsystematiek valt mijns inziens te ontlenen dat met de woorden ‘de uitspraak in eerste aanleg’ wordt bedoeld: een ‘einduitspraak’ in de zin van artikel 138 Sv Pro, gegeven door de rechtbank op een terechtzitting in het kader van de hoofdzaak. Het gaat dus om de door de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging gegeven antwoorden op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. [7] Hoedie einduitspraak luidt, bijvoorbeeld een onbevoegdverklaring van de rechter, een niet-ontvankelijkverklaring van het OM, een vrijspraak, een ontslag van alle rechtsvervolging of een veroordeling, doet – afgaande op de redactie van artikel 511b lid 1 Sv – niet ter zake. Dat is op zichzelf verwonderlijk aangezien artikel 36e lid 1 en lid 3 Sr voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als toepassingsvoorwaarde stellen dat de betrokkene is veroordeeld wegens een strafbaar feit, respectievelijk wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. [8] In die zin maakt de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak dus wel degelijk uit.
veroordelingin eerste aanleg (in de hoofdzaak). Een dergelijke lezing roept echter een vervolgvraag op voor het geval waarin
in eerste aanlegin de hoofdzaak geen veroordeling is uitgesproken. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer pas in hoger beroep een veroordeling volgt. Nog sterker is het geval waarin de hoofdzaak niet eerder eindigt in een veroordeling dan bij het hof waarnaar de Hoge Raad de zaak na cassatie heeft verwezen. Dat zou er dan weer voor pleiten om de woorden ‘de uitspraak in eerste aanleg’ uit te leggen als: de
veroordeling(in de hoofdzaak), dus zonder de aanvullende eis dat het gaat om een veroordeling
in eerste aanleg. Het nadeel van een dergelijke uitleg is echter dat zij de mogelijkheid openlaat dat de betrokkene langdurig in het ongewisse blijft over de vraag of en zo ja wanneer het OM naast de lopende strafvervolging in de hoofdzaak uitvoering zal geven aan zijn voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken bij de rechtbank. Dat miskent ratio I van artikel 511b lid 1 Sv en wijkt bovendien nogal af van de letter van die bepaling.
2.5.1. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de in art. 511b, eerste lid, Sv genoemde termijn een waarborgfunctie heeft ten behoeve van de betrokkene, in die zin dat ook in gevallen waarin een uitvoerig en tijdrovend financieel onderzoek plaatsvindt, aan de betrokkene na verloop van tijd duidelijkheid wordt verschaft of het openbaar ministerie overgaat tot het instellen van een ontnemingsvordering. Tevens draagt het voorschrift van art. 511b, eerste lid, Sv bij aan de behandeling van de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn.
nietwas overschreden. Het hof hoefde zich daardoor niet meer te bekommeren om de vraag naar de sanctionering van een termijnoverschrijding. De Hoge Raad daarentegen zette in zijn arrest allereerst in algemene bewoordingen uiteen dat een overschrijding van de tweejaarstermijn niet zonder uitzondering hoeft te eindigen in de niet-ontvankelijkheid van de betreffende vordering, maar dat het verzuim onder omstandigheden kan worden gerelativeerd. Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat het hof had kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de ontnemingsvordering meer dan twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg opnieuw was aangebracht niet hoefde te leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.
niettot uitdrukking bracht) dat er onder de gegeven omstandigheden geen niet-ontvankelijkheid hoefde te worden verbonden aan de overschrijding van de tweejaarstermijn?
Een bespreking van het middel
tamelijk gratuite” genoemd. Ik noem die overweging onbegrijpelijk. Nog geen maand na de indiening van de (inleidende) ontnemingsvordering werd het OM op 8 oktober 2014 daarin niet-ontvankelijk verklaard. Op zichzelf was dat op goede gronden: aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 36e Sr was niet voldaan. Bij het genoemde arrest in de hoofdzaak van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014 werd de (bij vonnis van 21 december 2012 uitgesproken) veroordeling van de betrokkene immers vernietigd en werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging van de betrokkene. Het is zinloos om een gegronde uitspraak in hoger beroep aan te vechten, en het is zinloos om een ontnemingsvordering opnieuw aan te brengen als het OM – naar de stand van dat moment – wederom (en op dezelfde grond) een niet-ontvankelijkheid te wachten staat. Het recht dwingt niet tot zinloze exercities.
niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij het indienen van een (nieuwe) ontnemingsvordering en daarmee het belang van de veroordeelde en de samenleving bij een behandeling van die vordering binnen een redelijke termijn heeft veronachtzaamd.” Na de veroordeling van de betrokkene door het gerechtshof Amsterdam d.d. 3 november 2016 duurde het namelijk tot 17 november 2017 (ruim een jaar) voordat de ontnemingsvordering opnieuw bij de rechtbank Den Haag aanhangig werd gemaakt.