Conclusie
[verweerder]/[eiser]I) en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, JBPR 2018/3, m.nt. P.M. Vos (
[verweerder]/[eiser] II) over de eigendom van een schilderij van Willem Koekkoek. Partijen zijn heel kort gezegd allebei bedrogen door de voormalige kunsthandelaar [betrokkene 1] [1] met betrekking tot de Koekkoek, toen deze in financiële problemen kwam [2] . Het gaat er in deze derde cassatieprocedure alleen nog om of [verweerder] recht heeft op volledige vergoeding van zijn proceskosten wegens misbruik van procesrecht door [eiser].
“aan u verkocht uit mijn privé collectie een schilderij; Willem Koekoek […] Voor de overeengekomen koopsom van Hfl. 400.000,= […] afgerond in Euro € 181.500,=”
“Ik kan er niet meer om heen, maar ik kan helaas niet de € 181.500,= bij jou afleveren. […] Op 7 augustus is het geld van de Koekkoek naar mij overgemaakt. [De andere verzamelaar] en zijn compaan [verweerder] treffen dus geen enkele blaam. Mede door de inbraak had ik behoorlijke betalingsachterstanden opgelopen […]. Jouw geld heb ik gebruikt om die achterstanden in te lopen […].”
“Vervolgens heeft [eiser] op 20 juli 2002 het schilderij van Willem Koekoek met de titel “Langs het kanaal” weer verkocht en geleverd aan [betrokkene 1], waarbij partijen een koopsom van EUR 181.500,00 zijn overeengekomen, welke koopsom [betrokkene 1] heeft voldaan door levering van zeven schilderijen, waaronder het schilderij van Mesdag met de titel “Avondschemering”. De levering van de schilderijen heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2002 [... ]”.
“De onderhavige zaak [de eigendom van de Koekkoek, A-G] valt buiten de kern van de werkzaamheden van een curator, die immers het actief van de boedel moet liquideren ten gunste van het passief. In dit geval vervul ik een sturende rol met betrekking tot actief dat niet tot de boedel behoort, en ter zake waarvan zich meer dan één eigenaar aandient. Ik vervul deze rol gaarne, en geloof inmiddels ook weer geheel in de zaak van de Koekkoek, maar ik zie mij wel genoodzaakt een forse boedelbijdrage te vragen, nu dit faillissement qua tijdsbesteding aan alle kanten uit de hand loopt en er tot nog toe geen noemenswaardige boedel is.Ik ben bereid de actie inzake de Koekkoek tegen [verweerder] te voeren, en wel tegen betaling van een boedelbijdrage van EUR 15.000,-- vermeerderd met BTW ingeval ik er in slaag de Koekkoek los te krijgen, en EUR 5.000,-- vermeerderd met BTW in geval deze kort geding actie niet slaagt [...].”
“[verweerder] documenten bekend [zijn] geworden waaruit nieuwe feiten/omstandigheden blijken betreffende de door [eiser] in de bij Uw Hof aanhangige procedure [verweerder]/[eiser] gepretendeerde eigendom van het schilderij “Langs het kanaal”. Deze feiten omstandigheden zijn naar de mening van [verweerder] van groot belang voor de bij Uw Hof aanhangige procedure [verweerder]/[eiser]. Deze feiten/omstandigheden waren bij geïntimeerde [eiser] bekend en zijn door of namens hem niet in de procedure [verweerder]/[eiser] naar voren gebracht en konden [verweerder] niet eerder bekend zijn.”
“De ‘nieuwe feiten/omstandigheden’ waarop de wederpartij doelt, staan los van het geschil tussen [eiser] en [verweerder]. Zij zijn niet van belang voor de beslissing van het hof, en zullen ook niet kunnen leiden tot herroeping van het in dezen te wijzen arrest.”Het hof Amsterdam heeft vervolgens op 24 augustus 2006 arrest gewezen en het bestreden vonnis bekrachtigd met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
“tot betaling van de werkelijk gemaakte proceskosten”toegestaan. Over de eigendom van de Koekkoek heeft het hof beslist dat [eiser] de eigendom van de Koekkoek heeft overgedragen aan [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] de Koekkoek heeft overgedragen aan [verweerder], zodat [verweerder] eigenaar is geworden van de Koekkoek. De gevorderde verklaring voor recht is toegewezen. Ook de vordering tot terugbetaling van de proceskosten en tot afgifte van de Koekkoek zijn toegewezen. De gevorderde veroordeling tot betaling van de werkelijke proceskosten is afgewezen.
4. De beoordeling
[eiser] betoogt – in beginsel terecht – dat de factuur geen (dwingend) bewijs van verkoop van de Koekkoek aan [betrokkene 1] oplevert. De rechtsverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] was. volgens [eiser], die van consignatie. De factuur was, volgens [eiser], “
dus irrelevant, want zij gaf een verkeerd beeld van de gang van zaken en kon slechts tot verwarring en complicatie leiden.”Het innemen van dat standpunt was, aldus [eiser], niet onrechtmatig jegens [verweerder] omdat het hier niet ging om een verweer dat gelet op de evidente ongegrondheid ervan achterwege had behoren te blijven.
“De wederpartij zou bekend zijn geworden met ‘nieuwe feiten, omstandigheden’ die een ander licht op de zaak zouden werpen De ‘nieuwe feiten/omstandigheden’ waarop de wederpartij doelt, staan los van het geschil tussen [eiser] en [verweerder]. Zij zijn niet van belang voor de beslissing van hef hof, en zullen ook niet kunnen leiden tot herroeping van het in dezen te wijzen arrest.”De Raad van Discipline heeft dit in de tuchtzaak tegen de advocaat van [eiser] terecht een onheuse argumentatie genoemd met het kennelijke doel om te verhinderen dat de informatie die de advocaten van klager ([verweerder]) in de onderhavige procedure onder de aandacht van het hof wilden brengen, ter kennis van de rechter zouden komen. Dat eerder door [eiser] het standpunt was ingenomen dat hij de Koekkoek had verkocht aan [betrokkene 1], stond uiteraard niet los van het geschil over de eigendom van de Koekkoek tussen [verweerder] en [eiser]. Zeker niet nu – zoals vast staat – [verweerder] de Koekkoek van [betrokkene 1] had verkregen. De advocaat van [eiser] heeft op deze wijze namens hem een standpunt ingenomen waarvan [eiser] – als procespartij – behoorde te weten dat dat onjuist was. Ook dit levert misbruik van procesrecht op dat aan [eiser] moet worden toegerekend.
“in de zaak van de Koekkoek”en dat hij tegen een
“forse boedelbijdrage”bereid was de procedure tegen [verweerder] te voeren (zie onder 3.14) hiervoor.
5. Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel in rov. 4.5 dat sprake is van misbruik van procesrecht door [eiser] nu: (i) [eiser] stellingen heeft ingenomen waarvan hij wist dat die niet beide tegelijkertijd juist konden zijn, door zich tegenover de erven [betrokkene 2] te beroepen op de eigendom van de Mesdag (die hij had ontvangen als onderdeel van de betaling voor de levering van de Koekkoek) en zich tegenover [verweerder] te beroepen op de eigendom van de Koekkoek, en (ii) het [eiser] is tegen te werpen dat hij in deze procedure [verweerder] en de rechter niet op de hoogte heeft gesteld van zijn standpunt in de [betrokkene 2]-procedure.
Onderdeel 2komt op tegen het oordeel in rov. 4.8 dat de fax van 22 augustus 2006 misbruik van procesrecht oplevert dat aan [eiser] moet worden toegerekend.
Onderdeel 3bestrijdt het oordeel in rov. 4.7 dat ook het achterhouden van de factuur van 20 juli 2002 misbruik van procesrecht van [eiser] oplevert.
Onderdeel 4keert zich tegen het oordeel in rov. 4.11 dat het verzwijgen tegenover de Curator dat hij zich in de Van der Pas-procedure beriep op verkoop en levering van de Koekoek aan [betrokkene 1] en diens inmiddels failliete vennootschap in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is geweest tegenover [verweerder], omdat [verweerder] daardoor door de Curator in rechte werd betrokken en dit bijdraagt aan de conclusie dat [eiser] in deze procedure jegens [verweerder] misbruik van procesrecht heeft gemaakt.
Duka/Achmea [5] en over de volgende oordelen/vaststellingen in rov. 4.3:
van wat [eiser] heeft betoogd” [7] . Althans kan het oordeel volgens de klacht zonder nadere (maar niet verschafte) motivering geen betrekking hebben op de gehele [verweerder]-procedure vanaf augustus 2003, maar hooguit vanaf januari 2011 toen Uw Raad in de [betrokkene 2]-procedure uitspraak deed die volgens [eiser] voor een wending heeft gezorgd in de [verweerder]-procedure [8] , althans pas vanaf de eerste verwijzingsprocedure, omdat [eiser] toen pas de relevantie had kunnen beseffen van wat het hof hem in rov. 4.5 als misbruik van recht aanrekent, althans vanaf een ander door Uw Raad in goede justitie te bepalen tijdstip na augustus 2003 [9] .
Voortbordurend op deze (naar ik meen onjuiste) lezing van rov. 4.7 voert procesinleiding in cassatie onder 13 aan dat dit betekent:
“ófwel-interpretaties”van rov. 4.7 verenigbaar zouden zijn met rov. 4.5:
niet op de hoogte heeft gesteld van zijn tegenstrijdige standpuntin de [betrokkene 2]-procedure, terwijl hij wist althans behoorde te weten dat zijn standpunten in deze procedures niet beide tegelijkertijd juist konden zijn. Dat op de hoogte stellen had volgens het hof in de gegeven omstandigheden bijvoorbeeld gekund via het innemen van primaire en subsidiaire posities en dat had ook gemoeten, omdat anders [eiser] zou beweren dat hij zowel het schilderij als de koopprijs daarvoor zou moeten ontvangen en hij zonder meer had behoren te begrijpen dat dat geen pas heeft. Daarbij houden we voor ogen dat het oordeel uit rov. 4.3 en 4.5 dát deze standpunten in beide procedures niet verenigbaar zijn, in cassatie niet wordt bestreden [10] .
achterhouden van de factuurvan 20 juli 2002 door [eiser] in onze zaak. In rov. 4.7 gaat het hof in op verweer van [eiser] zoals weergegeven in rov. 4.6 dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] die van consignatie was en de betreffende factuur “dus” irrelevant, omdat zij een verkeerd beeld gaf van de gang van zaken en slechts tot verwarring en complicaties kon leiden en dat het innemen van dat standpunt in onze zaak jegens [verweerder] niet onrechtmatig was. Het hof verwerpt dit op de grond dat [eiser] door zijn oneerlijke proceshouding in deze procedure heeft belet dat feiten aan het licht kwamen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Daartoe stelt het hof in de tweede en derde volzin van rov. 4.7 voorop dat – zoals [eiser] in zoverre terecht had aangevoerd – het innemen van het standpunt dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] moet worden geduid als consignatie op zichzelf niet onrechtmatig is en datzelfde geldt voor het standpunt dat de factuur zo uitgelegd moet worden, dat daaruit niet blijkt van koop. Maar omdat [eiser] in de [betrokkene 2]-procedure zich nu juist wél beriep op verkoop aan [betrokkene 1] en hij zich in dat verband expliciet op dezelfde factuur heeft beroepen en dat bovendien ook nog als getuige onder ede heeft volgehouden, stond het hem niet vrij deze factuur in onze zaak achter te houden.
op zichzelfniet onrechtmatig zou zijn geweest om in onze zaak de stelling te betrekken - mede aan de hand van de factuur van 20 juli 2002 - dat in de verhouding [eiser] - [betrokkene 1] sprake was van consignatie en geen verkoop aan [betrokkene 1], zoals [eiser] eerder in de [betrokkene 2]-procedure had betoogd aan de hand van dezelfde factuur en ook als getuige onder ede in hoger beroep had volgehouden,
indien en voor zover[eiser] hierover jegens zijn wederpartij [verweerder] en de rechter in onze zaak maar open kaart had gespeeld [11] (rov. 4.5) en hij de betreffende factuur in onze zaak maar niet had achtergehouden (rov. 4.7). Aan die voorwaarden heeft [eiser] niet voldaan en dat levert misbruik van procesrecht op volgens het hof. Nu van tegenstrijdigheid tussen rov. 4.5 en 4.7 geen sprake is, loopt onderdeel 1 daar al op stuk en daar zou ik het bij kunnen laten.
niet relevantzou zijn dat [eiser] de wederpartij en de rechter (en ook de Curator) niet op de hoogte heeft gesteld van zijn tegenstrijdige standpunt in de [betrokkene 2]-procedure [12] , of dat de advocaat van [eiser] in de fax van 22 augustus 2006 schreef dat de feiten in de [betrokkene 2]-procedure niet relevant zijn voor onze zaak, of dat [eiser] de factuur van 20 juli 2002 heeft achtergehouden. Uit rov. 4.7 zou volgens [eiser] namelijk volgen dat [eiser] in het hypothetische geval van het wel verwittigen van betrokkenen van het tegenstrijdige standpunt in de andere zaak, zonder misbruik van procesrecht had kunnen betogen dat en waarom zijn eerdere standpunt in de andere procedure onjuist was. Vervolgens zouden wederpartij [verweerder] en de rechter in onze zaak (en ook de Curator) van zijn gewijzigde standpunt moeten uitgaan en dan zou [verweerder] ook geen relevant argument kunnen ontlenen aan het inmiddels gewijzigde standpunt van [eiser] in de [betrokkene 2]-procedure.
mogelijkemanier waarop [eiser] de rechter en de wederpartij van zijn standpunt in de [betrokkene 2]-procedure op de hoogte had kunnen stellen. Ook die klacht faalt zodoende.
vanaf de aanvangvan de onderhavige procedure op de hoogte had moeten stellen van zijn eerdere standpunt in de [betrokkene 2]-procedure en dat het niet transparant zijn op dit punt door [eiser] van aanvang af in onze zaak misbruik van recht oplevert. Dat is ook zonder nadere motivering goed te volgen [14] en komt in wezen neer op het verwijt dat [eiser] hiermee van twee walletjes heeft willen eten. Ook in zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden.
eerste klachtberust op de lezing dat het oordeel zo moet worden begrepen dat het aan [eiser] verweten standpunt over de overlegging van het procesdossier [betrokkene 2] (mede) is gebaseerd op de tuchtuitspraak van de Raad van Discipline. Volgens de klacht kan dat dan geen stand houden, omdat het Hof van Discipline in hoger beroep [17] die uitspraak van de Raad heeft vernietigd en [verweerder] niet-ontvankelijk heeft verklaard [18] . Het oordeel van de Raad van Discipline mag daarom in onze zaak volgens [eiser] geen argument zijn, ook niet in de vorm van instemming van het hof ermee. Het oordeel van de Raad van Discipline kan derhalve de beslissing van het hof dat [eiser] misbruik van procesrecht heeft gepleegd, niet (mede) dragen.
“terecht”en de daarop volgende eigen motivering van het hof) volgt namelijk dat het hof (ook)
zelfstandigtot de kwalificaties “onheuse argumentatie
”en misbruik van procesrecht is gekomen [19] .
tweede klachtstaat in de sleutel van die volgens mij juiste lezing, dus dat het hof inderdaad ook los van het tuchtoordeel tot de kwalificaties “onheuse argumentatie” en misbruik van procesrecht is gekomen, en richt daar dan een motiveringsklacht tegen langs de lijnen van de motiveringsklacht uit onderdeel 1. Het oordeel zou dan eveneens ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van wat het hof in rov. 4.7 als niet onrechtmatig zou hebben aanvaard en
“van wat [eiser] heeft betoogd” [20] en rov. 4.8 zou op eenzelfde wijze als rov. 4.5 niet verenigbaar zijn met de hiervoor in 2.6 weergegeven “ófwel-interpretaties” van rov. 4.7. Althans zou het bestreden oordeel zonder nadere, maar ontbrekende, motivering geen betrekking kunnen hebben op de gehele [verweerder]-procedure vanaf augustus 2003, maar hooguit vanaf het tijdstip dat [verweerder] overlegging van het [betrokkene 2]-dossier heeft gevorderd en gekregen (januari 2013), dan wel vanaf januari 2011 (de uitspraak van de Hoge Raad in de [betrokkene 2]-procedure die volgens de klacht voor een wending heeft gezorgd in onze zaak), althans vanaf een ander door Uw Raad in goede justitie te bepalen tijdstip na augustus 2003.
latereaanvangsdatum van misbruik van procesrecht door [eiser] bepleit. De klacht mist verder feitelijke grondslag waar het rov. 4.8 zo leest dat het daar bedoelde misbruik van procesrecht dat aan [eiser] moet worden toegerekend ziet op de gehele [verweerder]-procedure vanaf augustus 2003. Een basis voor die uitleg van rov. 4.8 ontbreekt.
Althans is dit oordeel volgens [eiser]
“met de in het geheel niet duidelijke verwijzing naar “onder deze omstandigheden” - welke zijn dat? -”ontoereikend gemotiveerd, ook wat betreft het ingangstijdstip van het misbruik.
“van wat [eiser] heeft betoogd” [24] en wat het hof in rov. 4.7 als niet onrechtmatig zou hebben aanvaard. Althans en in ieder geval kan het oordeel zonder nadere, maar ontbrekende, motivering geen betrekking kan hebben op de gehele [verweerder]-procedure vanaf augustus 2003, maar hooguit pas vanaf januari 2011 toen Uw Raad uitspraak deed in de [betrokkene 2]-procedure die voor een wending zou hebben gezorgd in onze zaak, althans pas vanaf de eerste verwijzingsprocedure, omdat [eiser] toen pas de relevantie had kunnen beseffen van wat het hof hem in rov. 4.7 als misbruik van recht aanrekent, althans vanaf een ander door Uw Raad in goede justitie te bepalen tijdstip na augustus 2003 [25] .
“(…) eens te meer niet omdat [eiser] in een andere procedure wel stelde dat er sprake was van verkoop en hij zich in dat verband juist expliciet op deze factuur had beroepen, ook als getuige onder ede in hoger beroep.”) [27] volgt dat [eiser] zijn verzwegen standpunt uit de [betrokkene 2]-procedure mede heeft gegrond op de factuur van 20 juli 2002. Het achterhouden van die factuur maakt in zoverre dan ook onderdeel uit van het geen open kaart spelen van zijn afwijkende positie in de [betrokkene 2]-procedure. De daaruit voortvloeiende schade dient [eiser] al op grond van deze zelfstandig dragende grond uit rov. 4.5 aan [verweerder] te vergoeden.
Deze missen feitelijke grondslag voor zover wordt verondersteld dat het hof voor zijn oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht voldoende zou hebben geoordeeld dat art. 21 Rv Pro is geschonden. Uit de laatste volzin van rov. 4.7 volgt dat is geoordeeld hofoordeel dat sprake is van schending van art. 21 Rv Pro én (dat dat in de gegeven omstandigheden van dit geval) misbruik van procesrecht (oplevert).
“wat het hof zelf in rov. 4.7 als verdedigbare standpunten van [eiser] heeft erkend (die volgens de klacht dus geen misbruik van recht kunnen opleveren)”en wat [eiser] heeft aangevoerd [31] . De conclusie van het hof in rov. 4.11, dat [eiser] daardoor jegens [verweerder] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, kan volgens het onderdeel dan ook geen stand houden. Deze algemene klacht worden in de toelichting uitgewerkt en gespecificeerd (procesinleiding in cassatie onder 19-25).
voor hemtegen [verweerder] zou gaan procederen – de Curator niet heeft meegedeeld dat hij zich (tegelijkertijd tegenover de erven [betrokkene 2]) beriep op verkoop en levering van dat schilderij aan [betrokkene 1] en diens inmiddels failliete B.V. en hij zich in dat verband expliciet op de factuur van 20 juli 2002 had beroepen, ook als getuige onder ede in hoger beroep [33] ), waaruit juist volgt dat [eiser] geen eigenaar was van de Koekoek. Dat zwijgen is in de gegeven omstandigheden – waaronder de (als zodanig niet bestreden) omstandigheid dat [eiser] tegenover de Curator juist expliciet het standpunt had ingenomen dat de factuur van 20 juli 2020 niet zo moest worden uitgelegd dat de Koekkoek aan [betrokkene 1]/de boedel toekwam (maar aan [eiser]) – onrechtmatig geweest tegenover [verweerder], omdat die als gevolg daarvan door de Curator in rechte werd betrokken. [eiser] had daarom volgens het hof ook hier open kaart moeten spelen over het daarmee onverenigbare standpunt dat hij in de [betrokkene 2]-procedure innam. Het hof geeft hiermee impliciet te kennen dat wanneer [eiser] wel aan de Curator had medegedeeld dat hij zich tegelijkertijd in de [betrokkene 2]-procedure op het standpunt stelde dat hij in juni 2002 de Koekoek heeft terugverkocht aan [betrokkene 1], de Curator niet voor [eiser] tegen [verweerder] zou zijn gaan procederen – ook niet indien juist zou zijn dat de Curator
“(….) op basis van zijn eigen analyse van de overeenkomsten van 26 juni 2002 en 20 juli 2002 tussen [eiser] en [betrokkene 1], en van de verdelingsovereenkomst van 23 juni 2002 tussen [betrokkene 1] en [verweerder] – mede na bij derden ingewonnen advies – tot de overtuiging[was]
gekomen dat de Koekkoek aan [eiser] toebehoorde en niet aan [verweerder].” [34] . Dit kennelijke aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere motivering voldoende begrijpelijk, mede gelet op het feit dat het
“bij derden ingewonnen advies”de facto een in
opdracht van [eiser]verstrekt advies is dat vervolgens door [eiser] aan de Curator is doorgestuurd [35] , zonder daarbij te melden dat [eiser] in de [betrokkene 2]-procedure zelf tegelijkertijd een diametraal tegenovergesteld standpunt innam.
voor [eiser]tegen [verweerder] zijn gaan procederen. Dat is dragend voor het onrechtmatigheidsoordeel in rov. 4.11 en al besproken is dat dit in mijn ogen voldoende begrijpelijk is te achten.
condicio sine quo non-verband [36] tussen het in rov. 4.11 bedoelde onrechtmatig handelen van [eiser] en de schade van [verweerder] als gevolg van de onderhavige procedure. Het hof geeft alleen als zijn oordeel te kennen dat de verzwijging van [eiser] tegenover de Curator heeft bijgedragen aan het oordeel dat [eiser] in de onderhavige zaak misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Daartoe is ook de slotzin van rov. 4.15 illustratief: “
Het verweer dat er geen causaal verband bestaat tussen alle juridische kosten en het onrechtmatig handelen van [eiser] kan in de schadestaat aan de orde komen.”).