Conclusie
1.Inleiding
Rechtbank en hof volgen een deskundigenrapport, waarin de deskundige de in verband met plasvorming noodzakelijk geachte herstelwerkzaamheden heeft begroot op een bedrag van € 33.535,--. De Hoge Raad vernietigt het arrest, omdat onbegrijpelijk is op welke grond het hof is voorbijgegaan aan het verweer dat de plasvorming zich buiten het door de aannemer bestrate gebied heeft voltrokken.
Het verwijzingshof constateert vervolgens dat op een enkel punt onduidelijkheid is ontstaan over de reikwijdte en betekenis van het deskundigenrapport en acht een nadere toelichting door de deskundige op de voet van art. 194 lid 5 Rv Pro noodzakelijk. Het verwijzingshof leidt uit het deskundigenrapport en de toelichting daarop af dat de oorzaken van de plasvorming zich ten dele hebben voorgedaan op terrein waar de aannemer heeft gewerkt en ten dele op terrein waar de aannemer niet heeft gewerkt. Voor zover de oorzaken van de plasvorming geen verband houden met de aan de aannemer opgedragen werkzaamheden kan van schending van de waarschuwingsplicht of een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst geen sprake zijn. De deskundige heeft na verwijzing de kosten voor het opnieuw herstraten van het gedeelte van het terrein waar de aannemer moest herstraten, zodanig dat de waterafvoer voldoende is, begroot op € 13.735,--. Het verwijzingshof komt tot het oordeel dat € 13.735,-- (in plaats van € 33.535,--) aan herstelkosten in mindering moet worden gebracht op de aanneemsom.
Dat zou betekenen dat de opdrachtgever nog een deel van het onbetaald gelaten bedrag zou moeten betalen. Het verwijzingshof ziet aanleiding om overige kwesties die nog tussen partijen in geschil zijn aan de orde te stellen. Een van deze kwesties is dat de opdrachtgever ook ongeschiktheid van het straatwerk voor zwaar wegverkeer als tekortkoming heeft gesteld. De deskundige heeft de kosten van herstel van het straatwerk op een wijze dat dit wel geschikt is voor zwaar wegverkeer begroot op € 32.108,--. Het verwijzingshof overweegt dat de aannemer haar waarschuwingsplicht op dit punt heeft geschonden, dat op dit punt sprake is van een tekortkoming en dat ook het bedrag van € 32.108,-- in mindering komt op de nog resterende aanneemsom, waaruit volgt dat de opdrachtgever niets meer verschuldigd is en overige geschilpunten geen beoordeling meer behoeven.
Het cassatieberoep tegen het arrest van het verwijzingshof treft m.i. geen doel.
2.Feiten
Platon) een overeenkomst [2] tot stand gekomen tot uitvoering door Platon van bestratingswerkzaamheden op het bedrijfsterrein van [verweerster] aan de [a-straat] te [plaats] .
€ 218.455,50 (€ 170.500,-- + € 47.955,50 meerwerk), te verminderen met een reeds gefactureerd en betaald bedrag van € 185.000,--, resulterend in een nog te betalen bedrag van € 39.812,05 (€ 33.455,50 + € 6.356,55 btw).
3.Procesverloop
rechtbank) heeft bij tussenvonnis van 19 juni 2013 onder meer overwogen:
deskundige).
verwijzingshof) voor verdere behandeling en beslissing.
Het verwijzingshof gaat in dat tussenarrest in op de ingevolge het arrest van de Hoge Raad “nader te beoordelen vraag of de plasvorming aan de westelijke zijde van het perceel al dan niet aan een tekortkoming van Platon in de nakoming van de tussen [verweerster] en haar gesloten aannemingsovereenkomst is te wijten” en het verwijzingshof overweegt voorts dat “[v]oor zover het antwoord op die vraag consequenties heeft voor andere rechtsoverwegingen in het vernietigde arrest of door de devolutieve werking van het appel tot bespreking van in eerste aanleg buiten beschouwing gebleven en in hoger beroep gehandhaafde stellingen leidt, het hof ook daarop [zal] ingaan.” (r.o. 3.2.6)
In dit tussenarrest geeft het verwijzingshof vervolgens de volgende verdere beoordeling van het hoger beroep:
- het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, ro. 5.12 tot en met 5.14 (ECLI:NL:GHARL:2018:1424);
- de conclusie van de Advocaat-Generaal in de procedure bij de Hoge Raad, onder 3.10 tot en met 3.14 (ECLI:NL:PHR:2019:632);
- het arrest van de Hoge Raad, ro. 3.3.2 (ECLI:NL:HR:2019:928).
- Op een enkel punt is onduidelijkheid ontstaan over de reikwijdte en betekenis van het rapport van de deskundige.
- drie weken voor de comparitie: de deskundige stuurt het hof en partijen een korte aantekening (ongeveer één bladzijde) met zijn nadere toelichting (hij hoort partijen in dit stadium niet en maakt geen rapportage op),
- de deskundige voegt bij zijn korte aantekening een plattegrond ter illustratie met cirkels of andere figuren die de relevante plaatsen aangeven (vragen 1 (a)-(c) hiervoor),
- een week voor de comparitie: partijen dienen een korte reactie (ongeveer één bladzijde) in,
- hof hoort de deskundige en partijen tijdens een enkelvoudige comparitie […].
- de kolk: € 250,=,
- de trottoirbanden: € 622,=,
- revisietekeningen: € 2.223,=,
- de ontbinding van de overeenkomst,
- waardevermindering voor dellen en onregelmatigheden in het straatwerk (grief 1 incidenteel appel),
- geschiktheid voor zwaar wegverkeer (grief 2 in incidenteel appel),
- de vordering van [eiseres] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.”
9.3.4. Hieraan doet niet af dat de deskundige in zijn rapport ook heeft overwogen dat de geschiktheid van het terrein voor zwaar wegverkeer een gevoelsmatige inschatting blijft (rapport, blz 10, antwoord 3c). Deze opmerking van de deskundige heeft betrekking op drie omstandigheden:
€ 10.155,00
4.Bespreking van het cassatiemiddel
In het principale cassatieberoep
de begroting van de waardevermindering c.q. de herstelkosten in r.o. 5.20 t/m 5.22, (v) het oordeel dat de gebreken (parti[ë]le) ontbinding rechtvaardigen in r.o. 5.23, (vi) het oordeel dat sprake is van verzuim in r.o. 5.25, (vii) de slotconclusies in r.o. 6 en 7 en (viii) het dictum.” [13]
in randnummer 6. van de procesinleidingvolgens mij moet slagen, slaagt deze klacht ook met betrekking tot de oordelen van het hof over wanprestatie door plasvorming (rov. 5.12-5.19),
de begroting van de waardevermindering (rov. 5.20-5.22), de gebreken die een (partiële) ontbinding rechtvaardigen (rov. 5.23), het verzuim (rov. 5.25), de nadere beoordeling in het incidenteel hoger beroep (rov. 6), de slotsom (rov. 7) en het dictum.” [14]
begroting van de waardevermindering5.20 Bij de begroting van de herstelkosten heeft de deskundige blijkens de tekst van het rapport (p. 14 bovenaan) rekening gehouden met het herstraten van een terreingedeelte aan de noord/westzijde en het aanbrengen van een molgoot. Deelraming 4, onderdeel van bijlage 7 bij het rapport, bevat een nadere specificatie van de werkzaamheden en de voor elk onderdeel daarvan begrote kosten.
herstrateninhoudt dat er wordt bestraat op bestaande fundering, en dat zij daarom jegens [verweerster] niet verplicht was om ter plaatse van de plasvorming onder het terrein nieuwe fundering aan te brengen. De deskundige spreekt ook van herstraten, maar volgens [eiseres] heeft de deskundige daarbij wel rekening gehouden met (de kosten van) het aanleggen van fundering.
5.21 De belastbaarheidseisen die [verweerster] volgens de overeenkomst mag stellen aan de door Platon te leggen bestrating staan in het contract van 12 september 2011 niet genoemd. Het gaat hier wederom om uitleg van de overeenkomst, wat aan de hand van het Haviltex-criterium moet gebeuren en waarbij de tekst alleen niet zonder meer bepalend is. Nu duidelijk is dat het gedeelte van het terrein aan de westzijde, waar de bovenmatige plasvorming zich voordeed, wordt gebruikt door vrachtwagens (de laadplatforms bevinden zich daar, zodat daar met vrachtwagens wordt gemanoeuvreerd), mocht [verweerster] aan het straatwerk de eis stellen dat dit gebruik niet tot beschadiging van het straatwerk zou leiden. [verweerster] heeft gesteld dat het verschil tussen bestraten en herstraten haar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet duidelijk was en Platon noch [eiseres] heeft toegelicht waaruit blijkt dat zij er destijds van uit mocht gaan dat [verweerster] , die immers een logistiek centrum drijft en geen bouwonderneming, dit wel wist. Partijen hebben ook onderscheid gemaakt tussen de eisen die [verweerster] mocht stellen aan de parkeerplaats (waar vrachtwagens niet kunnen komen) en het rijspoor, waarover vrachtwagens naar en van de laadplatforms rijden. In het contract (voorlaatste bullet op pagina 2) is met
het logistieke procesverwezen naar het gebruik dat [verweerster] van het terrein maakt door daar vrachtwagens de laten komen en gaan. Ondanks het feit dat het daarbij kennelijk gaat om overlast tijdens de uitvoering van het werk en ondanks het feit dat het contract geen nadere mededelingen inhoudt over de kwaliteit van het straatwerk, mocht [verweerster] in het licht van deze feitelijke omstandigheden redelijkerwijs verwachten dat het rijspoor na het door Platon te leveren straatwerk voor gebruik door (op bepaalde plaatsen manoeuvrerende) vrachtwagens geschikt zou zijn. Onweersproken is dat het daarbij ook om zwaar vrachtverkeer gaat, zoals bedoeld door de deskundige in diens antwoord op vraag 3b (2e bullet). Zie in dit verband ook het antwoord van de deskundige op vraag 3a (2e bullet).
Platon is gelet op artikel 7:760 lid 2 BW Pro niet aansprakelijk voor gevolgen van een eventueel gebrek in de fundering, maar [eiseres] heeft niet aangevoerd dat Platon niet op de hoogte was, noch had moeten zijn van een funderingsgebrek (indien daarvan al sprake was). Zij miskent dat Platon, als professioneel bestrater, [verweerster] voor een dergelijke ongeschiktheid had moeten waarschuwen (zie artikel 7:754 BW Pro).
5.22 Op grond van het vorenstaande gaat het hof er bij gebreke van een nadere toelichting van de zijde van [eiseres] vanuit dat de deskundige in zijn begroting van de kosten van herstel van de bovenmatige plasvorming terecht rekening heeft gehouden met het ontgraven tot een diepte van 48 cm en het vullen met menggranulaat. Dat partijen met elkaar voor het herstraten een lagere prijs hebben afgesproken doet hieraan niet af, alleen al omdat het hier gaat om de herstelkosten.”
[vet- en cursief gedrukt in origineel, A-G]
waarschuwingsplicht) van het arrest van 13 februari 2018, welke in cassatie overigens niet zijn bestreden.” [mijn onderstreping, A-G] Het verwijzingshof doelt hier op de waarschuwingsplicht van art. 7:754 BW Pro, waarover het hof Arnhem-Leeuwarden in r.o. 5.21 van zijn arrest van 13 februari 2018 (hiervoor geciteerd), kort gezegd, heeft geoordeeld dat Platon, als professioneel bestrater, [verweerster] had moeten waarschuwen voor ongeschiktheid van het straatwerk voor zwaar wegverkeer. Dat oordeel is in zoverre in het eerste cassatieberoep inderdaad niet bestreden. Het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden in r.o. 5.21 van zijn arrest van 13 februari 2018 heeft ook niet alleen betrekking op de westzijde van het terrein (waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het onbegrijpelijk is op welke grond het hof is voorbijgegaan aan het verweer van [eiseres] dat de plasvorming zich buiten het door Platon bestrate gebied heeft voltrokken), maar ook op “het rijspoor, waarover vrachtwagens naar en van de laadplatforms rijden” (welk rijspoor wel deel uitmaakt van terrein waar Platon bestratingswerkzaamheden heeft verricht).
de reacties van partijen daarop, overweegt het hof als volgt.” [mijn onderstreping, A-G] Onder de reacties van partijen heeft het verwijzingshof m.i. ook de desbetreffende conclusie na deskundigenbericht, met producties, begrepen.
Van miskenning van de regel uit HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279 is geen sprake. [17] In de alternatieve oplossing van [eiseres] wordt immers, gelet op r.o. 9.2.6 met verwijzing naar r.o. 5.20-5.22 (waarschuwingsplicht) van het arrest van 18 februari 2018, bij de begroting van de kosten van herstel van de bovenmatige plasvorming geen rekening gehouden met het ontgraven en vullen met menggranulaat in verband met de geschiktheid voor zwaar wegverkeer. De alternatieve oplossing van [eiseres] was in zoverre niet relevant en er bestond dan ook geen aanleiding voor het verwijzingshof om op dit punt van de conclusies van de deskundige inzake de noodzakelijke herstelmaatregelen en de kosten daarvan af te wijken. De reden daarvoor heeft het hof in r.o. 9.2.6 onder verwijzing naar r.o. 5.20-5.22 (waarschuwingsplicht) van het arrest van 13 februari 2018, dan ook afdoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
In r.o. 4.12 van het tussenvonnis van 19 juni 2013 heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende overwogen:
[…]
[H]et bedrag dat [verweerster] volgens de deskundige alsnog aan een derde kwijt […] zal zijn om een deugdelijk parkeerterrein te verkrijgen [zal] X worden genoemd. De totale betalingsverplichting die [verweerster] dan jegens Platon heeft is € 207.838,00 - X. Dat bedrag is gelijk aan de waarde van de door Platon geleverde prestatie. Deze waarde zal hierna Y worden genoemd. Indien Y, dus de waarde van het tot nu toe geleverde werk, meer is dan het reeds betaalde € 185.000,00 dient [verweerster] het verschil tussen Y en € 185.000,00 aan Platon te betalen. […] Indien de waarde van het geleverde werk (Y) minder is dan € 185.000,00, dient Platon daarentegen het verschil, te weten € 185.000,00 - Y, aan [verweerster] terug te betalen […]”
De voortbouwklacht uit het subonderdeel treft, gelet op het voorgaande, evenmin doel.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel stelt verder nog (onder 9) dat het verwijzingshof ongemotiveerd voorbijgaat aan de, als essentieel aangemerkte, stelling van [eiseres] dat de deskundige niet heeft gemotiveerd waar hij zijn oordeel op baseert dat sprake is van onvoldoende afschot naar de kolk op de noordwesthoek mede in het licht van de contractuele norm van een afschot van 2%. [22]
veroorzaakt”. [mijn onderstreping, A-G]
Uit het proces-verbaal van comparitie van partijen van 24 juni 2021, tevens deskundigenverhoor blijkt dat de deskundige als volgt op deze vraag van [eiseres] heeft gereageerd (p. 2):
vergroot.”
niet, zoals tijdens de zitting aangegeven,
geheel worden opgelostdoor alleen de kolk in de noordwest hoek te verlagen.”
niet geheelkan worden opgelost door alleen de hoek [bedoeld zal zijn: kolk, A-G] in de noordwesthoek te verlagen. Dit antwoord is onbegrijpelijk gelet op zijn uitlating ter zitting dat putophoging het probleem vergroot heeft. Bovendien ontbreekt elke motivering waarom het probleem niet op deze wijze of op een andere manier kan worden opgelost en waarom niet volledig. Het deskundigenbericht voldoet op dit punt niet aan de daaraan te mogen stellen eisen. [24] Daar komt bij dat op het roze deel van de noordwesthoek niet is gewerkt.”
[cursivering in origineel, de voetnoten zijn in het origineel genummerd als 1 en 2, A-G]
vergrootdoor verhoging van de kolk en kan – omgekeerd –
niet geheelworden opgelost door verlaging van desbetreffende kolk. Dat de plasvorming niet geheel kan worden opgelost door verlaging van de desbetreffende kolk strookt overigens ook met de door de deskundige en het verwijzingshof noodzakelijk geachte fundering met een laag menggranulaat (zie onder 4.5-4.6 hiervoor).
Hierop strandt de eerste klacht van het subonderdeel.
Productie 2). Het door Platon geleverde werk was goed. De plasvorming is een gevolg van de eigen keuze van [verweerster] .”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Hierop strandt ook de laatste klacht van het subonderdeel. Het onderdeel is ongegrond.
noordwesthoekvan het terrein is vermeld in het opnameverslag van 23 december 2011. Het onderdeel stelt (onder 11) dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat na verwijzing niet deze tekortkoming in het geding is, maar de plasvorming aan de
westzijde. [25] Het subonderdeel stelt voorts (onder 12) dat zonder nadere motivering niet valt te begrijpen waarom het verwijzingshof de locatie waar de plasvorming zich volgens de deskundige voordoet, aanmerkt als de noordwesthoek. [26] Het hof had volgens het onderdeel moeten beoordelen of in het opnameverslag melding is gemaakt van plasvorming aan de westzijde. Mocht het hof hebben gemeend dat met de noordwesthoek ook de plasvorming aan de westzijde is bedoeld, dan is dat volgens het onderdeel onbegrijpelijk.
gemeld bij oplevering d.d. 23 december 2011?
Intussen staat vast dat de plasvorming aan de westzijde van het terrein van [verweerster] zich volledig voordoet op de strook langs de keerwand aan de westzijde waar Platon geen werkzaamheden heeft verricht (zie r.o. 9.2.1, onder verwijzing naar r.o. 3.3.1 van het tussenarrest van het verwijzingshof van 4 augustus 2020). De tekortkoming die Platon kan worden verweten, heeft dan ook uitsluitend betrekking op plasvorming als gevolg van het ontbreken van voldoende afschot op de noordwesthoek, voor zover Platon op dat deel van het terrein (wel) werkzaamheden heeft verricht (r.o. 9.2.2-9.2.4). Met “[d]e tekortkoming van de onvoldoende waterafvoer in de noordwesthoek van het terrein” in r.o. 9.2.5 doelt het verwijzingshof m.i. op “[h]et ontbreken van voldoende afschot op de noordwesthoek (de eerste oorzaak)” als bedoeld in r.o. 9.2.3 oftewel “[h]et ontbreken van voldoende afschot naar de kolk op de noordwesthoek van het terrein” als bedoeld in r.o. 9.2.2. Het is m.i. niet onbegrijpelijk dat het verwijzingshof daaraan in r.o. 9.2.5 toevoegt dat die tekortkoming is vermeld in het opnameverslag van 23 december 2011. Ik breng in herinnering wat het verwijzingshof hierover al heeft overwogen in het (in cassatie onbestreden) tussenarrest van 4 augustus 2020. Zie met name r.o. 3.3.2 van dat tussenarrest (weergegeven onder 3.15 hiervoor). Met de plasvorming in de hoeken noordwest en zuidwest wordt (ook) bedoeld de plasvorming in de strook direct langs de keerwand aan de westzijde.
Hierop stuit het onderdeel af.
Het subonderdeel stelt voorts (onder 15) dat die motivering niet kan worden gebaseerd op de in r.o. 9.3.3 genoemde bevestiging althans het onvoldoende weerspreken van de stelling dat Platon voor het overige terrein alleen met zand heeft gewerkt. Dit ziet volgens het subonderdeel niet op het daarop volgende oordeel over het gedeelte waar fundering zou zijn aangebracht.
- Er is gekeken naar die delen van het terrein waar er door Platon een fundering is aangebracht en die delen waar dat niet is gebeurd. Hiervoor is de door [verweerster] verstrekte tekening aangehouden, waarvan Platon bij MvG herhaaldelijk erkent dat die haar werkzaamheden correct aangeeft;
- Er is gekeken naar foto’s die door [verweerster] zijn verstrekt ter beoordeling van de funderingslaag;
152. Er is dan ook niet alleen op basis van aannames of eenzijdige foto’s door de deskundige gerapporteerd. Bovendien is door Platon ook niet betwist dat zij alleen grof puin met zand heeft gemengd op het blauw gemarkeerde deel van het terrein op de tekening. Daarmee staat naar de mening van [verweerster] vast dat óók het deel van het terrein waar door Platon een funderingslaag is aangebracht (blauw gemarkeerd) niet voldoet voor zwaar wegverkeer, gelet op de overwegingen van de deskundige op pagina 10 van zijn rapport.”
[…]
149: het parkeer terrein heeft de deskundige ook visueel onderzocht. [verweerster] erkent dat de deskundige de betwiste foto’s heeft aangehouden, die zoals Platon gemotiveerd heeft aangeven naar haar mening niet op waarheid kunnen berusten.
Zie levering steenkorrel van [verweerster] 639 ton met certificaat.
Foto’s komen uit productie 1 t/m 9 van [verweerster] , de betrouwbaarheid van deze foto’s wordt weerlegd in offerte Dusseldorp: terrein rijweg vrachtverkeer voorzijde groot 1.760 m2.
in 1ste optie: 1.700 m2 verdichten en repac egaliseren, (die bij boring niet aanwezig was.
Parkeerterrein groene stuk: zegt Dusseldorp: 1.495 m2 herstraten €36.989,17
Deskundige rechtbank: 8 m2 : €2143,00
Alle boringen zijn in het te herstraten gedeelte gedaan.
[…]
152: Platon heeft wel geprotesteerd in de vorm van: korrel door [verweerster] geleverd met certificaat ,zoals vrachtbonnen aangeven is dat 0.315 zelfde afmeting als die de deskundige voorschrijft, weegbonnen tonen dat aan. Waarmee ook aangegeven word dat in het blauwe stuk geen boringen kan gedaan zijn. D e overweging van de deskundige van pagina 10 is zoals hij onder 3c- P3 gebaseerd op betwiste inbreng Productie 1-9 [verweerster] .”
Door gebruik te maken van een fundering met menggranulaat ontstaat een stijvere/stabiele laag met haakweerstand. Het feit dat al vele jaren van het terrein gebruik is gemaakt door vrachtverkeer, verhoogt niet de stabiliteit van de ondergrond, er zal hier bij een fundering van zand, al dan niet met bijmenging van puin, dus spoorvorming op blijven treden.”
Volgens het subonderdeel (onder 17) heeft dit ook tot gevolg dat het oordeel in r.o. 9.3.4 niet in stand kan blijven.
Het subonderdeel stelt daarnaast (onder 20) dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het verwijzingshof geheel is voorbijgegaan aan de, als essentieel aangemerkte, stellingen van Platon dat de ondergrond sinds 1980 goed functioneerde, dat [verweerster] zelf aangaf dat het terrein voorheen al geschikt was voor zwaar wegverkeer, dat [verweerster] in overleg grondverbetering niet in de opdracht heeft opgenomen en als hij dat wel had gedaan daar bijna dubbele kosten mee gemoeid waren. Om die reden waren partijen volgens het subonderdeel juist bewust herbestrating overeengekomen. Volgens het subonderdeel heeft [verweerster] erkend dat zij niet bereid was deze aanzienlijke meerkosten, die zij overigens niet heeft betwist, te betalen. [34] Het subonderdeel stelt (onder 21) dat het verwijzingshof gemotiveerd op deze stellingen had moeten ingaan.
hoe dan ookop de weg van Platon had gelegen om [verweerster] te waarschuwen voor ongeschiktheid voor zwaar wegverkeer (zie ook onder 4.20 hiervoor). Van voortbouwen op de in subonderdeel 4B bestreden aanname is dus geen sprake.
In het
KPI/Leba-arrest heeft de Hoge Raad een richtinggevende uitspraak gedaan over de vraag welke rol bij de opdrachtgever aanwezige deskundigheid mag spelen bij de beoordeling van de waarschuwingsplicht van de aannemer:
NJ1995, 154). Het onderdeel betoogt terecht dat de enkele omstandigheid dat de opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van het opnemen van bepaalde specificaties in de opdracht te kunnen overzien, de opdrachtgever (lees: opdrachtnemer;
red.) niet ontslaat van zijn verplichting de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in die specificaties, zeker niet indien, zoals hier, de opdrachtnemer stelt die onjuistheden te hebben onderkend. Wèl kan de omstandigheid dat de opdrachtgever ter zake deskundig is, aanleiding geven tot toepassing van art. 6:101 lid 1 BW Pro.” [35]
NSC/ […][…]. In die context heeft de Hoge Raad wel termen aanwezig geacht om reeds op het niveau van de vaststelling van de aansprakelijkheid ten gunste van de aannemer rekening te houden met de bij de opdrachtgever aanwezige wetenschap en deskundigheid. Dat is ook alleszins redelijk want zou men die uitzondering op de regel niet aanvaarden dan zou die regel onbillijk kunnen uitwerken. Het zou dan mogelijk zijn dat de opdrachtgever de aannemer er eerst toe […] brengt een met risico’s behepte, maar goedkopere of sneller uit te voeren werkwijze te volgen, om dan vervolgens wanneer de kwade kansen daarvan zich onverhoopt toch manifesteren, de aannemer voor de gevolgen te laten opdraaien op de grond dat hij niet zou hebben gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s. Zie A-G Verkade in zijn conclusie voor dit arrest onder punt 3.6.” [36]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Volgens het subonderdeel (onder 23) had het verwijzingshof moeten motiveren waarom Platon tegen deze achtergrond [verweerster] had moeten waarschuwen, althans waarom Platon bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn met de ongeschiktheid van de grond (fundering) in de zin van art. 7:754 BW Pro. Het subonderdeel verwijst terug naar subonderdeel 4B.
Het subonderdeel stelt verder (onder 24) dat het verwijzingshof bovendien niet motiveert waarom de waarschuwingsplicht zover zou reiken dat het van Platon verwacht mocht worden om (spontaan) een onderzoek te doen naar de reeds aanwezige fundering. Mocht het verwijzingshof hebben gemeend dat dit van Platon verwacht mocht worden, dan is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Volgens het subonderdeel (onder 25) doet aan het voorgaande niet af dat de deskundige in zijn rapport heeft gesteld dat van het terrein al vele jaren gebruik werd gemaakt door vrachtverkeer, dat dat niet de stabiliteit van de ondergrond vergroot en dat ook in een dergelijke situatie spoorvorming zal optreden bij gebruik van een fundering van zand. Het subonderdeel stelt dat het verwijzingshof er onbegrijpelijk aan voorbijgaat dat Platon niet enkel met zand heeft gefundeerd. Volgens het subonderdeel heeft Platon in overleg met een zandlaag aangesloten op het reeds aanwezige funderingsmateriaal, omdat de ondergrond sinds 1980 goed functioneerde en in al die jaren nauwelijks spoorvorming was ontstaan. [37]
De tweede klacht van het subonderdeel bouwt voort op de eerste en deelt bovendien in het lot van subonderdeel 4B. Ook dat behoeft geen nadere toelichting.
De derde klacht van het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het oordeel van het verwijzingshof en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het verwijzingshof neemt immers geen spontane onderzoeksplicht naar de aanwezige fundering aan en die ligt evenmin besloten in het oordeel van het verwijzingshof. [38] De schending van de waarschuwingsplicht van Platon is er naar het oordeel van het verwijzingshof op gestoeld dat zij op de hoogte had moeten zijn van de funderingseisen van het straatwerk gelet op het gebruik van het terrein (voor zwaar wegverkeer) en dat zij [verweerster] over die funderingseisen had moeten informeren (zodat [verweerster] op dat moment een weloverwegen keuze had kunnen maken om al dan niet voor een adequate fundering te kiezen). Met die funderingseisen doelt het verwijzingshof, mede gelet op de verwijzing in r.o. 9.3.5 naar het deskundigenrapport van 9 januari 2015, p. 10, onmiskenbaar op een fundering met menggranulaat waardoor volgens de deskundige een stijvere/stabiele laag met haakweerstand ontstaat (zie de aangehaalde passage uit p. 10 van het deskundigenrapport, onder 4.18 hiervoor). Het moet voor Platon duidelijk zijn geweest dat een dergelijke fundering met menggranulaat niet aanwezig was. Hierop stuit ook de vierde klacht van het subonderdeel af.
Volgens het subonderdeel (onder 27) is in dit licht ook het oordeel aan het slot van r.o. 9.3.5, dat Platon onvoldoende heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van eigen schuld van [verweerster] , onjuist of onbegrijpelijk. Het subonderdeel wijst erop dat voor het bepalen van de omvang van de aansprakelijkheid van de aannemer de deskundigheid van de opdrachtgever aanleiding kan geven tot toepassing van het leerstuk van eigen schuld. [40] Volgens het subonderdeel heeft Platon door te stellen dat [verweerster] beschikte over een eigen deskundige die continu aanwezig was en continu toezicht hield en dat [verweerster] zelf de bestellingen van de materialen verzorgde maar – om haar moverende redenen – heeft afgezien van het bestellen van menggranulaat voor het overgrote deel van het terrein, voldoende onderbouwd waarom sprake is van eigen schuld van [verweerster] . [41] Het subonderdeel stelt (onder 28) verder nog dat in dit verband ook onbegrijpelijk is, zoals het hof in r.o. 9.3.4 heeft overwogen, dat vaststaat dat nergens op het terrein door Platon de door de deskundige als geschikt beoordeelde wijze van fundering is gekozen. Het subonderdeel wijst erop dat Platon, althans [eiseres] , heeft gesteld dat [verweerster] voor het blauw gemarkeerde deel wel het desbetreffende menggranulaat heeft besteld en gebruikt, terwijl het oordeel van de deskundige dat dit materiaal onvoldoende draagkrachtig is louter berust op de in subonderdeel 4A genoemde betwiste foto’s.
[…]
3) […] De kuilen zijn waarschijnlijk ontstaan door de slechte ondergrond en dat is waar de discussie eigenlijk over gaat. Omdat ik ( [deskundige 1] ) in de veronderstelling was dat het gebruik van doek noodzakelijk was, had ik dit alvast in de conceptovereenkomst vastgelegd. Piet [eiseres] zei toen dat vanwege de klinkerbestrating doek niet nodig was, maar puin. […] Door Platon is telkens zand en repac besteld op onze naam. […] Je kunt duidelijk zien dat er een dikke laag zand onder de bestrating ligt. Platon had dit anders moeten doen, als deskundige had hij bestrating moeten leggen die geschikt was voor zwaar vrachtverkeer, zoals de opdracht was.”
KPI/Leba-arrest, aangehaald onder 4.23 hiervoor). Het beroep van [eiseres] op eigen schuld van [verweerster] blijkt m.i. voldoende duidelijk uit de gedingstukken. Ik wijs met name op de memorie van grieven van [eiseres] , onder 179, waarop het subonderdeel zich heeft beroepen en waar in de toelichting op grief 14 onder meer het volgende is opgemerkt:
86. Platon gaat er met haar grief aan voorbij dat zij verantwoordelijk was voor een deugdelijke oplevering van het werk. Indien dat alleen maar kon met (gedeeltelijke) grondverbetering, dan had Platon dat moeten melden aan [verweerster] om een situatie als onderhavige te voorkomen. De grief is ongegrond.”
Hartol/Global Stone-uitspraak, [42] waarin de rechtbank Den Haag op grond van art. 6:101 BW Pro een deel van de schade (30%) voor rekening van de opdrachtgever liet, de opdrachtgever zelf ook een aannemer was. [43] Dat ligt in de onderhavige zaak anders. [verweerster] drijft een logistieke onderneming (zie bijv. r.o. 9.3.1) en aan een van haar medewerkers kan niet meer dan “(enige) deskundigheid” ter zake van bestratingswerkzaamheden worden toegedicht (zie r.o. 9.3.5).
Hierop stuiten de eerste twee klachten van het subonderdeel af.
Hierop strandt het subonderdeel.
Het verwijzingshof had [eiseres] ook niet hoeven toelaten tot het leveren van (tegen)bewijs dat [verweerster] wel degelijk gewaarschuwd was. Het verwijzingshof heeft in r.o. 9.3.5 geoordeeld dat Platon op de hoogte had moeten zijn van de funderingseisen van het straatwerk en dat zij [verweerster] daarover had moeten informeren. Daarmee doelt het verwijzingshof in verband met geschiktheid voor zwaar wegverkeer op het aanbrengen van een funderingslaag van bijvoorbeeld menggranulaat. Platon/ [eiseres] heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat zij van deze funderingseisen op de hoogte was en dat zij [verweerster] over deze funderingseisen heeft geïnformeerd. Het verwijzingshof kwam daarmee aan de fase van bewijslevering niet toe.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Antwoord 3d) – Herstel● Omdat de kans groot is dat spoorvorming in de toekomst verergert zou ik de plaatsen waar nu spoorvorming is waargenomen, zie bijlage 4, als volgt herstellen:
I. verwijderen van de verharding;
II. verwijderen van huidige fundering tot een diepte van circa 0,48 m;
IV. Aanbrengen en verdichten 0,25 m menggranulaat 0/31,5;
V. aanbrengen en verdichten 0,03 m straatlaag;
VI. terugbrengen van verhardingsmaterialen.
Antwoord 3d) – Kosten● Kosten volgen uit SSK-kostenraming zoals weergegeven in de bijlage 7.
● Gecalculeerde kosten voor het herstellen ter plaatse van spoorvorming zoals beschreven onder het vorige punt:
[onderstreping en vetgedrukt in origineel, A-G]
Kunt u aangeven welke kosten zijn verbonden aan de punten III tot en met V?
Het antwoord van de deskundige was dat hij dit niet deed, omdat dit niet onder de opdracht zou vallen.
En dat terwijl die vraag zeer relevant is. Immers, hoewel de deskundige gezien zijn beantwoording niet heeft geoordeeld dat Platon tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, hield de vraag aan de deskundige in dat ALS grondverbetering overeengekomen dan wel noodzakelijk zou zijn geweest, quod non, […] de aanneemsom daarbij enorm veel hoger [zou] zijn geweest. Vandaar ook dat [verweerster] destijds bewust aan Platon heeft aangegeven dat zij eigenlijk alleen herbestrating wilde. Als de ondergrond ook moest worden verwijderd/verbeterd zouden de kosten voor [verweerster] natuurlijk veel hoger zijn geweest, wat [verweerster] natuurlijk ook wel wist. Het kan dan ook niet zo zijn dat [verweerster] nu via een omweg (de stelling dat Platon tekort zou zijn geschoten in de nakoming) wel een compleet nieuwe ondergrond kan krijgen en dat tegen 0 euro. Als er ook grondverbetering zou zijn gedaan voor het terrein waarvoor Platon alleen de strikte opdracht had gehad om her te bestraten, dan zou de aanneemsom overigens verhoogd zijn met ongeveer € 250.000,--. De deskundige geeft in de ramingen namelijk aan dat grondverbetering € 42,-- [per] m2 (excl. zand e.d.) [kost].
[…]
Opvallend is overigens dat [verweerster] er in zijn conclusie na deskundigenbericht vanuit gaat dat Platon gehouden zou kunnen worden om complete grondverbetering voor het gehele terrein te doen. Opvallend, omdat (hoewel de deskundige ten onrecht[e] dit onderscheid niet heeft gemaakt) de opdracht bestond uit herbestraten en niet meer althans slechts voor een klein deel aanbrengen van compleet nieuwe bestrating. Als zodanig is de overeenkomst ook door Platon uitgevoerd. [verweerster] had die onderverdeling juist gemaakt, omdat compleet nieuwe bestrating met ondergrond ook volgens de deskundige een zeer groot verschil had gemaakt in de aanneemsom. Wat [verweerster] dus nu ten onrechte vordert is dat Platon de kosten van algehele grondverbetering voor zijn rekening neemt, terwijl zij daarvoor niets meent te hoeven betalen. Dat kan niet zo[…] zijn en zou [verweerster] ook een onrechtvaardig voordeel opleveren gelijk aan de kosten van het alsnog verbeteren van de grond (als dat noodzakelijk zou zijn geweest wat [Platon] betwist en als dat onder de opdracht zou zijn gevallen, wat Platon ook betwist).” [47]
Hierop loopt het subonderdeel spaak.
Voor zover het subonderdeel is gebaseerd op r.o. 4.12 van het tussenvonnis van 19 juni 2013 geldt het volgende. Het subonderdeel stelt op zichzelf terecht dat de rechtbank de vordering tot aanvullende schadevergoeding had afgewezen:
Het verwijzingshof heeft in r.o. 9.2.6, bij het oordeel over de plasvorming, reeds verwezen naar r.o. 4.12 van het tussenvonnis van 19 juni 2013 (zie ook onder 4.6 hiervoor):
Het subonderdeel is ongegrond.
7.3 Het incidenteel hoger beroep blijft buiten behandeling. Het hof zal daarom geen beslissing geven over de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.”
€ 10.155,00