Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
De man heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven, dat hij voormeld bedrag van de bank heeft geleend en vervolgens in de verbouwing en uitbreiding van de woning, die op naam van de vrouw staat, heeft gestoken, waardoor de woning met ongeveer hetzelfde bedrag in waarde is vermeerderd. Met verwijzing naar jurisprudentie heeft de man gesteld dat, nu partijen met uitsluiting van elke gemeenschap zijn gehuwd en hij geheel of gedeeltelijk de tegenprestatie voldoet voor een goed dat op naam staat van de vrouw, hij als betalende echtgenoot in beginsel jegens de vrouw recht heeft op vergoeding van het nominale bedrag. Daarnaast leiden de redelijkheid en billijkheid volgens de man tot eenzelfde uitkomst. Subsidiair heeft de man betaling van dit bedrag gevorderd wegens ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw. Verder heeft de man als omstandigheid aangevoerd dat de vrouw de woning in feite om niet heeft gekregen. De reden dat de woning op naam van de vrouw werd gesteld, was het spreiden van vermogensrisico’s. De man heeft gesteld dat hij meende dat het huis op een gegeven moment weer aan hem of zijn kinderen zou worden overgedragen. De vrouw was daarvan op de hoogte. [3]
In reconventie heeft de vrouw, na eisvermeerdering, verkort weergegeven, het volgende gevorderd:
- veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van Afl. 84.504,-- ter zake van achterstallige hypothecaire aflossingen;
- opheffing van het door de man gelegde conservatoire beslag op de woning;
- te bepalen dat de man slechts mag overgaan tot executie van een eventuele veroordeling in conventie onder het stellen van zekerheid, en
- veroordeling van de man tot betaling van Afl. 957.000,--, als gebruikersvergoeding voor de bewoning van de woning. [4]
Met toestemming van het gerecht zijn na de comparitie van partijen nog diverse conclusies door partijen ingediend.
De vrouw heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel de incidentele grieven bestreden.
Vervolgens hebben partijen op 26 maart 2019 hun standpunt bepleit.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Incidenteel appel3.27 Grief 1 klaagt erover dat het Gerecht de man niet gevolgd heeft in zijn uitleg van de akte huwelijkse voorwaarden. Volgens vaste rechtspraak dient de vraag hoe in een schriftelijk contract − en dus ook in huwelijkse voorwaarden − de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet te worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het Hof overweegt dat de huwelijkse voorwaarden summier zijn. De relevante bepalingen,
“artikel 2. Ieder der echtgenoten behoudt als persoonlijk eigendom alle zaken welke door hem of haar ten huwelijk worden aangebracht of tijdens het huwelijk zullen worden verkregen;en
artikel 8. De kosten van de huishouding moeten in ruime zin worden opgevat, zodat onder meer daaronder vallen die van (...), huurtermijnen van een gehuurde, gemeenschappelijk bewoonde woning en premies van normale gezinsverzekeringen (…).”bieden geen uitsluitsel over vergoedingsrechten over en weer en een periodiek of finaal verrekenbeding ontbreekt. Nu de akte huwelijkse voorwaarden, die op zichzelf duidelijk is, daarover niets bepaalt en gesteld noch gebleken is dat partijen een van de bewoordingen afwijkende bedoeling hadden, moet uitgegaan worden van de wettelijke bepalingen. Artikel 1:87 BW Pro bepaalt dat indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding ontstaat. Met andere woorden, wanneer een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vermogens van de echtgenoten, ontstaat een vergoedingsrecht ten laste van de ene echtgenoot en ten gunste van de andere echtgenoot. De vergoeding wordt ex artikel 1:87 lid 5 BW Pro geschat indien de vergoeding niet nauwkeurig kan worden vastgesteld aan de hand van de in lid 2 en lid 3 beschreven methode. In onderhavig geval heeft een vermogensverschuiving plaatsgevonden ten laste van de man en ten gunste van de vrouw, die gecorrigeerd dient te worden door middel van een vergoedingsrecht van de man en een vergoedingsplicht van de vrouw. De man claimt enkel een teruggave van het nominaal geïnvesteerde bedrag in het huis van de vrouw. Die vordering is toewijsbaar, derhalve los van de uitleg van de huwelijkse voorwaarden.”
Subonderdeel 1.2klaagt, verkort weergegeven, dat het hof met zijn verwijzing naar art. 1:87 BWA Pro, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 1:87 BWA Pro niet van toepassing is op het onderhavige geschil. Art. 1:87 BWA Pro is slechts van toepassing op vergoedingsrechten die ontstaan na het tijdstip van inwerkingtreding van art. 1:87 BWA Pro, te weten per 1 september 2021. De onderhavige vergoedingsrechten zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van art. 1:87 BWA Pro.
(Omvang) vergoedingsrechten en -plichten tussen echtgenoten in Aruba: art. 1:87 BWA Pro
a. is in het in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde geval evenredig aan het uit het vermogen van de andere echtgenoot afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor de verkrijging of verbetering van het goed;
b. komt in het in de tweede volzin van het eerste lid bedoelde geval overeen met de verhouding tussen het uit het vermogen van de andere echtgenoot voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
a. tenzij de echtgenoot het vermogen van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de wijze als bedoeld in het eerste lid, beloopt de vergoeding ten minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen;
b. ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen;
c. ter zake van goederen die inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Met een vervreemding wordt gelijkgesteld het onherroepelijk worden van een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde;
d. de artikelen 137 en 140 zijn van overeenkomstige toepassing.
Kriek/Smit [10] , waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen, heeft de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat de goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd, evenals blijkens de art. 1:95 lid Pro 2, 1:96 lid 2 en 1:127 BW bij een tussen echtgenoten bestaande gemeenschap ook vergoedingsrechten ten bate en ten laste van deze gemeenschap kunnen ontstaan (rov. 3.3). Met betrekking tot de omvang van het vergoedingsrecht overwoog de Hoge Raad vervolgens (nog steeds in rov. 3.3):
In vergelijking met het Nederlandse BW geldt in Aruba op grond van de Landsverordening aanvulling BW wel een andere regeling van de (omvang van de) vergoedingsrechten van samenwonenden.
Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW Pro bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.”
Bij landsbesluit van 2 juni 2021 [14] is besloten dat de Landsverordening van 23 september 2016, met uitzondering van hier niet ter zake doende bepalingen, met ingang van 1 september 2021 in werking treedt.
Dat betekent dat voor gehuwden met betrekking tot vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór 1 september 2021 hebben plaatsgevonden, de op genoemde rechtspraak gebaseerde regel is blijven gelden dat de echtgenoot die met uitsluiting van elke gemeenschap is gehuwd, en die geheel of gedeeltelijk de tegenprestatie voldoet voor een goed dat op naam van de andere echtgenoot wordt geplaatst, in beginsel jegens de andere echtgenoot recht krijgt op vergoeding van het nominale bedrag van de verstrekte gelden.
De klacht van subonderdeel 1.2 is dus terecht voorgedragen.
subonderdeel 1.4dat klaagt dat het hof door de toepassing van art. 1:87 BWA Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat de man zijn vordering slechts heeft gebaseerd op de jurisprudentiële huwelijksvermogensrechtelijke regel dat een vergoedingsrecht kan bestaan tussen echtgenoten ter grootte van de nominaal geïnvesteerde bedragen, indien als gevolg daarvan een vermogensverschuiving tussen hen plaatsvindt.
Zoals uit het hierboven geciteerde art. 20a lid 1 van de Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw-BW blijkt, blijft op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór 1 september 2021 hebben plaatsgevonden, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan 1 september 2021. Het toepasselijke recht is in dit geval de regel van het arrest
Kriek/Smit. Dat betekent dat in de onderhavige kwestie de vergoedingsrechten nominaal dienen te worden berekend.
Het hof heeft in de laatste twee volzinnen van de bestreden rov. 3.27 overwogen dat de man enkel teruggave van het nominaal geïnvesteerde bedrag in het huis van de vrouw vordert en dat die vordering toewijsbaar is. Per saldo heeft het hof dus de nominaliteitsleer toegepast. Dan ontbreekt het belang bij vernietiging op dit punt. [17]
Nu het hof met zoveel woorden heeft overwogen dat de man uitsluitend het nominaal geïnvesteerde bedrag vordert, hetgeen de vrouw klaarblijkelijk ook voorstaat gelet op haar toelichting op het hebben van belang bij de klacht van subonderdeel 1.2, staat berekening van het vergoedingsrecht van de man op nominale wijze vast.
Het antwoord op de onder 3.17 gestelde vraag luidt dus ontkennend.
Naast genoemde subonderdelen 1.3, 2.3 en 2.4, heeft ook onderdeel 4 betrekking op de voorhuwelijkse fase. Dat onderdeel behandel ik daarom aansluitend.
subonderdelen2.3 en 2.4 wordt, samengevat, geklaagd, dat het hof heeft miskend dat investeringen die vóór het huwelijk zijn gedaan, niet zonder zelfstandige rechtsgrond voor vergoeding in aanmerking komen, dan wel zijn oordeel daaromtrent onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
Daarnaast heeft hij, samengevat in par. 14 van het inleidend verzoekschrift, als grondslagen genoemd de redelijkheid en billijkheid, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling, wanprestatie of onrechtmatige daad.
Omdat geen sprake is van een natuurlijke verbintenis (rov. 4.24) komt het gerecht uiteindelijk in rov. 4.32 en de eerste volzin van rov. 4.33 tot het volgende oordeel:
tijdens samenwoning en huwelijk(curs. A-G) voor de Afl. 655.000,00 geheel voor eigen rekening moet houden. Deze dienen door de vrouw tot op zekere hoogte aan hem te worden vergoed nu het Gerecht, gelet op de overgelegde taxatierapporten en de premienota, kan vaststellen dat door de verbouwingen en verbeteringen, en mogelijk ook tijdsverloop, het huis in waarde is toegenomen, waarvan thans enkel de vrouw profiteert.
Afl. 327.500,00.
(…)”
De subonderdelen 1.3, 2.3 en 2.4 falen daarmee.
Hetzelfde geldt voor
subonderdeel 4.2, dat een herhaling vormt van de stelling dat tussen samenwonenden geen vergoedingsrecht kan ontstaan bij betaling door de ene partner van hypothecaire en andere lasten ten behoeve van de woning die in eigendom is van de andere partner.
Voor de periode voorafgaand aan het huwelijk, de datum van eigendomsoverdracht van het huis van de man aan de vrouw en het moment waarop de man de hypothecaire verplichtingen en alle overige lasten voor zijn rekening heeft genomen (betaald uit zijn inkomen en/of vermogen), dus de periode vanaf 25 mei 2004 tot 5 mei 2005, geldt dat omdat samenwonende partners elk een eigen vermogen hebben, er in beginsel een verplichting ontstaat tot vergoeding als een betaling door de ene partner leidt tot het ontstaan van (financieel) voordeel voor de andere partner. Dat is hier het geval.
subonderdelen 4.3, 4.4en
4.5in de kern dat het oordeel dat voor zover de vergoedingsvordering van de man betreffende de voorhuwelijkse periode zou zijn verjaard, het beroep van de vrouw op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, op een onjuiste rechtsopvatting berust dan wel onvoldoende is gemotiveerd, omdat de in rov. 3.15 genoemde omstandigheden niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van zodanige bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden dat het verjaringsberoep van de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Art. 3:307 lid 1 BWA Pro is evenwel van toepassing op een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. Van een overeenkomst is hier geen sprake, zoals het hof vervolgens ook nog eens constateert met de overweging dat partijen geen samenlevingscontract hebben gesloten.
De klachten van de subonderdelen 4.3-4.5 missen daardoor belang.
subonderdelen 2.2 t/m 2.7, 2.9, 2.10 en 2.13zijn gericht tegen de oordelen van het hof, kort gezegd, over de omvang van het vergoedingsrecht van de man. Kern van de klachten is dat het hof geen onderscheid maakt tussen aflossingen die de man heeft gedaan op leningen die geen investering in de woning inhouden en dus geen vermogensverbetering voor de vrouw inhouden en aflossingen van leningen die wel wijzen op investeringen in de woning. Volgens de vrouw heeft het hof gemakshalve en met voorbijgaan aan de betwisting door de vrouw, alle door de man gestelde aflossingen op de leningen bij elkaar opgeteld en is het hof zo tot het bedrag van Afl. 957.500,-- gekomen. Verder heeft het hof geen onderscheid gemaakt tussen investeringen tijdens en vóór het huwelijk. [21]
Overigens stelt ook de vrouw (zie subonderdeel 2.8) dat de man zich erop beroept dat als gevolg van vermogensverschuiving een vergoedingsrecht is ontstaan. [23]
Subonderdeel 2.6voegt daaraan samengevat toe dat voor zover hof het voorgaande niet heeft miskend, het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aflossing van de eerste hypotheek door middel van de tweede kredietfaciliteit heeft geleid tot een vermogensverschuiving naar de vrouw, omdat die aflossing enkel heeft geleid tot een vermindering van het bedrag waarvoor de woning door de bank op grond van het ter verzekering van de kredietfaciliteit op de woning gevestigde hypotheekrecht kon worden uitgewonnen. De vrouw is volgens het subonderdeel van de hele constructie niet beter geworden en heeft via verrekening betaald voor de verbouwingen die met de eerste hypotheeklening zijn gefinancierd.
Op grond hiervan falen de subonderdelen 2.5 en 2.6.
toev. A-G) dan wel te minder navolgbaar is omdat de man zelf heeft gesteld dat de eerste hypothecaire lening van Afl. 450.000,-- is aangewend voor renovatie- en uitbreidingswerkzaamheden aan de woning – naar het hof ook zelf in rov. 3.12 tot uitgangspunt neemt – en de kredietfaciliteit van Afl. 800.000,-- enkel diende tot aflossing van de eerste hypothecaire lening en voor renovatie en uitbreiding. De man betaalde de eerste lening met de tweede lening. Daaruit volgt niet dat een totaalbedrag van die beide leningen bij elkaar opgeteld is afgelost.
De klacht faalt dus.
subonderdeel 2.7heeft het hof, voor zover het heeft geoordeeld dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij een bedrag van Afl. 1.246.125,25, althans Afl. 1.168.350,25, althans Afl. 1.023.350,25, althans Afl. 957.500,- heeft besteed aan investeringen in de woning (zoals verbouwing of verbetering daarvan) en dat aldus een tot een vergoedingsrecht leidende vermogensverschuiving tussen de man en de vrouw heeft plaatsgevonden, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
In de procesinleiding wordt daarbij verwezen naar de op p. 9-11 onder (i) en (ii) genoemde stellingen die de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd. Onder (i) wordt gesteld dat de door de man gevorderde bedragen grotendeels betrekking hebben op betalingen ter aflossing van privéschulden of op investeringen die al vóór 25 mei 2004 zijn gedaan. Die betalingen heeft de man gedaan met de op grond van de kredietfaciliteit van september 2004 geleende bedragen. De kredietfaciliteit van september 2004 is volgens de vrouw (dus) niet aangewend ten behoeve van investeringen in de woning na 25 mei 2004 en de man heeft ook anderszins niet voor of na die datum in de woning geïnvesteerd ter hoogte van de door hem gestelde bedragen (stelling onder (ii).
Met betrekking tot de bedragen van Afl. 450.000,--, Afl. 100.000,-- en Afl. 145.000,-- heeft het hof in rov. 3.12, 3.13 en 3.28 een gemotiveerde beslissing genomen. Het subonderdeel zet niet uiteen waarom genoemde oordelen onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd.
subonderdeel 2.10dat het hof bij de vaststelling van de aflossingen ter hoogte van Afl. 957.500,-- kennelijk de door de man genoemde aflossingen van Afl. 10.865,-- per maand (april 2006 - december 2007) en Afl. 7.402,-- (tot april 2014) tot uitgangspunt heeft genomen. Het totaal zou volgens de man 120 maanden zijn en optellen tot Afl. 957.500,-- (20 x Afl. 10.865,-- en 100 x Afl. 7.402,--). [25] Het hof heeft dit als onbetwist gesteld overgenomen. Dit oordeel is volgens de klacht onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd omdat (a) de periode april 2006 - april 2014 geen 120, maar 95 maanden bestrijkt, zoals de vrouw heeft aangevoerd; (b) de vrouw onder verwijzing naar een brief van de bank erop heeft gewezen dat de laatste betaling in februari 2014 heeft plaatsgevonden (en niet in april 2014) en (c) de vrouw [26] de betalingen heeft betwist omdat de man slechts 19 betalingen met bankafschriften heeft onderbouwd en voor de overige betalingen geen enkel bewijs heeft geproduceerd. [27] De overweging van het hof in rov. 3.19 kan in dit licht evenmin in stand blijven, omdat het daar eveneens ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat vast staat dat de man een bedrag van Afl. 975.000,--, waarbij kennelijk een bedrag van Afl. 957.500,-- is bedoeld, aan aflossingen heeft betaald, aldus nog steeds subonderdeel 2.10.
De betwisting door de vrouw van meer dan 19 betalingen door de man als aflossing staat haaks op haar stelling dat de laatste aflossing in februari 2014 heeft plaatsgehad, en moet m.i. dan ook worden gepasseerd.
De man heeft 20 maanden (april 2006 t/m november 2007) een bedrag van Afl. 10.865,-- afgelost (zie prod. HB-2). Dit komt neer op een bedrag van Afl. 217.300,--.
De aflossing ten bedrage van Afl. 7.402,-- per maand over de periode van december 2007 t/m april 2014 (stelling van de man) komt neer op een totaal van Afl. 569.954,--; volgens de vrouw dient dit te zijn 75 x 7.402,-- = Afl. 555.150,--.
De eigen stellingen van de man volgend heeft hij in de periode van april 2006 t/m april 2014 dan in totaal Afl. 787.819,-- afgelost. Volgens de vrouw zou dat een bedrag van Afl. 772.450,-- zijn. Dit betekent dat de vrouw terecht het door de man gestelde aflossingsbedrag over de periode van april 2006 tot april 2014 van in totaal Afl. 957.500,-- heeft betwist. De overweging van het hof dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij ter zake van hypothecaire aflossing heeft voldaan: Afl. 210.850,25 (lening periode september 2004 - maart 2006) + Afl. 957.500,00 (april 2006 - april 2014) = Afl. 1.168.350,25, is dus onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het bedrag van Afl. 957.500,-- met een bedrag van Afl. 169.684,-- (op basis van de stellingen van de man) dan wel van Afl. 185.050,-- (stelling van de vrouw) naar beneden moet worden bijgesteld.
subonderdeel 2.8wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof de vrouw had moeten toelaten tot haar aanbod tot het leveren van tegenbewijs van haar stellingen onder (i) en (ii) (zie hierboven onder 3.45) door middel van het horen van getuigen. Daartoe was het algemene bewijsaanbod dat de vrouw heeft geformuleerd [28] voldoende nu op haar enkel de betwistingslast ter zake rustte.
Beide klachten van subonderdeel 2.8 falen dus.
Subonderdeel 2.12van de procesinleiding voegt daaraan toe – zakelijk weergegeven – dat het hof met zijn oordeel dat de rentecomponent van de aflossingen van de leningen onder het vergoedingsrecht valt, miskent dat rentebetalingen op een hypothecaire lening kwalificeren als kosten der huishouding als bedoeld in art. 1:84 lid 1 BWA Pro. Voor zover het hof in rov. 3.14 en 3.16 tot uitgangspunt heeft genomen dat zulke rentebetalingen niet kwalificeren als kosten der huishouding, is het in die overwegingen eveneens uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
nominaal, dus zonder rente, geïnvesteerde bedrag in de woning, toewijsbaar geacht.
subonderdeel 3.2dat het oordeel van het hof, inhoudende dat het bedrag van Afl. 450.000,-- mag meetellen in de vordering van de man onjuist is, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Volgens het subonderdeel ziet het hof eraan voorbij dat het vergoedingsrecht enkel ziet op (a) vermogensverschuivingen tussen echtgenoten die (b) tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden. De betreffende investeringen hebben plaatsgevonden toen de woning nog in eigendom van de man was en bovendien vóór het huwelijk van partijen.
De in eerste aanleg door het gerecht geweigerde eisvermeerdering van de vrouw betrof [32] (i) een bedrag van Afl. 478.750,00 indien en voor zover het gerecht zou oordelen dat de CMB rekening 22904604 een gezamenlijke rekening van partijen is; (ii) een bedrag van Afl. 301.131,65 zijnde de uitstaande schuld van CMB op de man en (iii) een bedrag van Afl. 126.117,58 betreffende medische kosten van de vrouw als gevolg van de verkrachting door de man van de vrouw, waarvoor de man strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.
Hoewel processtukken met enige welwillendheid moeten worden gelezen, was door deze enkele vermelding van haar vorderingen, naast de vermelding van de in eerste aanleg door de man ingestelde vorderingen, niet duidelijk dat zij bedoelde vorderingen in hoger beroep opnieuw aan haar vorderingen had toegevoegd bij wijze van eisvermeerdering in appel.
Verder kan, anders dan de vrouw in haar pleitnota heeft gesteld, in de hierboven geciteerde par. 13 van de memorie van antwoord geen aanvaarding door de man van de rechtsstrijd over de derde vordering (medische kosten) worden gezien, laat staan dat de – naar ik begrijp: volledige – eiswijziging voor toewijzing gereed ligt omdat de man inhoudelijk geen verweer heeft gevoerd.
Het onderdeel faalt dus.
(…)”
Het onderdeel faalt dus.
De basis voor de motiveringsklacht ontbreekt dus. Hierdoor faalt het onderdeel.
Nu subonderdeel 2.10 slaagt, slaagt ook dit onderdeel.