Conclusie
[de man]
[de vrouw]
adv.: mr. R.K. van der Brugge
adv.: mr. J.W.H. van Wijk
de gemeente) heeft zich borg gesteld voor het nakomen van de verplichtingen van eisers tot cassatie (hierna:
hypotheekgevers, afzonderlijk
de manen
de vrouw) uit de hypothecaire geldlening die hypotheekgevers hebben gesloten met het Hypotheekfonds voor Overheidspersoneel (hierna:
het Hypotheekfonds). Nadat hypotheekgevers hun betalingsverplichtingen niet waren nagekomen, is het Hypotheekfonds tot uitwinning van de hypotheek overgegaan. De na uitwinning nog openstaande restschuld is door de gemeente als borg aan het Hypotheekfonds voldaan. De gemeente wenst de restschuld te verhalen op hypotheekgevers. Hypotheekgevers hebben in kort geding een executieverbod gevorderd. Zij stellen zich op het standpunt dat de hypotheekakte voor de gemeente geen executoriale titel ex art. 430 Rv Pro oplevert omdat deze niet voldoet aan het bepaaldheidsvereiste zoals dat volgt uit de uitspraken van de Hoge Raad inzake
Rabobank/ [… 1]en
Rabobank/ [… 2] .Zowel de voorzieningenrechter als het hof heeft de vordering van hypotheekgevers afgewezen. In cassatie gaat het om de vraag of ter voldoening aan het bepaaldheidvereiste in de akte dient te worden vermeld dat deze mogelijk als executoriale titel zal worden gebruikt door een toekomstige borg en voor een restschuld.
1.Feiten
2.Procesverloop
Primairvoeren zij aan dat de gesecureerde geldlening door betaling is tenietgegaan en dus geen sprake kan zijn van subrogatie ex art. 6:12 BW Pro. De gemeente heeft een zelfstandige regresvordering gekregen, waarvoor zij eerst een executoriale titel ex art. 430 Rv Pro moet verkrijgen. [9] Subsidiairhebben hypotheekgevers aangevoerd dat de vordering in de hypotheekakte en de borgtochtovereenkomsten onvoldoende bepaald is, althans niet onder de reikwijdte van de executoriale titel valt, zodat de grosse van de hypotheekakte niet kan dienen ter executie van de vordering. [10]
Executoriale kracht hypotheekakte’ gaat het hof in op grief 1, waarmee door hypotheekgevers wordt betoogd dat de grosse van de hypotheekakte door de gemeente niet gebruikt kan worden voor de executie van de restschuld, omdat in de hypotheekakte onvoldoende is bepaald dat een restschuld onder de reikwijdte van de hypotheekakte valt en de borgtochtovereenkomsten pas zijn overeengekomen na het verlijden van de hypotheekakte (rov. 3.4.1). Het hof is van oordeel dat deze grief faalt (rov. 3.4.4) op grond van het volgende (met door mij aangebrachte onderstreping):
In de hypotheekakte van 14 december 2005 is beschreven dat het recht van hypotheek wordt verleend tot meerdere zekerheid voor de betaling van (onder meer) de hoofdsom van € 250.000,- van de door [het Hypotheekfonds] aan [hypotheekgevers] verstrekte lening, van al hetgeen [hypotheekgevers] aan [het Hypotheekfonds] schuldig is of zal worden uit hoofde van verstrekte of nog te verstrekken leningen, en van de verschuldigde rente en eventueel later overeen te komen verhogingen daarvan, vergoedingen, premies en kosten, tot een totaalbedrag van € 350.000,-. Daarbij is de verstrekte lening nader omschreven (p. 1 en 2. onder I tot en met III) en is de offerte voor de lening aan de akte gehecht.
De vorderingen van [het Hypotheekfonds] op [hypotheekgevers] uit hoofde van de hypothecaire geldleningen zijn daarmee naar het oordeel van het hof voldoende bepaald in de hypotheekakte. De hypotheekakte levert daarom een executoriale titel op voor deze vorderingen. Anders dan [hypotheekgevers] betoogt, brengt het feit dat een deel van deze vorderingen is voldaan door executie door [het Hypotheekfonds] van het hypotheekrecht dat haar bij de akte is verleend daarin geen verandering. Het zal immers steeds zo zijn dat executie plaatsvindt voor het restant van een verstrekte lening. Voor het restant van de vorderingen vormt de hypotheekakte ook dan nog steeds een executoriale titel.
Anders dan [hypotheekgevers] betogen, is daarvoor niet vereist dat de overeenkomsten van borgtocht in de hypotheekakte zijn beschreven. De gemeente is dus bevoegd tot executie van de restvordering uit hoofde van subrogatie.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Rabobank/ [… 2] .
Rabobank/ [… 1] [16] was door [… 1] ten behoeve van Rabobank hypotheek verleend op een hem toebehorend registergoed
'tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van hem (…) te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook, tot het hierna te vermelden bedrag'.
Rabobank/ [… 1]moet dus (i-a) de bestaande vordering dan wel (i-b) de bestaande rechtsverhouding waaruit een toekomstige vordering zal voortvloeien (ii) in de akte worden omschreven. Tevens is bevestigd dat de akte ook zonder vermelding van het exact verschuldigde bedrag executoriale werking kan hebben, mits de akte de weg aangeeft waarlangs op voor de schuldenaar (behoudens tegenbewijs) bindende wijze de grootte van het verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld. [17]
Rabobank/ [… 2] [18] verder uitgewerkt. In die zaak was de formulering van de gesecureerde vordering gelijkluidend aan die in de zaak
Rabobank/ [… 1]. Uw Raad oordeelde, onder verwijzing naar dit arrest, dat ook deze akte geen executoriale titel opleverde (rov. 3.6) en voegde daaraan de volgende aanscherping van het omschrijvingsvereiste toe.
(…)”
Uit de onderhavige akte zelf blijkt niet van het bestaan van enige concrete vordering of enige concrete rechtsverhouding waaruit een vordering kan voortvloeien. De akte voldoet aldus niet aan de eis dat de te executeren vordering daarin met voldoende bepaaldheid is omschreven. De in de akte opgenomen boekenclausule brengt hierin geen verandering, nu die evenmin het bestaan van een concrete vordering in de akte vastlegt, maar het bewijs van het bestaan daarvan afhankelijk maakt van een buiten de akte gelegen bron.” [19]
met voldoende bepaaldheiden
inde notariële akte zijn omschreven. Daarvan is sprake als uit de akte blijkt van het bestaan van een
concrete vorderingof een
concrete rechtsverhoudingwaaruit een toekomstige vordering kan voortvloeien.
nietvoldoet aan de door uw Raad gestelde vereisten. De vraag is welke formulering de toets wel doorstaat. Uw Raad heeft daarvoor geen verdere aanwijzingen gegeven.
Rabobank/ [… 2]betoogd dat (in het geval van een bestaande geldlening) de datum van sluiting en het bedrag van de geldlening (of de weg waarlangs deze wordt vastgesteld) vermeld moeten worden. Ook beveelt hij aan te vermelden dat de geldlening reeds is aangegaan. [20] Steneker raadt aan ‘
te omschrijven wat je omschrijven kunt’, en meent dat in ieder geval de datum, de partijen en het bedrag (de hoofdsom) vermeld moeten worden. Hij acht het ook voldoende als specifiek wordt verwezen naar een aangehechte overeenkomst van geldlening. [21] Stal heeft zich hierbij aangesloten. [22]
Rabobank/ [… 2]blijkt dat feitenrechters van belang achten dat voldoende concreet is beschreven welke overeenkomst ten grondslag ligt aan de vordering en welk bedrag verschuldigd is of op welke wijze dit bedrag wordt vastgesteld. [23] Daarbij wordt de datum van de overeenkomst niet altijd expliciet genoemd. [24] Soms wordt expliciet vermeld tussen welke partijen de (geldlenings)overeenkomst is gesloten. [25] Ook werd een verwijzing naar de offerte voor de lening waarvoor de hypotheek is verleend voldoende geacht, met dien verstande dat in de hypotheekakte de bepalingen over de rente en aflossingen waren opgenomen en dat in de hypotheekakte algemene voorwaarden van toepassing waren verklaard waarin was geregeld hoe vertragingskosten en invorderingskosten werden berekend. [26]
welke vorderingen
voor welk bedrag(of via welke weg dit bedrag wordt vastgesteld) geëxecuteerd kan worden
.
Rabobank/ [… 2] ,zulks op twee gronden:
rechtsklachtdat het hof heeft miskend dat de grosse van een hypotheekakte voor een posterieure borg die verhaal zoekt voor een door hem betaalde restantschuld niet een executoriale titel jegens de hoofdschuldenaar oplevert indien in de hypotheekakte niet is vermeld:
- gelet op de omschrijving in de hypotheekakte zijn de vorderingen van
het Hypotheekfondsvoldoende bepaald in die akte, zodat
- de hypotheekakte een executoriale titel oplevert voor de vorderingen van
het Hypotheekfonds(rov. 3.4.2);
- de vordering van het Hypotheekfonds is bij wijze van subrogatie
overgegaanop de gemeente,
- samen met bevoegdheid om de met het hypotheekrecht verkregen executoriale titels ten uitvoer te leggen (vonnis van 20 februari 2020, rov. 4.2 en 4.3, in appel niet bestreden);
- ofwel: op grond van art. 6:12 BW Pro heeft de gemeente bij wijze van subrogatie de nevenrechten verkregen die verbonden waren aan de vordering van het Hypotheekfonds, waaronder de bevoegdheid om bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen (art. 6:142 BW Pro) (rov. 3.4.3).
rechtsklacht onder a)tevens faalt omdat de daarmee bepleite uitleg van het begrip bepaaldheid niet volgt uit de rechtspraak van uw Raad inzake
Rabobank/ [… 1]en
Rabobank/ [… 2]. Daarin ligt de nadruk op de omschrijving van
de vordering, met als achterliggende gedachte dat de schuldenaar weet uit hoofde van welke overeenkomst en voor welk bedrag geëxecuteerd kan worden.
de partijenbij de overeenkomst moeten worden genoemd, en is dit ook in de lagere rechtspraak van belang gebleken (zie hiervoor nrs. 3.15-3.17), maar dit dient mijns inziens te worden bezien in het licht van het vaststellen van de concrete vordering (onder andere aan de hand van de partijen) en niet om vaststelling van de persoon van de schuldeiser.
wiezal executeren wordt gediend door het voorschrift van art. 431a Rv (zie hiervoor onder 3.21).
rechtsklacht onder b)voorgestane uitleg van het bepaaldheidsvereiste dient naar mijn mening eveneens te worden verworpen.
bij uitstekvoordoen met betrekking tot de restantvordering die overblijft na uitwinning van de hypotheek. Voor uitwinning van de hypotheek heeft de hypotheekhouder immers geen executoriale titel nodig (art. 3:268 BW Pro).
Rabobank/ [… 1]en
Rabobank/ [… 2], die beide een restschuld na uitwinning van een hypotheek betroffen, vormen geen aanleiding voor de gedachte het niet vermelden van de mogelijkheid van een restschuld maakt dat niet voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste; dat laatste hield in die gevallen verband met de formulering als bankhypotheek. Ook de hiervoor besproken uitspraken van feitenrechters hebben betrekking op een restantschuld na uitwinning van een hypotheek. [32] Uit geen van deze uitspraken is af te leiden dat specifiek dient te worden vermeld dat de hypotheekakte ook betrekking heeft op een mogelijke restschuld na uitwinning van de hypotheek.
motiveringsklachtinhoudt, voldoet deze niet aan de daaraan te stellen eisen (art. 407 lid 2 Rv Pro), nu wordt volstaan met enkele verwijzing naar een grief. Bovendien ligt in het oordeel van het hof besloten dat de in de grief aangevoerde stellingen worden verworpen.