Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
Inleiding: de wettelijke regeling van het beschermingsbewind
beheerover de onder bewind gestelde goederen (art. 1:438 lid 1 BW Pro). Onder beheer wordt verstaan al datgene wat gedaan moet worden om de onder bewind staande goederen in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven, en omvat alles wat moet worden gedaan in het kader van de normale exploitatie van de onder bewind staande goederen. Onder de normale exploitatie van een goed vallen feitelijke handelingen, zoals het doen van onderhoud, het vervangen van onderdelen, het innen van huur of rente, maar ook rechtshandelingen zoals het sluiten van koopovereenkomsten, het sluiten van arbeidsovereenkomsten of huurovereenkomsten voor zover dit past binnen de normale exploitatie. [13]
beschikken(art. 1:438 lid 2 BW Pro). [14] Met beschikken wordt gedoeld op goederenrechtelijke rechtshandelingen, zoals het vervreemden of het bezwaren van de onder bewind staande goederen. [15]
(…)”
bewindvoerderom een machtiging aan de kantonrechter te verzoeken. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is geopperd dat ook voor de rechthebbende een beroepsmogelijkheid voorhanden zou moeten zijn in gevallen waarin de bewindvoerder weigert aan een beschikkingshandeling mee te werken. [17] In de parlementaire geschiedenis is vermeld dat bewust niet is voorzien in een algemene geschillenregeling, omdat het beschermingsbewind ertoe strekt de rechthebbende tegen zijn eigen onkunde te beschermen, en niet tegen de bewindvoerder. Ook met het oog op de aantrekkelijkheid van het vak van bewindvoerder werd niet wenselijk geacht dat de rechthebbende het handelen van de bewindvoerder over de gehele linie kon doorkruisen. [18] Wel werd bij wijze van
‘tussenoplossing’ verdedigbaar geacht om ook de rechthebbende de mogelijkheid te bieden om de kantonrechter om een machtiging te verzoeken voor het kunnen verrichten van een beschikkingshandeling. Voordeel van een dergelijke regeling was dat daarmee ook een grotere symmetrie zou worden bereikt tussen art. 1:438 lid 2 BW Pro en art. 1:441 lid 2 BW Pro. [19]
‘voor zover dit (….) niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende’. Daaruit laat zich afleiden dat (het belang van) verzorging van de rechthebbende op één staat. [22]
‘onberispelijke motivering’behoeft. [24]
‘niet in staat of weigerachtig is’toestemming te verlenen (hierna kortheidshalve ook de ‘toestemmingsclausule’ genoemd) voor de in die bepaling genoemde beschikkingshandelingen. Geklaagd wordt – heel kort samengevat – dat de maatstaf van art. 1:441 lid 2 BW Pro door het hof niet juist is toegepast, nu door de bewindvoerder in zijn verzoekschrift niet is gesteld dat rechthebbende
‘niet in staat of weigerachtig’was mee te werken aan de verkoop van de woning.
www.rechtspraak.nlis gepubliceerd. De webpagina ‘Checklist Machtigingsverzoek’ vermeldt: [29]
Let op:Bij een aankoop/verkoop altijd bewijsstukken meesturen (factuur, offerte, e.d.). Bij verkoop woning altijd meesturen: brief met toelichting (waarom wilt u de woning verkopen), een recent taxatierapport van onafhankelijk makelaar, de koopovereenkomst (inclusief voorbehoud goedkeuring door kantonrechter) de conceptakte van levering (indien aanwezig).”
www.rechtspraak.nlvolgt derhalve niet dat de bewindvoerder die een machtigingsverzoek indient, óók behoort aan te voeren en aan te tonen dat de rechthebbende niet in staat was toestemming te verlenen of daartoe weigerachtig was. Hoewel in de Aanbevelingen meerderjarigenbewind wel wordt toegelicht dat de machtigingsprocedure pas aan de orde is wanneer de rechthebbende geen toestemming kan of wil verlenen, is ook daarin niet opgenomen dat de bewindvoerder dit uitdrukkelijk aan zijn machtigingsverzoek ten grondslag moet leggen.
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
verstandigdat rechthebbende zou terugkeren naar de woning, maar dat is iets anders dan de vraag of rechthebbende in staat was om de benodigde
toestemmingvoor de verkoop te geven, aldus het subonderdeel. Voorts stelt het subonderdeel dat de kantonrechter ten onrechte is meegegaan in de redenering van de bewindvoerder en de mentor dat terugkeer naar de woning niet in het belang van rechthebbende is, nu het belang van de rechthebbende niet centraal staat in de maatstaf van art. 1:441 lid 2 BW Pro. Het oordeel van het hof hierover is volgens het subonderdeel dan ook onvoldoende inzichtelijk en geeft blijkt van een onjuiste rechtsopvatting over de toepasselijke maatstaf.
subonderdeel 1.2is de motivering van het hof in rov. 5.11 rechtens onjuist en onvoldoende begrijpelijk, omdat de bewindvoerder pas ter zitting bij het hof heeft aangegeven dat het haar duidelijk was dat zij de kantonrechter om een machtiging moest verzoeken voor de verkoop van de woning, nu rechthebbende zelf niet in staat was te beslissen over de verkoop van zijn woning. Deze nieuwe stelling is volgens het subonderdeel te laat in de procedure gebracht en had dan ook door het hof buiten beschouwing moeten worden gelaten vanwege strijd met het stelsel van art. 347 lid 2 Rv Pro en de daarop gebaseerde tweeconclusieregel.
‘mede gelet op de indruk die rechthebbende ter zitting heeft gemaakt’, de visie van de bewindvoerder deelt en dat het van oordeel is dat rechthebbende, gelet op de bij hem reeds in 2012 gestelde diagnose en zijn huidige gezondheidstoestand, onvoldoende in staat is om de gevolgen van een dergelijke ingrijpende beslissing te overzien. Het hof concludeert dan ook dat de bewindvoerder terecht om een machtiging heeft verzocht (rov. 5.11).
inhoudelijkebeoordeling van het machtigingsverzoek.
dat het voor de rechthebbende belangrijk was en is dat de woning in de familie zou blijven.
Dat brengt voor de rechthebbende immers mee dat hij, zo lang zijn gezondheid dat toelaat, in het kader van een familiebezoek in de woning kan zijn. Met inachtneming van dat belang kon de kantonrechter naar het oordeel van het hof tot haar beslissing komen om beide zonen - die ter zitting van de kantonrechter allebei de wens hebben geuit om de woning tegen de kort daarvoor door een makelaar vastgestelde prijs van € 425.000,- over te nemen - de gelegenheid te geven om de woning tegen voornoemde prijs over te nemen. Mogelijk dat inmiddels - gezien de nog steeds stijgende prijzen op de woningmarkt - in de vrije verkoop een hogere verkoopprijs gerealiseerd had en zou kunnen worden,
maar dat financiële belang weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het hiervoor genoemde emotionele belang van de rechthebbende.(…)”
6.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
niettot de vervulling van de taak van de bewindvoerder, dan is de rechthebbende zelf bevoegd als formele procespartij op te treden. [40]
‘bezwaring van de onder bewind staande goederen’(vgl. onder 4.5). Dat betekent dat een rechthebbende daarvoor toestemming van de bewindvoerder nodig heeft. Als de bewindvoerder de toestemming weigert, kan de rechthebbende de kantonrechter om een machtiging vragen. Dit was bijvoorbeeld het geval in een zaak waarin de rechthebbende een machtiging van de kantonrechter verzocht om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, omdat haar bewindvoerder daarvoor geen toestemming wilde verlenen. De verzochte machtiging werd geweigerd, omdat de procedure volgens de kantonrechter kansloos was. [41]
zelfstandigkan overgaan tot het instellen van hoger beroep tegen een machtigingsbeschikking. Wanneer de rechthebbende op grond van art. 1:438 lid 2 BW Pro een machtiging aan de kantonrechter verzoekt, zal hij immers zonder meer zelfstandig procesbevoegd zijn. Niet valt in te zien waarom dit in een procedure in hoger beroep tegen een machtigingsbeschikking ex art. 1:441 lid 2 BW Pro anders zou zijn.
‘zaak van onderbewindstelling’als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv Pro. [42] Op grond hiervan zou het standpunt kunnen worden ingenomen dat het voorgaande
mutatis mutandisook geldt voor het bepaalde in art. 1:441 lid 1 BW Pro. Met andere woorden: indien de machtigingsprocedure geen zaak van onderbewindstelling is, dan behoort de machtigingsprocedure ook niet tot de taakstelling van de bewindvoerder en is de rechthebbende aldus zelfstandig bevoegd te appelleren tegen een machtigingsbeschikking.
in de zin van art. 798 lid 2 Rv Pro.Dit oordeel moet dus worden bezien binnen de specifieke context van deze bepaling, waarin een uitbreiding van de kring van belanghebbenden is opgenomen. Omdat de machtigingsprocedure bedoeld is als een beperkte regeling waarin uitsluitend de bewindvoerder en de rechthebbende betrokken zijn, is een uitbreiding van de kring van belanghebbenden als bedoeld in lid 2 van art. 798 Rv Pro niet aan de orde, aldus de Hoge Raad. In zoverre kan uit de beschikking van de Hoge Raad dus niet zonder meer worden afgeleid dat de machtigingsprocedure
in het algemeenniet als zaak van onderbewindstelling kan worden aangemerkt.
‘zaken van curatele’vallen concrete geschillen die de curatele betreffen, zoals de situatie dat de curandus opheffing van de curatele wenst of dat er sprake is van een conflict over zijn verzorging of verpleging. [45] Zoals hiervoor (onder 4.3) is aangestipt, leidt curatele – anders dan beschermingsbewind – tot handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid van de betrokkene. Het zou vreemd zijn dat de curandus wel, maar de rechthebbende in het kader van beschermingsbewind niet bevoegd is zelfstandig in rechte op te treden in een procedure die zich richt tegen de beschermende maatregel of tegen degene die de beschermende maatregel uitvoert.
toestemmingvan de bewindvoerder vereist zou zijn, reeds niet opgaat omdat de wet in art. 1:438 lid 2 BW Pro niet spreekt van
toestemming,maar van
medewerkingvan de bewindvoerder. Het middel voert dit weliswaar
ookaan, maar dit kan de bewindvoerder niet baten, nu de klacht ook bij die lezing faalt.
juisttoe de belangen van de rechthebbende te beschermen. De kantonrechter vervult in de machtigingsprocedure een toezichthoudende rol en kan aldus bij onenigheid over een door de bewindvoerder beoogde beschikkingshandeling erop toezien dat de belangen van de rechthebbende gewaarborgd worden.