Conclusie
1.Feiten
1. Het werk: (…) Er is uitgesproken dat partijen binnen de gegeven omstandigheden rekening zullen moeten blijven houden met de medische situatie van [verzoeker] , maar ook met de eisen die het werk en de planning met zich meebrengen. De onderlinge relatie verdient dus blijvend de aandacht. Om dat te kunnen versterken, zijn er verder de volgende zaken afgesproken.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
primairverzocht dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, met veroordeling om [verzoeker] weer toe te laten tot zijn werkzaamheden (zodra hij weer volledig was hersteld van zijn ziekte) en veroordeling van [verweerster] tot betaling van het salaris vanaf 30 oktober 2020 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
subsidiairveroordeling van [verweerster] tot betaling van onder meer een billijke vergoeding [11] en een transitievergoeding, en
meer subsidiairtoekenning van een transitievergoeding.
primairgeconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk tegenverzoek. Voor het geval dat de kantonrechter het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding zou toewijzen, heeft [verzoeker] s
ubsidiair, onder meer, verzocht tot toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] .
rov. 4.19.-4.24., A-G] is overwogen dat de verstoring van de arbeidsverhouding voor een groot gedeelte is te wijten aan gedragingen van [verzoeker] en de manier waarop hij met de daaropvolgende kritiek van [verweerster] is omgegaan. [13] Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] is daarom geen sprake. De billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.”
primairop grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro [verweerster] te veroordelen de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2021 te herstellen. Voor het geval herstel niet zou worden toegewezen, heeft [verzoeker]
subsidiair, eveneens op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro, toewijzing verzocht van een billijke vergoeding van € 87.709,30 bruto, naast de in eerste aanleg toegekende transitievergoeding.
primairverzocht om de beschikking te vernietigen en voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was gegeven en een voorziening te treffen die erin bestaat dat [verzoeker] de transitievergoeding dient terug te betalen. Voor het geval het hof de vernietiging van het ontslag op staande voet in stand zou laten en zou oordelen dat de ontbinding vanwege de verstoorde arbeidsverhouding geen stand houdt in hoger beroep, heeft [verweerster] het hof
subsidiairverzocht om vernietiging van de beschikking voor zover wordt geoordeeld over het ontbindingsverzoek op grond van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro en de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar handelen van de werknemer en een tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt of is geëindigd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
additionelebillijke vergoeding te betalen. [21] Het ontslagrecht kent daarbij niet één type billijke vergoeding; de wet onderscheidt juist verschillende billijke vergoedingen die betrekking hebben op uiteenlopende in de wet omschreven situaties en die daarom ook verschillende toepassingsvoorwaarden kennen. [22]
de drempel om ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever aan te nemen nog steeds hoog is.” [28] Tegelijkertijd werd daarbij opgemerkt dat naarmate de door de Wwz geïntroduceerde regeling langer in werking is, wel degelijk iets sneller dan aanvankelijk het geval was, wordt geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en daarmee van een reden voor toekenning van een billijke vergoeding. [29]
ex nunc’). [41] Ook het recht op en de omvang van de transitievergoeding en de billijke vergoeding dient de rechter in hoger beroep, in overeenstemming met genoemd uitgangspunt in het civiele procesrecht, te beoordelen aan de hand van de hem ten tijde van de beslissing in hoger beroep bekende feiten en omstandigheden. [42]
subonderdeel 1adat het hof het grievenstelsel van art. 347 jo Pro. art. 359 jo Pro. art. 278 Rv Pro in hoger beroep, zoals dat ook geldt in verzoekschriftprocedures, heeft miskend door de stellingen van [verzoeker] onder randnummers 6.1.-6.3. van zijn beroepschrift in hoger beroep niet als grief aan te merken. Daarmee zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing in dit verband onvoldoende inzichtelijk hebben gemotiveerd. [44]
subonderdeel 1been motiveringsklacht tegen rov. 5.25. van de bestreden beschikking.
de overige grieven” van partijen falen, [verzoeker] subsidiaire verzoek tot toewijzing van een billijke vergoeding wél als grief heeft aangemerkt en daarop een beslissing heeft gegeven, heeft het zijn beslissing in dit verband onvoldoende inzichtelijk gemaakt. [50] Naar het oordeel van [verzoeker] was de voorwaarde voor het behandelen van het subsidiaire verzoek van [verzoeker] in vervulling gegaan (te weten ‘geen herstel van de arbeidsovereenkomst’), waarna het hof gehouden was om het verzoek van [verzoeker] tot het toekennen van een billijke vergoeding inhoudelijk te beoordelen en kon het hof niet volstaan met de enkele overweging dat de grief faalt. Rov. 5.25. geeft namelijk geen inzicht in de beweegredenen van het hof. Volgens [verzoeker] had het hof het subsidiaire verzoek in dit geval als vierde grief moeten behandelen en daar vervolgens een inhoudelijke motivering aan moeten wijden. [51]
subonderdeel 2abetoogt [verzoeker] dat het hof heeft verzuimd te beslissen op zijn subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding. Hiermee zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 23 en Pro/of 26 Rv. [52] Hoewel de afwijzing van het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst geacht kon worden besloten te liggen in de bekrachtiging van de beschikking van de kantonrechter en de overwegingen ten aanzien van de verstoorde arbeidsverhouding, kon het hof daarmee niet volstaan ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot het toekennen van een billijke vergoeding. Dat verzoek vergde een inhoudelijke beoordeling. [53]
primairherstel van de arbeidsovereenkomst. Mocht dit niet worden toegewezen, dan wenste [verzoeker]
subsidiair, in aanvulling op de reeds toegekende transitievergoeding, toewijzing van een billijke vergoeding ter hoogte van € 87.709,30 bruto. Voor de onderbouwing van dit bedrag heeft [verzoeker] in randnummer 6.3. van zijn beroepschrift in hoger beroep verwezen naar de berekening die hij in eerste aanleg heeft gemaakt ter begroting van de door hem verzochte billijke vergoeding. [62]