Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
Het principaal cassatieberoep heeft betrekking op het oordeel van het hof dat de selectie bescheiden die onder het bewijsbeslag vallen, te ruim is. Ook richt het zich tegen de overweging van het hof dat, als de inzagevordering betrekking heeft op onder bewijsbeslag rustende bescheiden, de rechtsbetrekking in de zin van art. 843a lid 1 Rv in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag.
Het incidenteel cassatieberoep komt op tegen het oordeel van het hof dat van de onder het beslag vallende bescheiden een minder ruime selectie dient te worden vervaardigd. Daarnaast keert het incidentele middel zich tegen de overweging van het hof dat het subsidiaire verweer van [verweerder] , dat de berichtgeving omtrent [eisers] grotendeels op waarheid berust, in deze inzageprocedure niet hoeft te worden besproken.
2.Feiten en procesverloop
Vervolgens hebben [eisers] verweer gevoerd in reconventie.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping en daarnaast incidenteel cassatieberoep ingesteld.
[eisers] hebben in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping.
Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eisers] hebben gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd. [10]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 6.14, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de volledigheid citeer ik ook rov. 6.15):
Bepaalde bescheiden
6.15 Het hof oordeelt dat van de onder het beslag vallende bescheiden een minder ruime selectie dient te worden vervaardigd. Deze te maken selectie betreft uitsluitend alle in beslag genomen bescheiden waarin het woord [A] of samenstellingen daarmee voorkomen, dan wel het woord scam of het woord Quote. Daarnaast alle emailverkeer van [verweerder] met [betrokkene 2] (het adres [e-mailadres] ), en alle uitgaande emailverkeer naar adressen die eindigen op @ [domeinnaam] , en alle whatsapp-verkeer en sms-berichten van en met de in het beslagrekest genoemde telefoonnummers die op naam staan van [betrokkene 2] , en de uitgaande berichten naar de telefoonnummers die volgens het beslagrekest op naam staan van het tijdschrift Quote dan wel daar werkzame personen.
Een verdere uitbreiding van de grondslag door [eisers] tijdens de mondelinge behandeling is door het hof in rov. 6.6 in strijd met de tweeconclusieregel geacht en daarom buiten beschouwing gelaten.
[…] / […] [12] geoordeeld dat art. 730 en Pro 843a Rv voldoende grondslag bieden voor het leggen van een bewijsbeslag.
Een (verlof tot) bewijsbeslag geeft geen verdergaande aanspraken dan de bewaring van de in beslag genomen bescheiden en geeft de beslaglegger geen recht op afgifte, inzage of afschrift. Een bewijsbeslag moet daarom altijd worden gevolgd door een vordering op grond van art. 843a Rv (ook wel inzagevordering of exhibitievordering genoemd). [13]
a. hem een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165, tweede lid, toekomt of
b. gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
(…)”
Vervolgens wordt een aantal voorbeelden van voldoende bepaalde verzoeken genoemd, zoals:
- een verzoek om alle onderhoudsrapporten die betrekking hebben op een specifieke machine;
- alle bankafschriften van een met naam en toenaam genoemde bankrekening over een bepaalde periode waarover de (in te stellen) vordering zich uitstrekt;
- alle met een specifiek aangeduide partij gewisselde correspondentie voorafgaand aan het nemen van een bepaald besluit, dat aan het geschil ten grondslag ligt.
Het verzoek om inzage in een volledige bedrijfsadministratie of in een volledig dossier is volgens de memorie van toelichting daarentegen te weinig specifiek en kan daarom niet als voldoende bepaald worden aangemerkt.
bepaaldegegevens die relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de informatieverzoeker partij is. [29] Daarnaast is in deze memorie van toelichting de samenhang tussen de cumulatieve vereisten voor de inzagevordering als volgt verwoord:
onderdeel 1wordt de rechtsvraag voorgelegd, aldus [eisers] , of het hof in rov. 6.14 uitgaat van een juiste rechtsopvatting met zijn categorische afwijzing van de vordering tot afgifte van bescheiden die in bewijsbeslag zijn genomen op grond van - wat het hof aanduidt als - (in het beslagrekest genoemde) “algemene woorden” (“fraude” en “oplichting”), meer in het bijzonder nu de laster, zijnde de rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a Rv, nu juist (voornamelijk) bestond uit een beschuldiging van [eisers] van “fraude” en “oplichting”, en dus was gegoten in juist (hoofdzakelijk) deze ‘algemene woorden’. [33]
Het hof heeft, via de specificatie van de zoektermen, beoordeeld of de bescheiden voldoende zijn bepaald en of rechtmatig belang bestaat bij de inzage in die bescheiden en is tot de slotsom gekomen dat dit voor een deel van de zoektermen niet het geval is. Daarmee is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de in art. 843a Rv genoemde voorwaarden van ‘bepaalde bescheiden’ en ‘rechtmatig belang’.
De rechtsbetrekking: betrokkenheid bij de lastercampagne
6.10 Het bestaan van die rechtsbetrekking moet door degenen die inzage verlangt voldoende aannemelijk worden gemaakt. Daarbij dient de inzagevordering zodanig feitelijk te worden onderbouwd, zo mogelijk met al voorhanden bewijsmateriaal, dat voldoende aannemelijk is dat - in dit geval - de gestelde onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan.
Het hof is verder van oordeel dat, waar de inzagevordering betrekking heeft op onder bewijsbeslag rustende bescheiden, de rechtsbetrekking ook in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag(curs. A-G)
.Dit bewijsbeslag is gelegd wegens vermoedelijke betrokkenheid van [verweerder] bij de lastercampagne. Dit brengt met zich dat ook indien betrokkenheid van [verweerder] bij de eerste fase van de door [eiser 1] gestelde kapotmaakstrategie, hiervoor onder rov. 6.4 aangeduid (het verzamelen van informatie over activa waarop [betrokkene 1] beslag zou kunnen leggen) aannemelijk zou zijn gemaakt, de inzagevordering in dat opzicht toch dient te stranden.
Subonderdeel 2bvoegt daaraan de klacht toe dat het oordeel van het hof in rov. 6.10 (bedoeld zal zijn rov. 6.11, toev. A-G) dat de inzagevordering, voor zover deze betrekking heeft op de eerste fase van de gestelde kapotmaakstrategie, niet in het verlengde ligt van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. [eisers] hebben zich immers zowel in eerste aanleg als in appel beroepen op een onrechtmatige daad van [verweerder] , zodat de rechtsbetrekking in zoverre niet is veranderd. [40] [eisers] hebben in hoger beroep slechts een gelaagdheid binnen de onrechtmatige daad aangebracht. De inzagevordering ziet echter nog steeds op (nagenoeg) hetzelfde feitencomplex en hetzelfde verwijt (de lastercampagne met als doel [eisers] ‘kapot te maken’), [41] aldus het subonderdeel.
AIB/Novisem [42] en
Synthon/Astellas [43] , in het kader van een inbreuk op een IE-recht, een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf houdt in dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt.
Organik/Dow [44] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat die maatstaf zich ook leent voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen.
Semtex [45] geoordeeld dat ook buiten het terrein van inbreuk op IE-rechten en het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn.
equality of armsdeel uitmaakt, terwijl tegelijkertijd moet worden voorkomen dat informatie moet worden gedeeld die niet relevant is voor de oplossing van het geschil of waarbij geen concreet belang aanwezig is of die vertrouwelijk van aard is. De voorwaarden, afwijzingscriteria en mogelijkheden voor de rechter bieden voldoende waarborgen om zogenaamde
fishing expeditionstegen te gaan. [46]
Semtex [48] gewezen en daarin geoordeeld dat als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Daarbij overweegt de Hoge Raad in rov. 3.1.4 dat die maatstaf de rechter in staat stelt een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen.
Semtex-arrest af of de Hoge Raad de wetgever nog op andere gedachten heeft willen brengen en of de door de Hoge Raad gegeven maatstaf wellicht ligt besloten in de in het wetsvoorstel opgenomen nieuwe eis van ‘voldoende belang’, zodat de hoge drempel voor inzagevorderingen ook na inwerkingtreding van het wetsvoorstel geldt.
Semtex-arrest uiteenzet, onderdeel te maken van het nieuwe bewijsrecht en dus te verdisconteren in het wetsvoorstel. [51]
Semtex-arrest geen melding maakt van het advies van de expertgroep Modernisering Burgerlijk Procesrecht of van het ingediende wetsvoorstel. Volgens Ekelmans is de maatstaf die de Hoge Raad in het
Semtex-arrest voorstaat de maatstaf die de minister en de wetgever ook voor de toekomst tot de hunne moeten maken, omdat daarmee een evenwichtiger invulling aan het inzagerecht wordt gegeven. [52]
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Bepaalde bescheiden(…)
Volgens
subonderdeel I.2is het oordeel van het hof daarmee bovendien tegenstrijdig en dus onbegrijpelijk, gelet op het oordeel van het hof in rov. 6.11, dat het inzagerecht is beperkt tot hetgeen betrekking heeft op de aan het bewijsbeslag ten grondslag gelegde lastercampagne.
fishing expedition.
De overweging van het hof in rov. 6.16 dat de nadere selectie eerst aan [verweerder] dient te worden verstrekt, maakt dit volgens
subonderdeel I.4niet anders, aangezien het evenwicht tussen de “ingrijpendheid van de inzage” en het belang van [eisers] om hun vermoedens bevestigd te zien daarmee niet is hersteld. Het subonderdeel voert daartoe aan dat via de brede zoektermen disproportioneel ver wordt ingegrepen in de privacy van [verweerder] , waarna het vervolgens ook weer [verweerder] is die in actie moet komen om te verstrekkende inzage (opnieuw) te voorkomen. Dit terwijl de selectie door een eenvoudige combinatie van zoektermen binnen de communicatie met [betrokkene 2] het inzagerecht in proportie kan doen zijn met de inbreuk voor [verweerder] . Volgens het subonderdeel heeft het hof ook dit miskend, hetzij heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
subonderdeel I.5de voortbouwklacht dat het slagen van één of meer subonderdelen ook rov. 6.17, 6.19, 7.1, 7.2 en het dictum raakt.
Subonderdeel I.5 deelt als voortbouwklacht in de uitkomst van de daaraan voorafgaande subonderdelen.
subonderdeel II.3de voortbouwklacht dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel II ook rov. 6.16, 6.17, 6.19, 7.1, 7.2 en het dictum raakt.
In de procedure waarin inzage wordt gevorderd op grond van art. 843a Rv moet worden beoordeeld of aan de vereisten uit dit artikel is voldaan. Een van deze vereisten is dat de bescheiden betrekking moeten hebben op een ‘rechtsbetrekking’ waarin de eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Deze rechtsbetrekking kan ook een onrechtmatige daad zijn. [60] Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. [61] Volgens het arrest van de Hoge Raad in de zaak
Semtexmoet de rechtsbetrekking door de partij die inzage vordert, indien sprake is van betwisting, voldoende aannemelijk worden gemaakt. [62] Het hof heeft in rov. 6.12 en 6.13 geoordeeld dat aan dit vereiste is voldaan. Het oordeel van het hof in rov. 6.18, dat het door [verweerder] gevoerde subsidiaire verweer dat de berichtgeving grotendeels op waarheid berust, in de bodemprocedure aan de orde dient te komen, is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Het feit dat het hof in rov. 4.19 heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie en de FIOD [eiser 1] in voorlopige hechtenis hebben doen nemen voor verdenkingen van oplichting en witwassen maakt dit niet anders.