Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
.Zij hebben primair verzocht om verlof tot het leggen van beslag tot afgifte, subsidiair bewijsbeslag, op hun administratie die zich bevindt in het kantoor en de woning van [verweerster], bestaande uit fysieke en digitale documenten. Tevens hebben zij verzocht dat DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) gemachtigd wordt om de beslagen documenten digitaal te kopiëren en die vervolgens in gerechtelijke bewaring te nemen.
Belba c.s. hebben geen recht op inzage (vordering I en III)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
fishing expeditions’ te voorkomen. [15] Een partij heeft een rechtmatig belang bij inzage als de betrokken bescheiden relevant kunnen zijn voor de vaststelling van voor haar relevante feiten. [16]
fishing expeditionste voorkomen. Degene die inzage verlangt, zal voldoende concreet moeten aangeven in welke bescheiden hij inzage wenst. Alleen dan kan worden beoordeeld of hij ook een voldoende relevant belang heeft bij inzage. [17]
fishing expeditionste voorkomen. Deze voorwaarde dicteert immers het belang dat de verzoeker ten minste zal moeten hebben bij inzage. Dat is dat de bescheiden relevant zijn voor de vaststelling van zijn rechtspositie (rechtsbetrekking met anderen). Het bestaan van de rechtsbetrekking die de verzoeker inroept, zal daarvoor voldoende aannemelijk moeten zijn. [18]
samenerop gericht te bewerkstelligen dat alléén recht op inzage bestaat als duidelijk is dat inzage op haar plaats is en dat het inzagerecht (dus) niet kan worden gebruikt voor
fishing expeditions. Asser merkt hierover m.i. terecht op:
fishing expeditionstegen te gaan. Met dit begrip wordt gedoeld op het misbruik maken van de regeling van het inzagerecht door te vissen naar informatie waarop geen recht bestaat. Bijvoorbeeld omdat een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concrete vordering ontbreekt of omdat naar informatie wordt gezocht waarvan de verzoeker niet weet of die ook echt bestaat en de informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen. Om dergelijke
fishing expeditionste voorkomen, is rechterlijke toetsing van het inzageverzoek of de voorwaarden waaronder inzage wordt verstrekt, steeds mogelijk. De rechterlijke toets omvat de materiële voorwaarden waaronder een recht op inzage bestaat (zie hiervoor het voorgestelde artikel 194). Deze voorwaarden brengen mee dat zowel de aanspraak als het ontstane of potentiële geschil voldoende nauwkeurig moet kunnen worden geduid alsook het verband daartussen. Hierbij kan de rechter de aard van de verzochte informatie in zijn oordeelsvorming betrekken alsook de partij tegen wie het verzoek is gericht.” [20]
allemaalbehoren tot de administratie van Belba c.s.” (cursivering toegevoegd).
allemaalbehoren tot’ hun administratie (opnieuw cursivering toegevoegd). De oplossing voor het probleem dat de selectie mogelijk te ruim is, zal ergens anders in moeten worden gevonden. De afwijzing op genoemde, door het hof gehanteerde grond heeft immers als niet aanvaardbaar gevolg dat Belba c.s. de toegang tot een deel van hun administratie wordt onthouden.
Subonderdeel II.1klaagt dat het hof in rov. 2.6 voor de toewijsbaarheid van de vordering tot inzage ten onrechte de eis heeft gesteld dat het er van overtuigd moet zijn dat de circa 650 duizend bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Een dergelijk criterium bestaat niet voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot inzage van bescheiden op de voet van art. 843a Rv, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel II.2-Bklaagt dat het oordeel van het hof dat Belba c.s. hun vordering, gezien de betwisting door [verweerster], onvoldoende hebben onderbouwd, onbegrijpelijk is, gelet op de gebruikte zoektermen en het feit dat [verweerster] niet van enig specifiek bestand heeft aangevoerd dat dit niet tot de administratie van Belba c.s. behoort.
Subonderdeel II.2-Cveronderstelt dat het oordeel van het hof berust op toepassing van art. 149 Rv Pro.
subonderdeel I.2), analoge toepassing van de regeling van revindicatie van art. 5:2 BW Pro (
subonderdeel I.3), en de verplichting van art. 3:15j BW tot openlegging van een tot administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (
subonderdeel I.4).